Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Nederland

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 4 van 12

Nederland

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van NederlandVlag en volkslied van Nederland
Artikeloverzicht

3.3 Politieke partijen en vakbonden

Van groot belang voor het Nederlands politiek bestel zijn de politieke partijen. Alle in de Staten Generaal vertegenwoordigde partijen dateren van na de Tweede Wereldoorlog. De meeste zijn echter een voortzetting van de vooroorlogse politieke partijen of stromingen. Tot medio jaren zeventig waren de drie belangrijkste levensbeschouwelijke stromingen in Nederland: de confessionele, de socialistische en de liberale (zie ook verzuiling). Als gevolg van een complex van oorzaken verloren deze levensbeschouwingen aan inspiratiekracht, maar de erop gebaseerde politieke partijen wisten zich door samenvoegingen en koersveranderingen grotendeels te handhaven.

Het Christen-Democratisch Appèl (CDA), sedert 1977 een samenvoeging van Katholieke Volkspartij (KVP), Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en Christelijk-Historische Unie (CHU), trok aanvankelijk de kiezers van confessionele huize, maar sinds de tweede helft van de jaren tachtig wist de partij ook niet kerkelijk gebonden kiezers aan te trekken doordat zij meer afstand nam van de kerken en de confessionele organisaties en positie koos ter rechterzijde van het politieke midden. In 1994 belandden de confessionelen in de oppositie, na decennialange deelname aan de regering.

De sociaal-democratische Partij van de Arbeid (PvdA), sedert de Tweede Wereldoorlog meer malen de coalitiepartner van de confessionelen, smeedde in 1994 voor het eerst sinds 1919 een niet-confessionele, zgn. ‘Paarse’, coalitie met de liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) en Democraten 66 (D66). Deze laatste partij, in 1966 opgericht om het bestaande politieke bestel op te blazen, ontwikkelde zich in de loop van de tijd steeds meer tot een gevestigde partij en maakte vooral in de tweede helft van de jaren tachtig een spectaculaire groei door. Eind jaren tachtig ontstond een nieuwe groepering, Groen Links; zij was het resultaat van een samengaan van een aantal kleine linkse partijen, t.w. Communistische Partij van Nederland (CPN), Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP), Evangelische Volkspartij (EVP) en de Politieke Partij Radikalen (PPR). Los daarvan staat, eveneens ter linkerzijde, de Socialistische Partij (SP). Daarnaast zijn enkele kleine politieke partijen ter rechterzijde van het politieke midden blijven bestaan t.w. de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP), het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) en de Reformatorische Politieke Federatie (RPF). De laatste twee partijen fuseerden in 2000 tot ChristenUnie.

Naast de landelijk opererende partijen zijn met name op gemeentelijk niveau veel lokale partijen en belangenbehartigingsorganisaties actief. In de jaren negentig ontstond hierbinnen een aparte categorie, de ‘leefbaren’, die zich veelal op een omstreden lokaal onderwerp richtten en zich in het algemeen afzetten tegen de gevestigde partijen. De eerste hiervan, Leefbaar Utrecht, behaalde onmiddellijk een groot aantal raadszetels, in 2002 gevolgd door o.a. Leefbaar Rotterdam en Leefbaar Almere. Vanuit deze lokale partijen werd in 2001 Leefbaar Nederland opgericht, waarvan de beoogd lijsttrekker (Pim Fortuyn) in 2002 opstapte en een eigen partij oprichtte voor de Kamerverkiezingen: de Lijst Pim Fortuyn.

Na de verkiezingen van 22 januari 2003 waren de in totaal 150 zetels in de Tweede Kamer als volgt verdeeld: Christen-Democratisch Appèl (CDA) 44, Partij van de Arbeid (PvdA) 42, Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) 28, Socialistische Partij (SP) 9, Lijst Pim Fortuyn (LPF) 8, GroenLinks 8, Democraten 66 (D66) 6, ChristenUnie 3, Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) 2.

3.4 Werkgevers- en werknemersorganisaties

De in Nederland bestaande werkgevers- en werknemersorganisaties zijn o.a. als gesprekspartners van de overheid op velerlei niveaus ingeschakeld (Sociaal Economische Raad [SER], Stichting van de Arbeid, enz.). Zij nemen daarbij een maatschappelijke positie in die zeker wat de vakbonden betreft, niet gerechtvaardigd wordt door hun ledenaantal. De belangrijkste werknemersorganisatie is de Federatie Nederlandse Vakbeweging, in 1976 ontstaan uit een samengaan van het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Daarnaast bestaat het Chistelijk Nationaal Vakverbond (CNV) en de centrales voor middelbaar en hoger personeel. Met een organisatiegraad van ca. 30% behoort de Nederlandse vakbeweging tot een van de kleinste van West-Europa. Zie ook poldermodel.

De belangrijkste werkgeversorganisaties zijn: VNO-NCW (in 1995 ontstaan uit het samengaan van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) met het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW)), en de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland, de fusie (1995) van het Koninklijk Nederlands Verbond van Ondernemingen (KNVO) en het Nederlands Christelijk Ondernemersverbond (NCOV).

3.5 Lidmaatschap van internationale organisaties

Nederland behoort tot de leden-oprichters van de Verenigde Naties en is aangesloten bij alle gespecialiseerde organisaties daarvan. Sedert 1944 werkt Nederland met België en Luxemburg samen in de Benelux. Voorts maakt Nederland van de oprichting af deel uit van de West-Europese Unie (WEU), de Raad van Europa, de Europese Unie en haar voorlopers, de OESO, de Wereldhandelsorganisatie en van de NAVO.

4. Economie

4.1 Algemeen

Nederland heeft een vrije-markteconomie. De overheid kan evenwel door middel van wetgeving en regelgeving op allerlei manieren ingrijpen in het economisch proces, zodat ook wel van een geleide economie gesproken wordt.

Sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft de Nederlandse economie als gevolg van sterk veranderde omstandigheden zoals een sterke bevolkingsgroei, het verlies van de koloniën een grote verandering ondergaan. Van een overwegend agrarisch land heeft Nederland zich ontwikkeld tot een industriële natie. In 2000 droegen landbouw en visserij voor 3% aan het bruto binnenlands product bij, de industrie voor 26%. De resterende 71% kwam voor rekening van de dienstensector. Van groot belang voor de Nederlandse economie is de aanwezigheid van grote aardgasvoorraden, waardoor Nederland een belangrijke energie-exporteur is. Door de gunstige ligging aan de monding van grote Europese rivieren als Rijn, Maas en Schelde vervult Nederland een grote rol in het Europese transitoverkeer. Rotterdam is bijgevolg al jarenlang de grootste haven ter wereld.

De Nederlandse economie heeft in de jaren negentig geprofiteerd van de internationale economische conjunctuur; in de periode van 1996 tot en met 2000 bedroeg de economische groei gemiddeld 3,7%. In 2001 daalde de groei echter tot 0,9% en in 2002 zelfs tot slechts 0,2 procent. Dit is de laagste jaargroei van het bruto binnenlands product (BBP) in twintig jaar tijd. Het officiële werkloosheidscijfer bedroeg in het eerste kwartaal van 2003 5,8% van de beroepsbevolking (gemiddeld 377 duizend personen).

4.2 Land- en tuinbouw

Het aandeel van de land- en tuinbouw in de totale beroepsbevolking daalde van ca. 17% in 1950 tot 4% in 1999; het aandeel in het nationaal inkomen nam in deze periode af van 14,4 tot 3%.

61,5% van de Nederlandse bodem is in agrarisch gebruik. Dankzij intensiverings van het bodemgebruik en door de hogere opbrengsten per hectare, is de totale productiehoeveelheid van de Nederlandse land- en tuinbouw tussen 1950 en 1995 enorm toegenomen. Deze productie-uitbreiding kon alleen plaatsvinden door een sterke vergroting van de hoeveelheid productiemiddelen, zoals kunstmest en (ingevoerd) veevoeder. Op wereldschaal is Nederland na de VS en Frankrijk de grootste exporteur van agrarische producten.

De agrarische activiteiten zijn gespreid over het hele land. Een belangrijk deel van de akkerbouw wordt aangetroffen op de zeekleigronden in het noorden en het zuidwesten van het land, alsmede in de IJsselmeerpolders. De intensieve veehouderij of bio-industrie (varkenshouderij, pluimveehouderij en kalvermesterij), die overigens met haar enorme mestoverschot een directe bedreiging voor het milieu vormt, is grotendeels geconcentreerd op de zandgronden in Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. De melkveehouderij komt voor in het hele land, maar specifieke weidegebieden zijn Friesland en Noord- en Zuid-Holland. De glastuinbouw, die economisch gezien verreweg het belangrijkste onderdeel vormt van de Nederlandse tuinbouw, is voor een groot deel geconcentreerd in enkele grote centra, waaronder die in het zuidwesten van Zuid-Holland het belangrijkste zijn. De Nederlandse intensieve veehouderij werd geplaagd door verschillende dierziekten. Na de varkenspest en de gekkekoeienziekte (BSE) brak in 2001 de mond- en klauwzeer (MKZ) uit. Er werd een vervoersverbod afgekondigd en getroffen bedrijven werden geruimd. De zogeheten preventieve ruimingen waarbij gezonde dieren werden afgemaakt leidden tot grote weerstand. Naar aanleiding van de MKZ-crisis pleitte de commissie-Wijffels voor een ingrijpende omslag in de veehouderij. De discussie hierover ontstond opnieuw na de uitbraak van de vogelpest in 2003 waarbij opnieuw vervoersverboden en ruimingen werden afgekondigd.

Vorige
| | | | | | | | | ... 
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum