![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Nederland |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 6 van 12
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis
Tot de Tweede Wereldoorlog was Nederland voor het energieverbruik vooral aangewezen op eigen hulpbronnen, vnl. steenkool en wind. Na die periode werd het buitenlandse energie-aanbod echter snel groter (vooral in de vorm van aardolie). Het energieverbruik kon daardoor stijgen, alleen vlak na de olieboycot door de OPEC (1973–1974) en begin jaren tachtig trad tijdelijk een geringe teruggang op; daarna daalde het huishoudelijk verbruik nog steeds, maar nam het industrieel verbruik toe. Van 1946 tot 1967 werd vrijwel alle energie gehaald uit steenkool en aardolie, maar daarna nam het aandeel van aardgas snel toe door de vondst bij Slochteren. Door die vondst kon Nederland zelfs een energie-exporterend land worden. De relatief lage verkoopprijs van het aardgas ten opzichte van de hoge prijs die voor de voortgaande aardolie-import moest worden betaald, hield echter de financiële energiebalans negatief. In 1979 was voor het eerst de energie-import weer groter dan de energie-export, een zich versneld voortzettende tendens. Dat onderstreept de noodzaak van bezuiniging (zie energiebesparing) en overschakeling op goedkopere vormen (bijvoorbeeld kernenergie) en milieuvriendelijke vormen (kolenvergassing) van energie. Nederland telt één kerncentrale voor elektriciteitsproductie, bij Borssele in Zeeland.
De internationale handel is voor Nederland van groot belang als gevolg van zijn kleine grondgebied en geografische ligging. Nederland behoort tot de meest open economieën ter wereld. De belangrijkste importcategoriëen zijn (elektrische) machines, fabrikaten, voedingswaren. De belangrijkste exportcategorieën zijn voedingswaren, levende dieren, chemische producten, (half)fabrikaten, (elektrische) machines, en aardolieproducten.
Centrale bank is De Nederlandsche Bank N.V. Het Nederlandse bankwezen wordt gekenmerkt door een sterk concentratieproces, alsmede branchevervaging en internationalisatie. Zie ook bank [economie].
Door de geografische ligging van Nederland aan de monding van de Rijn en door het dichtbevolkte en hooggeïndustrialiseerde achterland speelt het verkeer een belangrijke rol, ook in economische opzicht. Nederland beschikt over een uitgebreid wegennet, waarvoor Rijk, provincie of gemeente verantwoordelijk zijn. Van groot belang voor met name het goederenvervoer, zowel binnenslands als grensoverschrijdend, zijn de talrijke waterwegen. Van groot belang voor het personenvervoer is het spoorwegverkeer, waarvan de Nederlandse Spoorwegen tot 1995 het monopolie had; sindsdien wordt aan de verzelfstandiging van de NS gewerkt en zijn er mogelijkheden geschapen voor concurrerende spoorwegbedrijven. Het binnenlandse luchtverkeer speelt nauwelijks een rol van betekenis. Het autoverkeer neemt het merendeel van het personenvervoer en goederentransport voor zijn rekening. Het aantal auto’s nam in de periode 1980–2000 toe van 4,5 miljoen tot 7,3 miljoen. Voor het openbaar vervoer zijn naast de NS het streekvervoer en in de grote steden de gemeentevervoerbedrijven van belang. De Nederlandse handelsvloot neemt voortdurend in grootte en economische betekenis af. Rotterdam heeft met Europoort de grootste haven ter wereld en Amsterdam heeft zich in de afgelopen jaren tot overslagplaats van betekenis ontwikkeld. De nationale luchtvaartmaatschappij is de KLM, die een uitgebreid internationaal luchtnet heeft. Schiphol is de internationale luchthaven.
Paleolithicum (ca. 250 000 – 8300 v.C.). De vroegste sporen van menselijke aanwezigheid dateren uit een warme klimaatsfase aan het eind van het late oud-paleolithicum (ca. 250 000 jaar geleden). Een aantal elkaar in tijd opvolgende woonplaatsen van Homo erectus werd aangetroffen onder löss- en rivierafzettingen uit de Saale- en uit het begin van de Weichsel- in de Belvédère-groeve bij Maastricht. Uit de sporen blijkt dat de oudst bekende bewoners van Nederland o.a. jacht op olifanten, neushoorns en herten maakten. Bij Rhenen leverden zandgroeven uit het Acheuléen vondsten op van ca. 200 000 tot 150 000 jaar oud. Van ca. 12 500 jaar geleden dateren nederzettingen langs de Maas met een Magdalénien-achtergrond, terwijl op de dekzanden ten noorden van de grote rivieren de jagers-verzamelaars van de Hamburgcultuur jacht op rendieren maakten. Naast de jacht waren tijdens het laat-paleolithicum visvangst en verzamelen (bessen e.d.) belangrijk. In het laat-paleolithicum komt nog een aantal culturen voor, o.a. de Ahrensburgcultuur (ca. 9000–8000 v.C.). Mesolithicum (ca. 8300–5300 v.C.). Gedurende het mesolithicum deed zich een relatief snelle temperatuurstijging voor, met als gevolg een stijging van de zee- en grondwaterspiegel. Hierdoor trad er een toename en diversificatie van plantengroei en dierenwereld op, wat zijn weerslag had op de mens. Er ontstond een breed scala aan voedselbronnen naast de jacht op groot wild: vis- en vogelvangst en het verzamelen van noten, vruchten en schaaldieren. Men trok minder rond. De bevolking groeide en maakte langduriger gebruik van nederzettingen in deze overgangsperiode. Omstreeks 6500 v.C. kunnen op grond van het materiaalgebruik en het voorkomen van specifieke soorten vuursteenspitsen (zie ook vuursteentechniek) in Nederland ruwweg twee cultuurgebieden onderscheiden worden. Noord-Nederland vormt samen met de Noord-Duitse laagvlakte de Nordwest Kreis; Zuid-Nederland maakt met de Belgische Kempen en het Duitse Rijnland deel uit van de Rhine Basin Kreis. Bekende vondsten uit deze tijd zijn de boomstamkano van Pesse (ca. 6800 v.C.) en het zgn. mannetje van Willemstad, een houten beeldje uit 4500 v.C. Neolithicum (ca. 5300–2100 v.C.). Omstreeks 5300 v.C. worden in Nederland voor het eerst de veranderingen van de neolithische revolutie (zie neolithicum) merkbaar door de bandkeramiek. Deze ontleent de naam aan het typische versierde aardewerk, de vroegste keramiek in Nederland. De bandkeramiekers waren sedentair; zij vestigden zich bij voorkeur op de licht te bewerken löss. Een aantal nederzettingsterreinen is opgegraven in Zuid-Limburg. Boven de grote rivieren bleef de mesolithische bestaanswijze gangbaar. Van de op de bandkeramiek volgende culturen (Rössencultuur ca. 4800–4400 v.C. en Michelsbergcultuur ca. 4300–3600 v.C.) zijn in Zuid-Nederland enige plaatsen bekend. Omstreeks 4400 v.C. werd de neolithische leefwijze in Noord-Nederland geïntroduceerd door mensen van de aan de Deense en Noord-Duitse Ertebølle/Ellerbeckcultuur verwante Swifterbantcultuur (zie Swifterbant). Van deze jagende en vissende boeren zijn veel sporen teruggevonden in de IJsselmeerpolders en in Overijssel, voorts in het Maas- en Rijnmondgebied (resp. Bergschenhoek en Hazendonk) en in Drenthe en Gelderland. Omstreeks 3500 v.C. zijn twee ruimtelijk van elkaar gescheiden cultuurgebieden te onderscheiden. De trechterbekercultuur (ca. 3400–2850 v.C.) is dankzij de hunebedden goed bekend. Terzelfder tijd woonden bij de grote rivieren verspreide populaties van de Vlaardingencultuur (ca. 3500–2500 v.C.). In Zuid-Limburg werd al ten tijde van de Michelsbergcultuur aan vuursteenmijnbouw gedaan. Bij Rijckholt-Sint Geertruid werd vuursteen, grondstof voor bijlen en ander gereedschap, gewonnen. Aanvankelijk speelde de winning zich af in dagbouw; later werden ook schachten gedolven; de vuursteenhoudende lagen werden door middel van uitgebreide horizontale gangenstelsels geëxploiteerd. Tijdens het laat-neolithicum kwam het begraven onder grafheuvels in zwang. Traditioneel laat men het laat-neolithicum in Nederland beginnen met de opkomst van de zgn. strijdhamer- of strijdbijlculturen (ca. 2900 v.C.). De vroegste Nederlandse representant hiervan is de standvoetbekercultuur (ca. 2900–2450 v.C.), waaruit zich ca. 2500 v.C. een nieuwe culturele eenheid, de klokbekercultuur (ca. 2700–2100 v.C.) ontwikkelde. Deze wordt in vrijwel geheel Nederland gevonden; bekend werd het onderzoek in 1967 op de Schoonrewoerdse stroomrug bij Molenaarsgraaf, waar twee mogelijke huisplattegronden en drie graven met skeletten in hurkhouding blootgelegd werden. In 1991 werden op Schokland (resten van) skeletten van twintig mensen uit ca. 2600 v.C. gevonden, begraven in hurkhouding, de mannen met het hoofd naar het westen en de vrouwen met het hoofd naar het oosten. Bronstijd (ca. 2100–800 v.C.). De overgang van neolithicum naar bronstijd is geleidelijk verlopen. Het wikkeldraad-aardewerk uit de vroegste fase van de bronstijd (ca. 2100–1800 v.C.) sluit qua versiering en techniek aan op het late klokbeker-aardewerk. Bij de dodenbezorging zette men de laat-neolithische traditie van het begraven onder grafheuvels voort, nu echter meestal zonder bijgaven (voorwerpen die aan de dode werden meegegeven). Stenen werktuigen bleven nog lange tijd in gebruik. Koperen voorwerpen werden al tijdens het laat-neolithicum gebruikt. In de vroege bronstijd schakelde men over op brons als grondstof voor gereedschap en later ook voor sieraden. Gedurende de gehele bronstijd zijn er in Nederland regionale bronsindustriën actief geweest. Doordat de grondstoffen ontbraken, was men afhankelijk van aanvoer van elders, bijv. via ruilhandel, en van het recyclen van versleten voorwerpen. In de midden-bronstijd (ca. 1800–1200 v.C.) bestond in Midden- en Zuid-Nederland de Hilversumcultuur, in Noord-Nederland de Elpcultuur. Beide culturen kenden grafheuvels. Sommige archeologen onderscheiden in West-Friesland in deze tijd nog een derde culturele eenheid (Hoogkarspel) die doorloopt tot ca. 800 v.C. De late bronstijd (ca. 1200–800 v.C.) wordt gedomineerd door de over vrijwel geheel Nederland voorkomende urnenvelden. De urnenveldenperiode (ca. 1200–500 v.C.) loopt door tot in de midden-ijzertijd. Urnenvelden ontstonden vermoedelijk in de 13de eeuw v.C. in Centraal-Europa. Via contacten, mogelijk samenhangend met een veranderend religieus besef, drongen de urnenveldinvloeden in Nederland door. IJzertijd (ca. 800–50 v.C.). Opvallende fenomenen uit de vroege ijzertijd (ca. 800–550 v.C.) zijn de zgn. vorstengraven in het zuiden van Nederland (Oss, Meerlo, Wijchen). Ze bevatten prestigieuze bijgaven, zoals uit Italië geïmporteerde bronzen emmers (situlae), rijk versierde zwaarden en paardetrensen, en in Wijchen zelfs onderdelen van een vierwielige pronkwagen. Door de aard van hun bijgaven contrasteren deze rijke graven met de uiterst sobere begravingen uit de urnenvelden. Misschien gaat het hier om de bijzettingen van een regionale elite, begraven volgens de Keltische stijl. Aangezien de bronshandel, met zijn verreikende Europese relaties, al vrij snel verdween en vervangen werd door een lokale ijzerproductie, gebaseerd op adelaarsstenen en moerasijzererts, werden tevens de contacten van Zuid-Nederland met het Centraal-Europese cultuurgebied verbroken. Prestigieuze importen zijn dan ook uiterst zeldzaam tijdens de midden-ijzertijd (ca. 550–250 v.C.). In Noord-Nederland dwong een toenemende bevolkingsdruk, zichtbaar in de uitbreiding van de urnenvelden, de bewoners van de Hondsrug tot kolonisatie van de kuststreek. Zij kregen waarschijnlijk gezelschap van de bewoners van West-Friesland, die als gevolg van de uitbreiding van het hoogveen hun drassige woongebied moesten verlaten. Men vestigde zich op de drooggevallen kwelders voor de kust van Friesland en Groningen, waar de ontwaterde zeeklei geschikt bleek voor de verbouw van gewassen. Toen na enige tijd het water weer begon te stijgen, trok men zich niet meer terug op de hogere gronden. In plaats daarvan werd begonnen met behulp van mest en klei de woonplaats te verhogen, waardoor de vroegste terpen ontstonden. De terpboeren schakelden om op een aangepaste bedrijfsvoering, grotendeels gebaseerd op veeteelt. Zo ontstond na verloop van tijd in het geïsoleerd liggende terpengebied een nieuwe cultuur, verbonden met de naam Friezen. De terpafgravingen in de 19de en 20ste eeuw leverden veel vondstmateriaal op. Beroemd werd het onderzoek van de terp Ezinge. Recentelijk staat het terpenonderzoek weer in de belangstelling, met o.m. opgravingen te Paddepoel (1964), Middelstum (1970–1973) en Heveskesklooster (1982–1988). Op de hogere zandgronden werden in de ijzertijd op grote schaal celtic fields aangelegd, akkercomplexen omgeven door lage walletjes. De grootste concentratie is gevonden in Drenthe. Daar worden ze in verband gebracht met de productie van een landbouwsurplus, dat geruild kon worden met de veeteeltproducten uit het terpengebied. In de late ijzertijd (ca. 250–12 v.C.) nam de bevolking van Nederland sterk toe. Het zuiden kwam weer in de periferie van het Centraal-Europese cultuurgebied te liggen, wat tot uiting komt in toenemende aantallen waardevolle geïmporteerde voorwerpen. Zo werd eind 19de eeuw bij Helden in de Peel een verguld zilveren sierschijf uit de 1ste eeuw v.C. gevonden, die oorspronkelijk in Thracië vervaardigd moet zijn. Vanaf ca. 50 v.C. circuleerden gouden, zilveren en bronzen munten in het zuiden en het rivierengebied, afkomstig uit Noord-Gallië en het Rijnland. In de Betuwe, het woongebied van de Bataven, was vermoedelijk sprake van een eigen muntslag. Daarnaast werden in het oostelijke rivierengebied glazen armbanden en sieraden geproduceerd. In 57 v.C. drongen de legioenen van Gaius Julius Caesar door tot in Zuid-Nederland. De tegenstand was echter nog te sterk en de Romeinen trokken zich aan het eind van het campagneseizoen terug. In 12 v.C. kwamen de legioenen, nu definitief, terug. Door hun komst kwamen de eerste geschreven geschiedkundige bronnen tot onze beschikking.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |