Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Nederland

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 9 van 12

Nederland

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van NederlandVlag en volkslied van Nederland
Artikeloverzicht

5.6.5 Buitenlandse politiek tijdens de Republiek

Holland was dan ook verreweg de krachtigste tegenstrever van de stadhouderlijke ambities. Het aanhoudend gevecht tussen deze twee had zijn weerslag in de buitenlandse politiek van de Republiek. In het algemeen kan men zeggen dat de Hollandse regenten voorstander waren van een niet-expansieve vredespolitiek en de stadhouders van een dynastieke machtspolitiek. Hollands macht en welvaren waren gebaseerd op commerciële relaties, die bij een expansiepolitiek alleen maar nadeel konden ondervinden; het aanzien van de stadhouders daarentegen stond of viel met hun militaire successen. Frederik Hendrik kon zijn dynastieke politiek nog voor een goed deel verwezenlijken en talrijke ‘steden dwingen’, maar zijn zoon Willem II (die de Vrede van Münster als verraad betitelde) kwam direct scherp tegenover de regenten te staan. Na zijn vroege dood (1650) kon de ‘ware vrijheid’, dwz. een stadhouderloos bestuur (zie Eerste en Tweede Stadhouderloos Tijdperk), pas echt verwezenlijkt worden. Johan de Witt, personificatie van deze twintig jaar durende ‘Ware Republiek’, was echter voortdurend in oorlogen verwikkeld. In de periode dat hij raadpensionaris was, vonden de eerste twee Engels-Nederlandse Oorlogen (1652–1654 en 1665–1667) plaats, mengde de Republiek zich in de Grote Noordse Oorlog (1660–1666) en sloot zij achtereenvolgens een verdrag met Frankrijk (1662) en met Engeland en Zweden (Triple Alliantie). Van een neutraliteitspolitiek was dus geen sprake. De buitenlandse politiek van de Republiek onder Johan de Witt toonde duidelijk de zwakte van de idee van een neutraliteitspolitiek: wanneer economische belangen bedreigd werden (Akte van navigatie en strijd om de koloniën als achtergrond van de oorlogen met Engeland; de ‘sleutels van de Sont’ als reden van de bemoeienis met de Noordse Oorlogen) of wanneer het staatsgebied gevaar liep, moest en kon oorlog worden gevoerd. In de loop van de jaren zestig werd steeds duidelijker dat het Nederlandse territorium bedreigd werd (vooral door Frankrijk, zie ook Devolutieoorlog) en nu werd het ontbreken van een militair centrum als steeds pijnlijker ervaren. In dit licht moet men het einde van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk zien: het eclatante prestigeherstel van Willem III in 1672 is grotendeels te verklaren uit de zwakte in het militair en buitenlands politiek beleid van de voorvechters van de Ware Vrijheid. Toen in 1672 een aantal staten de Republiek binnenviel, kon zij met de zeven provinciale legertjes, waarin het leger bij de Grote Vergadering van 1651 opgedeeld was, geen partij voor Lodewijk XIV zijn. Van Willem III kan men niet zeggen dat hij zijn dynastieke ambities boven het ‘staatsbelang’ liet prevaleren. Wél voerde hij een bewuste oorlogspolitiek, maar deze was veeleer defensief dan agressief. Hoe noodzakelijk deze politiek tegen Lodewijk XIV voor de Republiek was, blijkt uit de handelwijze na de dood van Willem III, die overigens voorlopig een einde aan het stadhouderschap in de meeste gewesten maakte: raadpensionaris Heinsius zette – hoewel onder gemor van talrijke regenten – de containment-politiek van de stadhouder ten opzichte van Frankrijk voort.

Was de Republiek tot ca. 1650 zowel te land als ter zee een machtige mogendheid, daarna onder De Witt alleen ter zee sterk en onder koning-stadhouder Willem III een goede organisator van internationaal verzet tegen de opdringende Fransen, de Vrede van Utrecht, die een eind maakte aan de Spaanse Successieoorlog (1713), liet haar vrij hulpeloos achter. De daarna gevolgde neutraliteitspolitiek slaagde, ondanks eindeloos geschipper over de barrièresteden (zie barrièretraktaten) in de Zuidelijke Nederlanden, heel aardig tot Lodewijk XV in 1747 een soort herhaling van 1672 forceerde: onder dreiging van de oprukkende Franse troepen eindigde het Tweede Stadhouderloze Tijdperk. De nieuw benoemde stadhouder werd in alle provincies en bovendien erfelijk aangesteld. Het zag er naar uit dat onder Willem IV en na diens dood (1751) onder Willem Bentinck de Republiek opnieuw in het spoor van de anti-Franse politiek zou geraken ter bescherming van haar zuidgrenzen en ter ondersteuning van het Oostenrijkse gezag in de Zuidelijke Nederlanden. De ontwikkelingen in de Zevenjarige Oorlog (1756–1763), die een bondgenootschap tussen Oostenrijk en Frankrijk tot stand deden komen, maakten deze politiek zinloos. Er bleef de Republiek maar één mogelijkheid over: neutraliteit ten koste van alles. Dit was vooral ongunstig, omdat Engeland geen rekening hield met deze angstig hooggehouden onafhankelijkheid. Dit bracht de economie onvoorstelbare schade toe en leidde uiteindelijk tot wat men de genadeslag voor het Republikeins bestel zou kunnen noemen: de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog. Een zondebok vond men in de hertog van Brunswijk, die ook na zijn regentschap voor Willem (V) een belangrijke politieke machtsfactor was gebleven. De inval van de Fransen maakte een einde aan het oude bestel (1795, zie Bataafse Republiek).

5.6.6 Koning en parlement in de 19de eeuw

Na de nederlaag van Napoleon in de Slag bij Leipzig verlieten de Franse troepen in 1813 Nederland. De zoon van Willem V werd door Gijsbert Karel van Hogendorp uit Engeland naar Nederland geroepen en op 2 december 1813 als soeverein vorst ingehuldigd (koning Willem I). Van een parlementaire democratie was in het begin van de 19de eeuw in Nederland nog allerminst sprake: het kiesrecht was beperkt tot een uitermate kleine groep, ‘partijen’ in moderne zin bestonden nog niet en van ministeriële verantwoordelijkheid en parlementair gezag was nog geen sprake. De staatkundige geschiedenis van de eerste vijftig jaar van het Koninkrijk gaf m.n. een wijziging van dat laatste punt te zien. De grondwet van 1813 voorzag in een grote macht van de koning en in een beperkte invloed van ministers en parlement: de eersten waren alleen aan de koning verantwoording schuldig en niet aan het parlement; hoewel het parlement wel een aantal rechten verwierf, had het geen bindend mandaat. Invloed kon dus alleen worden uitgeoefend in samenwerking met de koning. Wanneer de koning autocratisch was, dan was het parlement vleugellam. Een tweetal grondwetswijzigingen en een constitutionele crisis legden de basis voor de moderne parlementaire democratie.

De eerste nieuwe grondwet kwam in 1840 tot stand. De noodzaak ertoe lag in de officiële Belgische onafhankelijkheid, bevochten in de Belgische Revolutie (1830). Omdat in het vredesverdrag tussen België en Nederland de erkenning van België als onafhankelijke staat was opgenomen, kwam er een einde aan het grote Nederland dat ontstaan was op het Congres van Wenen (1814) toen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden herenigd werden. In 1840 moest een nieuwe grondwet worden aangenomen voor het kleine Nederland. De nieuwe wet bracht een eerste en gematigde verandering in het verlicht absolutistische bestel: de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de ministers maakte voortzetting van het autoritair koninklijk bewind niet langer mogelijk. De ministers bleven echter de dienaren van de vorst. Ingrijpende verandering kwam later bij de – voor de toenmalige situatie – ultra-moderne grondwetswijziging van 1848: door de invoering van politieke ministeriële verantwoordelijkheid werd koninklijke autocratie theoretisch uitgesloten. Bovendien kreeg het parlement een aantal belangrijke rechten: het recht van enquête , het recht van amendement en interpellatie, terwijl het door de nu verplichte jaarlijkse begroting vat op het ministerieel beleid kreeg. In de praktijk bleek echter dat de verhouding tussen koning, kabinet en parlement nog voor verschillende uitleg vatbaar was. De geruchtmakende crisis tijdens het conservatieve minderheidskabinet-Van Zuylen van Nyevelt (1866–1868, zie Luxemburgse kwestie) schiep een precedent, waarmee de scheidslijn tussen koninklijke en parlementaire kabinetten duidelijker gemarkeerd werd. Tot twee keer toe ontbond Willem III de Kamer, nadat deze het ministerieel beleid afgekeurd had. En toen een nieuwe Kamer ook een derde maal afkeurend oordeelde, bleef er maar één mogelijkheid over: ontbinding van de regering. Het principe dat een regering die het vertrouwen van het parlement mist, aftreedt, had daarmee gezegevierd.

Drie onderwerpen: onderwijs, kiesrecht en de sociale kwestie domineerden de politiek sinds de constitutionele crisis van 1866–1868 tot de Eerste Wereldoorlog.

5.6.7 De Schoolstrijd

De Wet op het lager onderwijs van 1857 betekende een bevestiging en zelfs verscherping van de onderwijswetgeving uit 1806. Hierdoor werd een uniform en neutraal onderwijsstelsel aan de samenleving voorgeschreven en kwam het bijzondere (d.w.z. protestantse en katholieke) onderwijs in een tweederangspositie te staan: dit vooral omdat subsidie aan bijzonder onderwijs uitgesloten werd. De wet van 1857 was aanleiding tot een koerswijziging in de antirevolutionaire onderwijspolitiek: poogde Groen van Prinsterer, de leider van de antirevolutionairen, tevoren het neutrale onderwijs van een christelijk stempel te voorzien, ná de nieuwe wet leek hem dit niet langer mogelijk. Onder zijn leiding streefden zijn geestverwanten nu naar gelijkstelling van neutraal en bijzonder onderwijs. De Onderwijswet van Kappeijne van de Coppello uit 1878 bemoeilijkte de concurrentiepositie van het bijzonder onderwijs door hogere eisen (met financiële implicaties) aan het onderwijs te stellen. In hun strijd werden de protestanten gesteund door de katholieken, die tot dan toe trouwe bondgenoten van de liberalen waren geweest. Deze kwestie zou de confessionele partijen in 1888 in een coalitie tot elkaar brengen. Deze bundeling van krachten stelde hen in staat in de Schoolstrijd te zegevieren. De gelijkstelling van neutraal en bijzonder lager onderwijs werd in 1920 verwezenlijkt, nadat in 1917 het principe in de grondwet was vastgelegd. Deze onderwijskwestie had ingrijpende consequenties: enerzijds was zij een factor in het opbreken van de liberaal-katholieke samenwerking en de totstandkoming van de protestants-katholieke coalitie, anderzijds had zij directe gevolgen voor de strijd om het kiesrecht.

5.6.8 Kiesrecht

De bevoorrechte positie van het neutrale onderwijs was een gevolg van de liberale en liberaal-conservatieve overheersing in kabinet en parlement, en deze was op haar beurt een uitvloeisel van het bestaande kiesrecht dat gekoppeld was aan een bepaalde hoeveelheid belasting die men betaalt (census) en het kiesstelsel (districtenstelsel), waardoor de liberale groeperingen meer dan de confessionelen in de kaart werden gespeeld.

De verandering van de kiestabel, die Kappeijne in 1878 tot stand bracht, de snelle evolutie van de Nederlandse samenleving in de jaren tachtig en de grondwetswijziging van 1887 bleken vooral voor de confessionelen voordelig te zijn. Na de eerst volgende verkiezingen, in 1888, kwam er een confessioneel kabinet aan het bewind. Tussen 1887 en 1917 nam het aantal kiezers sterk toe: was in het eerstgenoemde jaar nog slechts 12,7% van de mannelijke bevolking boven de 23 kiesgerechtigd, in 1888 was dat al 27%, in 1897 50,3% en in 1917 ten slotte 70,8% (in dat jaar was overigens nog slechts iets meer dan 16% van de totale bevolking kiesgerechtigd; de invoering van het vrouwenkiesrecht in 1919 en de verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd zouden dit percentage aanmerkelijk verhogen). Voor de partijverhoudingen in het parlement had de uitbreiding van het kiesrecht en de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1917 ingrijpende gevolgen: de socialisten zagen hun zetelaantal gestaag toenemen (vóór de Eerste Wereldoorlog tot 15; in het Interbellum tussen 20 en 25); de liberalen daarentegen verloren behoorlijk aan invloed; de confessionelen profiteerden er voorlopig nog het meeste van: gedurende het gehele Interbellum kregen zij rond 50% van de stemmen.

5.6.9 Sociale wetgeving

De sociale kwestie was op het eind van de 19de eeuw nog geenszins opgelost. Het Kinderwetje van Van Houten uit 1874, hoewel geruchtmakend, stond op zichzelf en betekende weinig. Pas de jaren tachtig gaven een begin van discussie over de sociale wetgeving te zien, resulterend in de Arbeidswet van 1889, waarmee kinderen en vrouwen tegen overmatige arbeid beschermd werden. Onder N.G. Pierson kwam de verzekeringswetgeving op gang (1897–1901). Ook werden de leerplicht, de kinderwetgeving, de gezondheidswet en de woningwet tijdens zijn kabinet geregeld. A.S. Talma ten slotte heeft als minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (1908–1913) de sociale wetgeving krachtig bevorderd.

In de tweede helft van de 19de eeuw kwam de arbeidersbeweging op (zie arbeidersbeweging § Nederland). Haar belangrijkste wapenfeit werd de spoorwegstaking van 1903, die echter ook intern sterke verdeeldheid bracht.

Vorige
... | | | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum