Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Nederland

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 5 van 12

Nederland

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van NederlandVlag en volkslied van Nederland
Artikeloverzicht

4.3 Bosbouw

Nederland is een weinig bosrijk land. In 1995 was slechts 8% (300 300 ha) van de oppervlakte bebost. Het bos bestaat voor ca. 60% uit naaldhout. De provincie met de grootste oppervlakte aan bos is Gelderland. Hierna volgen Noord-Brabant en Overijssel. Bos komt in hoofdzaak voor op de slechtere gronden. Er is echter een tendens ook op betere gronden bos aan te planten. Behalve als houtleverancier is het bos van belang voor de recreatie. De milieuvervuiling, vooral in de vorm van verzuring (zie zure regen), is een ernstige bedreiging voor het bestand.

4.4 Visserij

De visserij in open zee wordt bedreven in de Noordzee en haar zeeboezems (garnalenvangst, visserij op diverse vissoorten, oesterteelt en mosselteelt) en in verder gelegen wateren (rond Ierland, bij IJsland en Newfoundland: vangst van rondvis, haringachtigen en makreel). De economisch belangrijkste groep werd in dat jaar gevormd door de platvissen (m.n. schol en tong), gevolgd door de rondvissen en de schaal- en weekdieren. Voorts wordt gevist op haringachtigen. De belangrijkste havens zijn IJmuiden, Scheveningen en Urk.

De binnenvisserij is economisch van weinig belang. De belangrijkste vissoort is de paling.

4.5 Industrie

Omstreeks de jaren 1890–1900 werd Nederland een industrieland, in die zin dat het aandeel van de werkgelegenheid in de nijverheid groter werd dan in de landbouw. Voordien was de textiel-, kleding- en schoeiselindustrie verreweg de belangrijkste industriële bedrijfstak, vooral geconcentreerd in het zuiden en in mindere mate in het westen en oosten des lands. De industriële doorbraak in de periode 1870–1914 leidde tot een sterke groei van de metaalnijverheid, de chemische, grafische en papierindustrie, al bleven de oudere bedrijfstakken: textiel-, kleding- en schoeiselindustrie, voedingsmiddelen-, dranken- en tabaksproductenindustrie en de bouwnijverheid vooralsnog belangrijker uit een oogpunt van werkgelegenheid. De industrialisatie ging gepaard met een overgang van huisindustrie naar fabriek en met een ruimtelijke concentratie vooral in het westen, o.a. door de verhoogde activiteit in Rotterdam en Amsterdam, en in het zuiden. Daarnaast werd Twente het centrum van de katoenindustrie. Voor deze industrie waren de koloniën een belangrijk afzetgebied. Voor de tabaksindustrie speelden de koloniën een belangrijke rol als grondstofleverancier.

In de jaren na de Eerste Wereldoorlog tot 1930 zetten bovengenoemde tendensen zich grotendeels voort, zij het met accentverschuivingen. Zo kwamen de zuivelindustrie en de slachterijen op als exportindustrie. De schoennijverheid groeide sterk, maar de katoennijverheid stabiliseerde zich. In de jaren twintig verscheen voor de textielindustrie de dreigende concurrentie van de kunstvezel. De chemische industrie kwam evenwel nog niet tot grote bloei, maar een spectaculaire groei vertoonden wel de elektrotechniek en openbare nutsbedrijven, o.m. door toenemend gebruik van de elektromotor. Vooral in het westen, en in mindere mate het zuiden en het oosten, ontwikkelde de industrie zich, terwijl het noorden een agrarisch karakter behield. Tussen 1930 en 1947 veranderde het industriële patroon weinig.

De jaren na de Tweede Wereldoorlog stonden in het teken van de wederopbouw. Voornaamste doel was het scheppen van voldoende werkgelegenheid, vooral door een vergroting van de export. Hiertoe werd in hoofdzaak een globaal beleid gevoerd bestaande uit geleide loonpolitiek, (regionale) investeringspremies en ontwikkeling van de infrastructuur. Het kabinet legde op initiatief van KVP-minister J.R.M. van den Brink van Economische Zaken (1948-1952) in een aantal Industrialisatienota's zijn plannen vast voor de modernisering van de Nederlandse industrie. De industrie (in het bijzonder de elektrotechnische, de basismetaal- en de chemische industrie) werd, sterk begunstigd door de Marshall-hulp, de motor van de welvaartsstaat.

De totstandkoming van de Europese Gemeenschap in 1958 versnelde de groei nog en deed de exportquote stijgen. Vooral het groeitempo van de petrochemische industrie lag in de jaren 1963–1973, ook internationaal gezien, zeer hoog. De voordelen verbonden aan vestiging in het Rijnmondgebied, die tot veel buitenlandse investeringen leidden, en de lage energieprijzen waren hiervan de voornaamste oorzaken. Ook de vondst van het aardgas werkte stimulerend op de groei. De schaarste op de arbeidsmarkt, die door deze sterk expansieve ontwikkeling ontstond, had grote loonstijgingen tot gevolg, die op hun beurt de concurrentiepositie van de arbeidsintensieve industrieën aantastten, hetgeen in het begin van de jaren zeventig nog werd versterkt door de appreciatie van de gulden. Daardoor ontstond een omvangrijke herstructureringsproblematiek. Het duidelijkste voorbeeld daarvan vindt men bij de textiel-, kleding- en schoeiselindustrie, waarvan de productie en werkgelegenheid sinds het midden van de jaren zestig een scherpe teruggang vertonen. Aldus kreeg de Nederlandse industrie een specialisatiepatroon dat o.m. wordt gekenmerkt door gerichtheid op primaire producten en halffabrikaten, een relatief hoge kapitaal- en energie-intensiteit en een betrekkelijk zwak ontwikkelde investeringsgoederenindustrie.

De snelle productiegroei had eveneens tot gevolg dat de nadelige effecten van de industriële groei aan het eind van de jaren zestig meer aandacht trokken. Een groter accent werd gelegd op de zgn. facetten: milieubescherming, zuinig gebruik van energie en grondstoffen, ruimtelijke ordening en internationale arbeidsverdeling met het oog op de ontwikkelingssamenwerking. Deze relativering van het belang van de industriële expansie leidde tot de gedachte van de selectieve groei.

Intussen was door de scherpe stijging van de aardolieprijs na 1973 de economische groei in de geïndustrialiseerde westelijke landen sterk vertraagd. De Nederlandse industrie ondervond, gezien haar hoge exportquote en energie-intensief karakter, daarvan in sterke mate de terugslag. Voor de nationale economie betekende het bezit van het aardgas echter voorlopig nog een belangrijk voordeel ten opzichte van het buitenland. Terwijl de investeringen van bedrijven zich meer en meer op het buitenland gingen concentreren, stagneerde de begin jaren tachtig zo gewenste verbreding van de nationale industriële basis. Een van de oorzaken hiervoor was het gewijzigd overheidsbeleid dat zich vanaf 1982 m.n. richtte op groei van de export. Van fundamentele vernieuwing van de Nederlandse industrie was in de jaren tachtig geen sprake; wel van verbetering van bestaande productieprocessen, m.n. in de chemische industrie. De industriële productie neemt nog altijd toe, zij het dat de groei lager is dan in andere sectoren van de economie.

4.6 Grondstoffenvoorziening

Zowel voor eigen consumptie als voor industriële verwerking is Nederland van oudsher voor het overgrote deel van de grondstoffenvoorziening aangewezen op het buitenland. De aard en de hoeveelheid van de ingevoerde artikelen zijn voor een deel historisch bepaald (bijv. voedings- en genotmiddelen als overblijfsel van de koloniale tijd), voor een ander deel het gevolg van de internationale concurrentieverhoudingen (o.a. in de textielnijverheid), maar voor een belangrijk deel ook van interne factoren (chemische producten). Daarnaast kunnen prijsschommelingen op de internationale markt de kosten voor grondstoffen sterk beïnvloeden (aardolie).

Het aantal landen waaruit Nederland de diverse grondstoffen betrekt, is zeer groot. Duitsland is echter steeds de grootste leverancier geweest, terwijl meer dan de helft van alle grondstoffen afkomstig is van partners uit de EU.

4.7 Mijnbouw

Aan het oppervlak bevat Nederland slechts ‘goedkope’ delfstoffen, m.n. grind, zand, klei en mergel/kalk.

In de ondergrond zit zout, aardolie, aardgas en steenkool. Het zout komt in dikke, uitgestrekte lagen voor en wordt bij Hengelo gewonnen door water omlaag te spuiten en de pekel op te pompen. Steenkool werd tot 1975 ondergronds gewonnen, maar de vondst van aardgas en de lage prijs van buitenlandse steenkool waren aanleiding de mijnen te sluiten. In de ondergrond is nog 1000 miljard ton steenkool aanwezig, maar daarvan is slechts 4% winbaar met conventionele methoden.

Op het vasteland heeft Nederland twee aardolievelden (Schoonebeek en West-Nederland) en op het continentaal plat één aardolieveld (offshore).

In 1959 werd het aardgasveld bij Slochteren ontdekt; in 1967 kwam het in productie. Zie voor de geschiedenis, ontstaan en voorkomen, aardgasreserves, winningsmethoden, productie, distributie en voorraad bij aardgas.

Vorige
| | | | | | | | | ... 
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum