![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Nederland |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 7 van 12
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis
Bij de komst van de Romeinen (57 v.C.) werd het latere Nederlandse territorium bevolkt door Kelten en Germanen. De invloed van de Romeinse bezetting moet niet worden overschat: de afstand tot Rome was groot, het verzet van de inheemse volken sterk (opstand der Bataven, 69–70 n.C.) en de veroveringsdrang nam ten gevolge van de interne strijd in het Romeinse Rijk al spoedig af. De desintegratie van het Romeinse Rijk en het opdringen van Germanen uit het oosten maakten dat in de loop van de 5de–7de eeuw drie groepen het gebied van de latere Nederlanden verdeelden: in het noorden tot de IJssel en langs de westkust tot in het huidige Zeeland overheersten de Friezen; in het oosten, tussen Eems en Rijn, de Saksen en in het zuiden de Franken. Deze laatsten zouden in de loop van de 8ste en 9de eeuw het gehele Nederlandse gebied aan zich onderwerpen: onder de Karolingen werden de Saksen verslagen en in oostelijke richting gedreven; de Friezen bleven in hetzelfde gebied wonen, maar berustten in de Frankische overheersing. De verdelingen van het Karolingische Rijk onder de nakomelingen van Lodewijk de Vrome (in de 9de eeuw kwam het Nederlandse gebied eerst aan het Middenrijk of Lotharingen, daarna aan het Oost-Frankische Rijk), de onderlinge strijd die daaruit resulteerde en de invallen van de Noormannen (9de eeuw) hadden opnieuw desintegratie tot gevolg. Tussen de tweede helft van de 9de en het eind van de 14de eeuw zag een groot aantal grondbezitters kans zijn territorium uit te breiden en meer of minder machtige ‘leenstaten’ te vestigen. In de interne machtsstrijd heetten de facties: Hoeken en Kabeljauwen (Holland en Zeeland), Schieringers en Vetkopers (Friesland) en Lichtenbergers en Lokhorsten (Utrecht). De graven van Holland en Zeeland, die ook Gelre en Brabant beheersten, werden de machtigste feodale vorsten. De invloed van de Duitse keizer, formeel tot 1648 leenheer van de Nederlandse gebieden, bleef echter doorgaans (niet in de 10de en 11de eeuw) beperkt tot ceremoniële zaken.
De centrale gebeurtenis in de vorming van de Nederlanden was het huwelijk van Filips de Stoute van Bourgondië met de Vlaamse erfdochter Margaretha van Male (1369), de dochter van de Vlaamse graaf die de bezittingen van haar vader zou erven. Het lukte hem in 1433 Jacoba van Beieren, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen – welke gewesten sinds 1299 dynastiek verbonden waren – te onttronen. De Bourgondische veroverings- en huwelijkspolitiek resulteerde ca. 1470 in de vorming van een machtig middenrijk, dat zich uitstrekte van Bourgondië tot Groningen. Na de dood van Karel de Stoute (1477) ontstond er echter een machtsvacuüm, dat Lodewijk XI van Frankrijk de mogelijkheid gaf Bourgondië, Franche-Comté (tijdelijk), Picardië en Artois (tijdelijk) in te nemen. Door het optreden van aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk, later Duits keizer, echtgenoot van Maria van Bourgondië, kon verdere penetratie van het Franse gezag voorkomen worden. De steun die Maria van de Staten-Generaal ontving, speelde hierin eveneens een belangrijke rol. Er ontstond nu een ‘Bourgondisch Rijk zonder Bourgondië’, dat na latere gebiedsuitbreidingen onder Karel V met de vage term Zeventien Provinciën wordt aangeduid (zie ook Bourgondische Kreits). Afgezien van enkele wijzigingen aan de zuid- en oostgrens was dit gebied gelijk aan dat van de huidige Benelux. Onder Filips II, de zoon van Karel V, werden de Zeventien Provinciën verscheurd door een religieuze en politieke strijd, de Tachtigjarige Oorlog, die in 1648 resulteerde in de erkenning van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waarvan de grenzen bijna dezelfde zijn als van het huidige Koninkrijk der Nederlanden. Voor de politieke geschiedenis: zie hierna § 5.6.
Nederland was tot diep in de 19de eeuw een agrarisch land. Het door Slicher van Bath aangebrachte onderscheid tussen een periode van directe en indirecte agrarische consumptie kan men grofweg ook voor Nederland laten gelden: vanaf de ineenstorting van het Romeinse Rijk in het westen (476) tot in ieder geval de 12de eeuw verliep het contact tussen producent en consument direct, zonder tussenhandel (in de meeste gevallen was de producent dus tevens consument); sinds ca. 1150 kreeg de tussenhandel steeds meer belang. Bij een dergelijk onderscheid dienen allerlei nuanceringen aangebracht te worden. Zo is het waarschijnlijk dat de bewoners van terpdorpen voor een groot deel aangewezen waren op geïmporteerde producten. Zij bezaten niet voldoende land om in eigen behoefte te voorzien. De handelswegen breidden zich waarschijnlijk na de ineenstorting van dit rijk nog uit: de volksverhuizingen gingen aan Noord-Nederland grotendeels voorbij en de Friezen waren in staat het machtsvacuüm op te vullen en een tamelijk intensief handelsnet op te bouwen. Teksten en vondsten wijzen op Friese aanwezigheid langs de gehele Rijn tot Konstanz, in Straatsburg, Parijs, Londen, York, Denemarken en Birka (Zweden). Onder de Karolingen werd dit handelsnet uitgebouwd. Dorestad groeide al spoedig uit tot centrum hiervan. Ook de invallen van de Noormannen betekenden niet het einde van deze vroege handel. Wèl neemt men aan dat hierdoor een verplaatsing van de handelscentra heeft plaatsgevonden (Tiel, Utrecht, Deventer). Evenals elders in Europa begon in de 11de eeuw een periode van economische groei, die tot in de 14de eeuw aanhield. In de eerste plaats leidde deze economische expansie tot wijzigingen binnen het traditionele hofstelsel. Vooral door ontginningen (op zich al een belangrijk aspect van de groei) werd de druk op de horigen (zie horigheid) minder. Nieuwe technieken verbeterden de arbeidsomstandigheden, nieuwe gewassen het voedselpakket en nieuwe producten de levensstijl. Behalve op de veranderingen binnen de kleine eenheden (domeinen) moet ook nadruk gelegd worden op de uitbouw van relaties tussen de domeinen, op het ontstaan van steden (als agrarische centra) en op de groei van handelscontacten over nog grotere afstand. Dit laatste beperkte zich overigens vooral tot de Zuidelijke Nederlanden. In het noorden heeft men alleen een verdichting van het handelsnet binnen kleinere regio's kunnen waarnemen, tot in de loop van de 13de eeuw de IJsselsteden centra van handel over grotere afstand werden (Oostzee, Hanze). De opkomst van de Hollandse handel kan men in de tweede helft van de 15de eeuw dateren, samenvallend met wijzigingen in de economie van de Zuidelijke Nederlanden en het verval van de Duitse Hanze. Hoewel de Hollandse steden er nog niet in slaagden de internationale marktfunctie van Brugge en Antwerpen over te nemen, lukte het wel (Leiden) een groot deel van de Vlaamse lakennijverheid in handen te krijgen. Het verval van de Duitse Hanze bleek voorlopig belangrijker: volgens tellingen namen de Hollanders al in 1497 70% van de Sontvaart voor hun rekening. Gedurende de 16de eeuw, tot ca. 1580, vonden er geen wezenlijke veranderingen plaats in de economie: Noord-Nederland bleef een agrarisch land. In de kustprovincies vond men nevenwerkzaamheden o.a. in de huisnijverheid, turfwinning, visserij; in de landprovincies verkeerde de economie nog in een ‘vroeger’ stadium: handel was minder intensief, nevenwerkzaamheden ontbraken; de gesloten productiehuishouding was hier nog nauwelijks opengebroken (zie voorts Gouden Eeuw). In de traditionele verklaringen voor het verval van de Noord-Nederlandse economie in de 18de eeuw wordt gewezen op de laksheid van de ondernemers, die passief hun verdiensten uit de vorige eeuw verteerden, en op de dynastieke politiek die Willem III ten koste van 's lands economie gevoerd had. Latere onderzoekers voeren aan dat er eerder sprake was van ‘structurele verstarring’: het handelskapitalisme, basis van de Nederlandse welvaart in de Gouden Eeuw, had het plafond van zijn mogelijkheden bereikt. Uitbouw van de economische voorsprong vereiste derhalve structurele wijzigingen van het bestel, en juist dit nu was niet mogelijk. Voorts heeft men aangevoerd dat de achteruitgang niet zozeer absoluut als wel relatief was: de 18de eeuw was economisch gezien eerder een periode van stabiliteit dan van verval. Wel heeft men voor bepaalde takken van nijverheid en in de visserij verval aangetoond. Op het financiële vlak was er eerder sprake van expansie. Deze diende niet de eigen markt: de Industriële Revolutie in Engeland werd gedeeltelijk door Hollands kapitaal gefinancierd. In de 19de eeuw was er ook sprake van absolute achteruitgang. In dit licht wordt het begrijpelijk dat, met uitzondering van de Hollandse regenten, velen voorstander waren van eenwording met België. Zo dient men ook de bekende driedeling van koning-koopman Willem I te verstaan: België diende te produceren, de koloniën moesten de grondstoffen leveren en de producten afnemen en Nederland diende de handel te vervullen. Pas de jaren vijftig gaven een opleving te zien. De invoering van de vrijhandelspolitiek (zie vrijhandel) door de liberalen (1862) zoog vooral het agrarische bedrijf mee in de gunstige economische conjunctuur; de meeste Nederlandse takken van nijverheid konden nog niet concurreren met het hogere productievermogen van soortgelijke gemechaniseerde ondernemingen in het buitenland. De welvaartsstijging sinds ca. 1850 hield overigens ook verband met de koloniale economische politiek: de opbrengst van het Cultuurstelsel dekte tot het midden van de jaren zestig ongeveer eenvijfde van de staatsbegroting. Een werkelijke structuurverandering vond pas in het laatste kwart van de 19de eeuw plaats. Opvallend was vooral de uitbreiding van de textiel- en metaalindustrie. Andere industrieën (chemie, gloeilampen, suiker, margarine) kwamen op. Ook nu nog bleef het agrarische bedrijf een zeer belangrijk aandeel in de groei houden. De Eerste Wereldoorlog had een desintegratie van de internationale handel tot gevolg. Voor sommige takken van industrie zou dit op de lange duur gunstige gevolgen hebben (chemie, farmaceutica): door het wegvallen van een internationale afzetmarkt en de onbereikbaarheid van grondstoffen was men aangewezen op het eigen land. Zo begon Philips tijdens de Eerste Wereldoorlog een eigen glasblazerij, en zocht – en vond – men in de chemie vervangende producten. Nationaal gaf de oorlog een versmelting van de belangen van de overheid en het bedrijfsleven te zien. De naoorlogse depressie, gevolgd op een korte hausse en met als meest hectische uiting de Duitse inflatie, had in het neutraal gebleven Nederland minder negatieve gevolgen dan elders. Het meest kenmerkende verschijnsel van deze jaren was wellicht de nog steeds groeiende afhankelijkheid van de mondiale economie. In dit licht moet men zowel de hausse tussen 1925 en 1929 als de diepe daling van de jaren dertig zien. Zo worden ook de latere verwijten aan Colijn en diens koppig vasthouden aan de gave gulden begrijpelijk: Nederland kon niet langer een eiland zijn in een wereld, die zich kenmerkte door verstrengeling op alle gebieden. De devaluatie was onontkoombaar. Ook pas nadat de beslissing daartoe genomen was, begon de Nederlandse economie zich in de jaren dertig te herstellen.
Slechts twee aspecten van de sociale geschiedenis kunnen hier aan bod komen. Over twee andere dient echter iets gezegd te worden: de zoveel geroemde ‘Friese vrijheid’ (zie Friesland § 2.1) gaf het sociale leven van een groot deel van Nederland in de middeleeuwen een uniek karakter. Speelde het economische leven zich in Europa grotendeels in de hoven af en werd het politieke gezag via een feodaal systeem uitgeoefend, in de Friese landen was zowel het economisch als het politiek bestel in handen van een groep vrije boeren. Tot in de 16de eeuw waren deze boeren in staat indringing van een dynastie te voorkomen. Als autocraten – niet op een kasteel, maar op een stins of borg – beheersten de grote boeren hun omgeving en familietwisten groeiden in vele gevallen uit tot complete burgeroorlogen. Een tweede aspect dat de Nederlanden in zekere zin een uniek voorkomen gaf, was de vroege en intensieve graad van verstedelijking, vooral in de westelijke provincies Vlaanderen, Holland en Brabant. In 1622 woonde meer dan de helft van de bevolking van de Republiek in Holland en 60% daarvan in steden. Alleen ook door deze verstedelijking is de bevolkingsexplosie in de Noordelijke Nederlanden tussen ca. 1500 en 1650 (van 1 tot 1,9 miljoen) te begrijpen.
Door de eigenaardige politieke constellatie van de Republiek en de sterke economische expansie sinds het eind van de 16de eeuw ontstond er in de Noordelijke Nederlanden een tamelijk uniek sociaal verschijnsel: een regentenstand, die zich vanaf het begin sociaal gezien van de adel onderscheidde en zich in de loop van haar bestaan steeds meer van de ‘burgerij’ ging onderscheiden. Het is onjuist van de regentenstand te spreken: de Hollandse en vooral Amsterdamse regentenstand, met de verbinding tussen koopmans- en bestuurlijke activiteit, was niet representatief voor hen die elders in de Republiek op het kussen zaten. In tal van kleinere plaatsen kwamen de regenten niet uit een koopmansklasse, maar uit andere beroepen voort (o.a. winkeliers, beambten, officieren). Dat vooral het Amsterdamse patriciaat echter het beeld van de regentenstand gekleurd heeft, laat zich gemakkelijk verklaren door het overwicht van Holland in de Republiek en van Amsterdam binnen dit gewest. Lange tijd heeft men de politieke strijd in de Republiek gezien als een gevecht tussen twee ‘partijen’: de regenten en Oranje, de staatsgezinden en de prinsgezinden (zie hierna § 9.5). Hoewel dit niet geheel onjuist is voor crisismomenten in de Republiek, speelde het dagelijkse politieke spel zich op lokaal niveau af: in de coterieën (facties), die de macht in de steden bezaten. Sociaal gezien werden deze facties door de regentenstand beheerst: met het wegvallen van het stadhouderlijk en centraal (en daarmee tevens adellijk) gezag ten tijde van de opstand en met de opbouw van een handelskapitalistische economie kregen de rijke kooplieden sociaal en politiek de leiding in de Republiek. Aanvankelijk combineerden deze regenten hun handelsactiviteiten met de politiek, maar in de loop van de 17de eeuw trad onmiskenbaar een aristocratiseringsproces in, dat alleen gebroken werd als de stadhouder van zijn recht om de ‘wet te verzetten’ (d.w.z. oude regenten door nieuwe te vervangen) gebruik maakte. De grotere mate van eensgezindheid tussen stadhouder en regenten na 1672 (tegen Frankrijk), het langdurige Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702–1747) en opnieuw de consensus tussen stadhouder en regenten onder revolutionaire dreiging na ca. 1750 hadden tot gevolg dat de voordien nog relatief open en veranderlijke regentenstand in de Pruikentijd in een gesloten kaste met aristocratische neigingen veranderde. De patriottenbeweging, die aan het eind van de 18de eeuw opkwam, streefde er mede naar deze geslotenheid open te breken.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |