Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Nederland

Resultaten van Windows Live® Search

  • Nederland.nl - Startpagina voor informatie over Nederland. Single ...

    Deze pagina biedt toegang tot alle online informatie over Nederland. This page gives you access to all online information about the Netherlands

  • Google Video

    How smart are we as a civilization? Smart enough to control our destiny and avoid the ... U.S. - Australia - Canada - Deutschland - España - France - Italia - Nederland - Polska - U.K. - ...

  • Indymedia NL (Nederland)

    Medianetwerk met persoonlijke standpunten. Publiceer je eigen nieuws. Dossiers, archief en chat.

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 8 van 12

Nederland

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van NederlandVlag en volkslied van Nederland
Artikeloverzicht

5.5.2 Patriotten

De patriottenbeweging was zowel geografisch als sociaal een uitermate complex verschijnsel. Het ging niet alleen om een ‘burgerlijke emancipatiestrijd’. Het einde van het Tweede Stadhouderloze Tijdperk gaf in zekere zin een herhaling te zien van de gebeurtenissen uit 1672 (zie rampjaar): onder dreiging van een Franse inval versterkte zich de roep om een stadhouder, van wie naast bundeling van militair verzet interne hervormingen werden verwacht, door regenten, die om welke redenen ook geen plek op het kussen hadden, en vooral door burgerlijke groepen en mensen uit de lagere strata van de bevolking. Het bleek echter al spoedig dat het voornaamste doel van prins Willem IV versteviging van zijn positie ten koste van de regenten was en geenszins een ‘democratische hervorming’. Gevolg hiervan was dat het monsterverbond tussen de prins en die groepen die een hervorming van het regentendom wensten, spoedig uiteenviel en dat de enkelvoudige haat tegen de zittende regenten omsloeg in een dubbele haat tegen regenten en Oranje. Na de dood van Willem IV werden de minimale hervormingen uit de jaren 1747–1751 ongedaan gemaakt.

De Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780–1784) zou de hervormingsdrang opnieuw een kans geven, temeer daar de Amerikaanse Vrijheidsoorlog – aanleiding van deze nieuwe strijd tussen Engeland en de Republiek – enerzijds scherpere tegenstellingen schiep tussen de regenten en Oranje, de prinsgezinden, en anderzijds de revolutionairen een voorbeeld gaf. De patriottenbeweging die nu op gang kwam, was in aanvang een versmelting van de traditionele anti-Oranje politiek van de regenten en van de democratische verlangens van de burgerij en bovendien een strijd van de buitenprovincies tegen Holland. Het kunstmatige karakter van dit verbond van patriotten en de Pruisische interventie in 1787 maakten al spoedig een einde aan de patriottenbeweging. Tal van personen met democratische verlangens vluchtten naar het buitenland om een klein decennium later met Franse hulp hun emancipatiestrijd voort te zetten (zie verder Bataafse Republiek).

5.6 Politieke kwesties (tot en met de 19de eeuw)

5.6.1 Patroon van versnippering (11de–14de eeuw)

Lotharingen, waartoe de – sinds de 8ste eeuw gechristianiseerde – Nederlanden, afgezien van Vlaanderen, aan het eind van de 9de eeuw behoorden, was na de dood van Lodewijk het Kind (911) één van de vijf stamhertogdommen, waarin het Duitse Rijk dreigde uiteen te vallen. Koning Hendrik I, die in Lotharingen gewapenderhand het gezag van de Duitse koning wist te herstellen, zocht naar een manier om de verscheidene, deels zelfstandige territoria in Lotharingen (en elders) bijeen te houden en legde de grondslag voor een politiek die zijn zoon (Otto de Grote) gestalte zou geven: het Rijkskerkenstelsel. Door aanstelling van bisschoppen met wereldlijk gezag probeerde de Duitse koning de macht van lokale heren en de hertog te breken. Dit had tot gevolg dat het bisdom Utrecht tot ca. 1100, gerugsteund door de Duitse koningen/keizers, de belangrijkste macht vormde in de Noordelijke Nederlanden, met Luik en Kamerijk in de Zuidelijke Nederlanden als tegenhanger. Ten gevolge van deze politiek werd het gezag van de Lotharingse hertog uitgehold en moesten tal van kleinere baronnen het bisschoppelijk overwicht erkennen. Bovendien wisten de Duitse koningen hiermee het gevaar dat zich in plaats van de oude een nieuwe dynastie zou vestigen, te voorkomen: erfopvolging was bij de bisschoppen immers uitgesloten. In naam betekende dit dat de Utrechtse bisschoppen in het midden van de 11de eeuw hun gezag konden doen gelden in het gebied tussen Groninger Ommelanden en Zeeland, tussen de Rijn en de kop van het huidige Noord-Holland. De uitkomst van de Investituurstrijd echter verminderde de wereldlijke invloed van de bisschoppen in aanzienlijke mate: in het ontstane machtsvacuüm zouden de Noord-Nederlandse ‘leenstaten’ zich weten te vestigen. Het gebied van het Nedersticht (rond Utrecht) werd tussen 1100 en 1300 langzaam door Holland en Gelre verkleind; het Oversticht was al omstreeks 1200 veranderd in een lappendeken van elkaar bestrijdende machten (lokale heren, IJsselsteden, Gelre). De ontwikkeling van de gebieden die nu de zuidelijke provincies van Nederland uitmaken, was globaal genomen dezelfde. In Brabant, dat zich uitstrekte van ongeveer Brussel tot 's-Hertogenbosch, begon de groei naar zelfstandigheid al wat eerder; maar ook hier kan men pas in de 12de eeuw van een aanzienlijk, zelfstandig territorium spreken. Het huidige Nederlands en Belgisch Limburg bleef tot het eind van de middeleeuwen een versnipperd gebied.

5.6.2 Centralisatie van Karel de Grote tot Karel V

Het huidige Nederland is in zijn ca. 2000 jaar oude ‘geschiedenis’ viermaal aan een centraal gezag onderworpen geweest: onder Karel de Grote, onder de Bourgondiërs, hun opvolgers, de Bourgondische Habsburgers, en in het Koninkrijk in de 19de eeuw. De Republiek (zie hierna) was eerder een verzameling van zeven staatjes dan een eenheid; en het kenmerk van de periode tussen de Karolingen en de Bourgondiërs was eerder desintegratie en regionale eenheid dan centraal gezag. De zeer onvolkomen centralisatie en daarmee de maatschappelijke situatie van de vroege middeleeuwen weerspiegelen zich in bestuursvorm, rechtspraak en wijze van inkomstverkrijging onder de Karolingen. Het rijk werd – met de Romeinse indelingen als voorbeeld – onderverdeeld in pagi (gouwen), die door een graaf bestuurd werden. Men heeft berekend dat de Nederlanden in ca. 50 pagi opgedeeld waren, wat een indruk kan geven van de grootte van een dergelijk gebied. Onder Karel de Grote waren deze graven nog afzetbaar, maar onder Lodewijk de Vrome en zijn opvolgers werd het ambt in veel gevallen erfelijk. De Karolingische vorsten hadden maar één mogelijkheid om te voorkomen dat deze verspreide gebiedjes zich aan hun gezag onttrokken: door van residentie (palts) naar residentie te trekken en zó door sporadisch machtsvertoon de indruk van een alert en centraal gezag te wekken. De rechtspraak bleef op lokale leest geschoeid; van afvloeiing van inkomsten naar een centrum was nauwelijks sprake: verreweg het merendeel van hun inkomsten verkregen de Karolingen uit de koninklijke domeinen.

De Bourgondische periode – hoe weinig gecentraliseerd ook naar moderne begrippen – staat hiermee in scherp contrast. Ook hier was de centralisatie vaak meer poging dan realiteit, maar het staat vast dat tal van deze pogingen ook werkelijk succesvol waren. Een groot voordeel voor de Bourgondische hertogen was dat zij konden voortbouwen op de instituties, die op gewestelijk niveau in voorgaande eeuwen gecreëerd waren. Zie voor de ontwikkeling van de belangrijkste instituties (Hofraad, Geheime Raad, Financiële Raad en Grote Raad van Mechelen): België, § 8.5.

5.6.3 Gewestelijk particularisme (eind 15de en 16de eeuw)

Door het huwelijk van Maximiliaan van Oostenrijk met Maria van Bourgondië kwamen de Nederlanden aan het Huis Habsburg en in 1555 aan Filips II uit dit Huis, koning van Spanje. De vraag of de opstand tegen het Spaanse gezag in de tweede helft van de 16de eeuw een progressief of een conservatief fenomeen was, heeft de Nederlandse historiografie een tijdlang beziggehouden (zie voorts Tachtigjarige Oorlog § 1). In het algemeen neigt men ertoe de opstand conservatief te noemen: een verzet van het gewestelijke particularisme tegen de centrale staat met absolutistische neigingen. In deze visie is de opstand geen nationaal verschijnsel: er was veeleer sprake van een wankel verbond tussen tamelijk onafhankelijke groepen en gewesten ter bescherming van hun privileges. Dit lokale en regionale verzet, dat in de tweede helft van de 16de eeuw explodeerde en in zekere zin in de staatsvorm van de Republiek zijn beslag kreeg, is vanaf de Bourgondische penetratie een constante in de Nederlandse geschiedenis. Vooral in tijden van crisis in de monarchie kon dit particularisme zijn wil doorvoeren. Na de dood van Karel de Stoute kwam zijn enige erfgenaam, zijn dochter Maria van Bourgondië, voor een dubbel probleem te staan: enerzijds werd haar erfenis bedreigd door de Franse Kroon, anderzijds door het verzet van haar onderdanen tegen de centraliserende politiek van haar vader en grootvader. Maria van Bourgondië zag zich gedwongen enkele centrale organen af te schaffen, privileges te herstellen en nieuwe rechten te verlenen (Groot Privilege): de Grote Raad van Mechelen verdween, evenals de centrale rekenkamer in deze stad; de privileges van Gent, tenietgedaan in het begin van de jaren vijftig van de 15de eeuw, werden hersteld; de bede die Karel de Stoute in 1473 voor zes jaar verkregen had, werd verder ongeldig verklaard; Gelre herwon zijn zelfstandigheid; maatregelen die bisschop David van Bourgondië in Utrecht genomen had, werden afgeschaft; de Blijde Inkomst van Brabant werd bekrachtigd. Bij het Groot Privilege en de afzonderlijke grootprivileges voor Brabant, Holland, Vlaanderen en Namen werden de gewestelijke en stedelijke eisen, opgesteld door de Staten-Generaal en provinciale staten, officieel bekrachtigd.

Na de vroege dood van Maria van Bourgondië nam Maximiliaan van Oostenrijk het regentschap voor hun zoontje Filips de Schone waar. Hiermee begonnen de problemen opnieuw, want Maximiliaan probeerde – hoewel vanuit een wat andere optiek – de politiek van Karel de Stoute voort te zetten: tegen Frankrijk en vóór de ondergeschiktheid van de gewesten en steden aan een centraal gezag. Beide politieke doelen wekten geen enthousiasme in de Nederlandse gebieden: een anti-Franse politiek schaadde de handelsbelangen en een centralistische politiek de met moeite bevochten voorrechten. Enkele jaren na de dood van Lodewijk XI van Frankrijk in 1483 startte Maximiliaan een agressieve campagne tegen Frankrijk en nu kreeg hij met een nog veel sterkere oppositie in de Nederlanden te kampen: in 1488 werd hij te Brugge door opstandige ambachtslieden gevangengenomen; Gent, voortdurend een centrum van verzet, slaagde erin de belangrijkste staten bijeen te krijgen. Deze kwamen tot de opstelling van een aantal bepalingen, die Maximiliaan in ruil voor invrijheidstelling diende na te leven en waarin verdergaande eisen werden gesteld dan in het Groot Privilege van 1477. Terzelfder tijd herleefde in Holland en Utrecht het verzet tegen Maximiliaan (Jonker Fransenoorlog). In West-Friesland en Kennemerland kwamen de vrije boeren in opstand (Kaas- en Broodvolk). Uiteindelijk wist Maximiliaan deze opstanden de baas te worden. Tot dergelijke krachtige en massale opstanden is het onder zijn opvolgers Filips de Schone en Karel V niet meer gekomen. Toch was het tijdens de regering van Karel V allerminst rustig: Gelre bleef opstandig en werd als laatste gewest in 1543 door Karel V onderworpen; Friesland en Groningen bleven probleemgebieden; het bisdom Utrecht schikte zich niet in de keizerlijke eisen; belastingoproeren kwamen geregeld voor (1524–1525); in Gent brak in 1539 een grote opstand uit. Met de Pragmatieke Sanctie van 1549 probeerde Karel V de gewesten tot een geheel aaneen te smeden. Onder zijn zoon Filips II kwam het tot een massale opstand, die uiteindelijk leidde tot zelfstandigheid van zeven gewesten (zie verder Tachtigjarige Oorlog).

5.6.4 De Republiek of zeven republiekjes

De opstand was begonnen als een strijd tegen de vertegenwoordigers van Filips II in Brussel, vóór de bescherming van privileges en invloed van de hoge adel in de centrale regering. Na het Eedverbond der Edelen en de Beeldenstorm keerde de opstand, min of meer ‘geordend’ door Oranje en de Staten-Generaal, zich tegen Filips zelf. Tussen 1576, toen het in de Pacificatie van Gent nog leek dat de eenheid bewaard zou blijven, en 1588 voltrok zich de scheuring tussen de noordelijke en zuidelijke gewesten (zie Tachtigjarige Oorlog § 3). Filips II werd in 1581 in de Staten-Generaal afgezworen (Akte van afzwering). Uit eigen macht werd er een nieuwe landvoogd aangesteld (Anjou). Diens autocratische politiek deed de Staten-Generaal naar een andere vertegenwoordiger van het centraal gezag uitkijken (Leicester). Pas toen deze in dezelfde ‘fout’ als zijn voorganger verviel, besloten de Staten-Generaal op eigen gezag verder te gaan: de Republiek was daarmee geboren (1588). De ‘vestiging’ van de Republiek betekende een overwinning van de gewesten en de steden. Zij bestond uit zeven republieken en deze op hun beurt uit talloze republiekjes, waarin uiteenlopende colleges, van regenten en ridderschappen, het gezag uitoefenden. Toch waren er wel degelijk enige ‘centraliserende krachten’. De strijd tegen Spanje konden de gewesten onmogelijk afzonderlijk voortzetten en het is dan ook niet verwonderlijk dat twee centraliserende machten (de Raad van State en de stadhouder in de persoon van Maurits, als vertegenwoordigers van resp. de financiële belangen en het leger) in de eerste jaren na de revolutionaire beslissing van 1588 veel gewicht hadden. De buitenlandse vijand hield de gewesten ook samen: Maurits meende dat het Twaalfjarig Bestand (overigens geteisterd door theologische strijd) de wankele eenheid uiteen zou doen vallen; de Vrede van Münster (1648) borg hetzelfde gevaar in zich; het ‘rampjaar 1672’, waarin de Republiek door een aantal staten en staatjes tegelijk werd aangevallen, gaf onmiskenbaar de illusie van een herstelde eenheid te zien én de daarmee gepaarde ‘roep om de stadhouder’; de Franse en Engelse dreigingen in de 18de eeuw hadden vaak (hoewel minder sterk, de Republiek bestond al zo lang en had zijn vorm wel gevonden) hetzelfde effect. De tweede centraliserende kracht was de stadhouder. Deze probeerde zijn vanzelfsprekende gezag in oorlogstijd ook in vredestijd te vestigen. In de strijd van de stadhouder en zijn volgelingen tegen de gewesten, die juist decentralisatie nastreefden, was nu de een, dan de ander aan de winnende hand: Maurits wist Oldenbarnevelt terzijde te stellen; tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk gaven de staatsgezinden de toon aan; onder Franse dreiging na 1672 leek Willem III het land aaneen te smeden; tijdens het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702–1747) werden zijn resultaten weer ongedaan gemaakt, tot daarna opnieuw de stadhouder het overwicht kreeg. Een derde centraliserende kracht was het gewest Holland, door zijn overwicht in de Republiek (het bracht maar liefst 58% van de gemeenschappelijke uitgaven op); zijn centrale positie werd vooral belichaamd door de raadpensionaris.

Vorige
... | | | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum