Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Nederland

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 10 van 12

Nederland

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vlag en volkslied van NederlandVlag en volkslied van Nederland
Artikeloverzicht

5.6.10 Ontstaan van partijen

Partijen in moderne zin ontstonden pas vrij laat in de Nederlandse politiek. De afgevaardigden naar het parlement traden tot in de jaren zeventig van de 19de eeuw op als individu. Het overwicht van Thorbecke gaf een stroming als de liberale een tijdlang een duidelijk profiel. Het ontbreken van zo’n persoonlijk centrum is mede een factor geweest in de vaagheid van de ‘conservatieve gezindheid’. Van de katholieken kan men wellicht zeggen dat zij een nader te omschrijven ideeënstelsel vertegenwoordigden. Onder de Antirevolutionairen begon de opbouw van een moderne partij het eerst. Twee factoren droegen direct daartoe bij: de agitatie rond de Schoolwet van Kappeijne (zie hierna) en de dood van Groen van Prinsterer in 1876, die het vanzelfsprekende middelpunt van de Antirevolutionairen was geweest en tevens een tegenstander van de stichting van een partij. Onder leiding van Abraham Kuyper werd een partij opgebouwd (Anti-Revolutionaire Partij); een antirevolutionair blok, een bijna volledig antwoord op de problematiek van de moderne samenleving: een partij, een universiteit, een krant en zelfs, deels althans, een kerk (zie doleantie).

Betekende de stichting van een antirevolutionair blok de bewuste keuze voor een isolement, het ontstaan van de katholieke partij – formeel pas in 1926 opgericht (Roomsch-Katholieke Staatspartij) – had eigenlijk het tegengestelde effect. Het isolement van het katholieke volksdeel, uitvloeisel van de situatie in de Republiek en het nog steeds levende wantrouwen tegen de ‘papen’ (o.m. tot uiting gekomen in de Aprilbeweging in 1853), werd door de katholieke partij gedeeltelijk opgeheven: alleen al de samenwerking met de Antirevolutionairen in de coalitie kan dit illustreren. Bovendien liep parallel aan de ontwikkeling van een katholieke partij de groei naar een meer ‘politieke opstelling’ van de katholieken. De veranderende houding van Rome (vgl. Rerum Novarum) en de werkzaamheid van Schaepman en Aalberse hebben hieraan mede bijgedragen. Het bescheiden programma, dat Schaepman in 1883 publiceerde, leidde niet direct tot partijvorming. Hoewel men sinds 1896 wel sprak van een katholieke ‘partij’, was er van samenwerking en centralisatie nauwelijks sprake. Schaepman werd door de meeste van zijn fractieleden niet geaccepteerd. Ook hier werkte de kiesrechtkwestie als een splijtzwam: de tegenstelling tussen Takkianen en anti-Takkianen (1892: naar aanleiding van de ontwerp-kieswet van Tak van Poortvliet) sneed dwars door de drie grootste partijen heen. Schaepman was in deze, als voorstander van verregaande uitbreiding van het kiesrecht, duidelijk in de minderheid tegenover de conservatieven van zijn partij. Pas na zijn dood (1903) en na de afhandeling van de kiesrechtkwestie, wist Nolens de katholieke partij hechter aaneen te smeden.

De kiesrechtkwestie en in mindere mate de sociale kwestie leidden ook binnen de Anti-Revolutionaire Partij tot een tegenstelling en uiteindelijk tot een breuk. Kuyper kwam als vertegenwoordiger van de kleine luyden steeds scherper te staan tegenover zijn meer patricische partijgenoten onder leiding van De Savornin Lohman. De oprichting van de Christelijk-Historische Unie in 1908 was de bevestiging van de bestaande tweedracht.

Onder de liberalen verliep de partijvorming moeizaam. Daarvoor zijn in ieder geval twee redenen aan te geven: in de eerste plaats hadden de liberalen gedurende de tweede helft van de 19de eeuw de parlementaire touwtjes in handen. Voorts waren verschijnselen als organisatie en programma min of meer tegengesteld aan de liberale opvattingen. Individueel optreden van de kamerleden strookte daarmee veel beter (hetzelfde geldt voor de conservatieven). De eerste aanzetten tot partijvorming onder de liberalen begonnen in een minderheidsgroepering en hadden een principiële kwestie als aanleiding. De uitbreiding van het kiesrecht bracht al vroeg tweedracht onder hen en had tot gevolg dat een aantal progressieve kiesverenigingen in 1884 de Liberale Unie oprichtten. De meer conservatieve liberalen – een meerderheid – bleven ongeorganiseerd. Door twee afscheidingen werd de Liberale Unie ca. 1890 in een middenpositie gedrongen. Een progressievere opstelling kwam van de Radicale Bond, die later in de Vrijzinnig-Democratische Bond opging. De meer behoudenden verenigden zich als Oud-Liberalen (later Bond van Vrije Liberalen). Pas in 1913 traden deze drie groeperingen weer gezamenlijk op.

5.7 Tussen beide wereldoorlogen

De weinige analyses van Nederland in het Interbellum zijn uitermate eensluidend in hun diagnose: een conservatief land (De Jong), stabiliteit (Kossmann), stilstand (Bosmans), uitbreiden en behouden (De Vries), statisch en ouderwets (Von der Dunk). Terwijl de meeste buurlanden als in een lawine van de ‘années folles’ en het Weimarleven naar de jaren dertig werden meegesleept, hield in Nederland de Dom haar slaapmuts op, zoals men al in de 19de eeuw zei. Politiek waren en bleven de confessionelen aan het bewind; sociaal en maatschappelijk was en bleef de samenleving in statische blokken, ‘zuilen’, opgedeeld; economisch kwam men niet veel verder dan uitbouw van de eind 19de-, begin 20ste-eeuwse verworvenheden en vond de koerswijziging van de jaren dertig pas onder internationale druk plaats. De neutraliteit van Nederland in de Eerste Wereldoorlog vormt een verklaring voor deze stabiliteit. De naam ‘vergissing’ voor Troelstra's ‘revolutiepoging’ in het voetspoor van revolutionaire woelingen in Rusland, Duitsland, Hongarije (zie Novemberrevolutie) kan als typerend voor de mentaliteit in Nederland gelden. Een meer structurele verklaring voor de onbeweeglijkheid van de Nederlandse samenleving tussen de twee wereldoorlogen is de specifieke aard van de verzuiling en de daarmee samenhangende pacificatiepolitiek. Deze was mogelijk doordat er nauwelijks verschuivingen optraden in de krachtsverhoudingen tussen de zuilen. De verdeling van kamerzetels kan dit goed illustreren: het verschil tussen het hoogste en het laagste zetelaantal van alle grote partijen, afgezien van de liberalen, gedurende het gehele Interbellum was maximaal vier. Extreme groeperingen, zoals CPN en NSB, kregen nooit meer dan enkele zetels en dan nog slechts voor korte duur. Bovendien kwamen binnen de zuilen geen spanningen voor; de voormannen waren in staat het gezag binnen hun geledingen te handhaven.

De grote economische crisis en de revolutionaire ontwikkelingen in Europa in de jaren dertig hadden uiteraard ook hun weerslag op de Nederlandse samenleving. Maar niet alleen de burgerlijke groeperingen, ook de arbeiders ondergingen crisis en nasleep met een grote mate van passiviteit, vergeleken met de burgers in andere landen. Het Jordaanoproer was een uitzondering, en naast de beroering rond de Zeven Provinciën [marine] eigenlijk het enige ‘schokkende moment’. Zelfs in de laatste jaren vóór de oorlog bleef de Nederlandse bevolking vertrouwen op de onaantastbare neutraliteit.

5.8 Oorlog en bezetting

Op 10 mei 1940 vielen de Duitse troepen Nederland binnen, in vijf dagen was het land grotendeels bezet en had het Nederlandse leger gecapituleerd (14 mei). De Nederlandse regering had inmiddels reeds het land verlaten en leidde van Londen uit het voortgaande Nederlandse verzet buiten bezet gebied, behield het oppertoezicht over de overzeese gebiedsdelen – waarvan het belangrijkste gebied: Nederlands-Indië, later aan de Japanners verloren ging (val van Java, 9 maart 1942) – en bereidde de bevrijding van Nederland voor. Een nieuw kabinet onder leiding van Gerbrandy (van 3 september 1940 af) heeft ernaar gestreefd deze doeleinden te verwezenlijken, hierin krachtig door koningin Wilhelmina gesteund. Voor Nederland begon intussen een zware tijd. De Duitse bezetters – sedert 28 mei 1940 was Arthur Seyss-Inquart ‘Reichskommissar’ geworden – beschouwden het land niet alleen als oorlogsbuit, die uitputtend gebruikt moest worden voor de algemene Duitse oorlogvoering (o.a. dwangarbeid in Duitsland), maar ook als een van de gebieden waarin de nazi-ideologie (zie nationaal-socialisme) goedschiks of kwaadschiks moest worden ingevoerd en gaan overheersen. Sterke steun aan de kleine NSB, die zich haastig opwierp als helper van Duitsland, en oprichting van allerlei nieuwe nationaal-socialistische instellingen en organisaties (de SS Nederland, enz.) moesten dit bevorderen. Andere politieke partijen werden langzamerhand verboden (definitief: 5 juli 1941). Op maatschappelijk gebied waren de gevolgen veel ernstiger toen de bezetter ook in Nederland de joden begon te vervolgen en door deportatie en massamoord het grootste deel van de joodse bevolking in Nederland wist uit te roeien (104 000 doden op een totaal van 140 000; zie ook holocaust). Het lukte de bezetter niet een grote aanhang voor het nationaal-socialisme te verwerven. In de oorlog werden drie grote proteststakingen gehouden (de Februaristaking in Amsterdam tegen het wegvoeren van joden in 1941, de Meistakingen in 1943, de Spoorwegstaking vanaf september 1944). Een minderheid, die zich weliswaar door de publieke opinie steeds meer gedragen wist, voerde een actief verzet, dat in allerlei vormen tot uiting kwam: hulp aan de joden en andere slachtoffers van het regime, organiseren van de zgn. onderduik, ondergrondse pers, spionage en sabotage, voorbereiding voor militaire hulp bij de bevrijding. – Zie voor de periode van de bezetting en de jodenvervolging ook Tweede Wereldoorlog.

In politiek opzicht was daarbij van belang dat in deze illegale beweging politieke toekomstplannen werden gemaakt, die via de ondergrondse pers onder een groter publiek werden verbreid. Het waren meest radicale plannen, die, op grond van vooroorlogse ervaringen, pleitten voor zaken als versterkt regeringsgezag, vernieuwing van het partijwezen (liefst tweepartijenstelsel), opheffing van confessionele partijen (de zgn. doorbraak), prijsgeven van klassestrijdgedachten en op internationaal gebied deelneming aan een internationaal veiligheidssysteem, die Nederlands vroegere neutraliteitspolitiek onmogelijk zou maken. Na de bevrijding in twee etappen – nl. het gebied ten zuiden van de rivieren in september–november 1944 en het overige in april en mei 1945 – bleken deze idealen echter geen kans van slagen te hebben.

5.9 Politieke ontwikkeling na 1945

De formatie van het eerste naoorlogse kabinet werd door koningin Wilhelmina opgedragen aan Willem Schermerhorn (Nederlandse Volksbeweging) en Willem Drees (SDAP). Op 24 juni 1945 kwam de regering-Schermerhorn-Drees tot stand. Aan dit ‘nationaal kabinet voor herstel en vernieuwing’ namen vertegenwoordigers van RKSP, SDAP, CHU, Liberale Staatspartij en de VDB deel. ARP, CPN en SGP voelden zich niet met het kabinet verbonden. De regering stelde zich tot taak het productieproces op gang te brengen, het woningbestand te repareren, de zwarte handel terug te dringen en de lonen en prijzen te beheersen. Een van de eerste maatregelen betrof de geldzuivering van minister van Financiën Pieter Lieftinck. Verder bouwde de regering het in Londen al ontworpen systeem van Bijzondere Rechtspleging en zuivering uit vanwege de noodzakelijke politieke zuivering.

Op het terrein van de partijpolitiek bleek dat de verwachting van politieke vernieuwing snel verdween, omdat de meeste vooroorlogse politieke partijen weer werden opgericht. De ARP, CHU, SGP en CPN kwamen direct na de oorlog weer terug, terwijl de RKSP alleen haar naam veranderde in Katholieke Volkspartij (KVP). De Liberale Staatspartij en de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) verdwenen: de Liberale Staatspartij ging op in de Partij van de Vrijheid, terwijl de VDB grotendeels opging in de nieuw opgerichte Partij van de Arbeid (PvdA). Deze laatste partij was in februari 1946 opgericht om de verzuiling tegen te gaan en zij propageerde de ‘doorbraak‘-gedachte dat ook katholieken en protestanten zich aan konden sluiten bij de PvdA. Aangezien echter de vooroorlogse partijen ook al weer bestonden, werd de PvdA gedwongen onderdeel van de verzuilde samenleving te gaan uitmaken. De PvdA kwam voort uit de SDAP, en behalve een groot deel van de VDB sloten zich ook een groep jongere radicalen uit de CHU, een deel van de Christelijk-Democratische Unie, een deel van de rooms-katholieke Christofoor-groep en een aantal politiek daklozen bij de PvdA aan. De vooroorlogse verzuiling bleef niet alleen op partijpolitiek gebied bestaan. Een poging van de Eenheidsvakcentrale (EVC) om de verzuiling te doorbreken mislukte uiteindelijk en ook een poging om tot een nationale omroep te komen had geen succes. Wel kwamen er allerlei overkoepelende organen tot stand, zoals de Raad van Bestuur in Arbeidszaken (werkgevers), de Raad van Vakcentrales (werknemers) en de Stichting van de Arbeid waarin werkgevers en werknemers gezamenlijk konden overleggen.

Nadat de voorlopige Staten-Generaal op 20 november 1945 bijeen waren gekomen, werden op 17 mei 1946 de eerste verkiezingen gehouden. Het belangrijkste gegeven was dat de door de PvdA gehoopte ‘doorbraak’ was mislukt: de PvdA kreeg een lager percentage van de stemmen dan de in deze partij samengekomen groeperingen vóór de oorlog hadden behaald. De confessionele partijen wisten zich daarentegen te handhaven. De CPN maakte een grote opgang. De KVP streefde naar regeringssamenwerking met de PvdA en in juli kwam het kabinet-Beel tot stand, dat geheel bestond uit vertegenwoordigers van beide partijen en een aantal politiek daklozen. Behalve door de totstandkoming van de ouderdomsverzekering van Drees (in de vorm van een noodvoorziening weliswaar), werd de binnenlandse politiek vrijwel geheel door de Indonesische kwestie beheerst. Met name de Nederlands-Indonesische oorlogen (de zgn. ‘politionele acties’) zorgden nationaal en internationaal voor veel opschudding (zie ook Indonesië§ geschiedenis). Mede ten gevolge van de Indonesische politiek was Pieter Jacobus Oud met een aantal medestanders in oktober 1947 uit de PvdA getreden; hij sloot zich aan bij de door Stikker geleide Partij van de Vrijheid, die de naam Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) kreeg. Ook in de KVP kwam het tot een afsplitsing: Welter nam aan de verkiezingen van 1948 deel met een eigen lijst, won een zetel en scheidde zich in december 1948 af van de KVP en richtte de Katholiek Nationale Partij (KNP) op. Het kabinet dat na de verkiezingen van juli 1948 werd geformeerd door de KVP-er Van Schaik en dat onder feitelijke leiding stond van Drees, werd uitgebreid met twee CHU-ministers en één VVD-minister. Het werd ook in deze periode terdege beziggehouden door de kwestie Indonesië: op 27 december 1949 vond de formele soevereiniteitsoverdracht van Indië plaats, met uitzondering van Nieuw-Guinea. De wet op de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO) van 1950 leidde tot de oprichting van de Sociaal-Economische Raad en kan beschouwd worden als de kroon op de samenwerking tussen werkgevers, werknemers en overheid. Nederland trad in 1949 toe tot de NAVO. Begin 1951 ontstond er een regeringscrisis als gevolg van het aftreden van VVD-minister van Buitenlandse Zaken Stikker. Pas na moeizame pogingen, waarin o.a. Stikker als informateur optrad, werd het kabinet-Drees gereconstrueerd. Op 25 juni 1952 vonden verkiezingen plaats, waarbij de PvdA de grootste partij werd, Drees trad op als leider van een kabinet van de PvdA, KVP, ARP en CHU.

5.10 Ontzuiling

In deze periode tekent zich het begin van de ontzuiling af: zo sneed de PvdA de formele banden met NVV, Vara en Vrije Volk door; trad een afsplitsing op in de KVP, die slechts door een mandement van de bisschoppen (1954) teruggedraaid kon worden (de KNP ging weer op in de KVP); als gevolg van het mandement verscherpte de verhouding tussen PvdA en KVP; nam het stemmenpercentage van m.n. de KVP niet toe, terwijl het katholiek bevolkingsdeel groeiende was; kwam er verzet tegen de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie, dat bijv. leidde tot oprichting van een antisysteempartij als de Boerenpartij.

De verslechterde verhouding tussen KVP en PvdA werd met name na de verkiezingen van 13 juni 1956 duidelijk zichtbaar. Deze stonden geheel in het teken ‘Drees of Romme’ en alleen PvdA en KVP wonnen zetels. Er kwam wederom een kabinet-Drees tot stand, bestaande uit PvdA, KVP, ARP en CHU. De wegens overspanning van de economische conjunctuur in 1957 doorgevoerde ‘bestedingsbeperking’, alsmede de Wet op de vervreemding van landbouwgronden maakten de verhouding tussen de beide grootste regeringspartners steeds moeilijker. In december 1958 traden de socialistische ministers af naar aanleiding van een conflict met de Tweede Kamer over het niet accepteren van de tijdsduur van bepaalde tijdelijke belastingen. Dit betekende het einde van de rooms-rode samenwerking. Een geheel uit confessionelen bestaand rompkabinet onder leiding van Beel bereidde vervroegde verkiezingen voor. Deze vonden plaats op 12 maart 1959 en brachten verlies voor de PvdA, CPN, ARP en CHU. De oppositiepartij VVD was de grote winnaar. Het verlies van de PvdA en CPN werd mede veroorzaakt door concurrentie van de in 1957 opgerichte Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP). In het nu volgende kabinet-De Quay moest de PvdA plaats maken voor de VVD. Het voornaamste vraagstuk waar het kabinet mee te maken kreeg waren de problemen rond Nieuw-Guinea, dat werd betwist door Indonesië. Onder Amerikaanse druk sloot de Nederlandse regering in augustus 1962 een akkoord, waarbij Nederland het bestuur over westelijk Nieuw-Guinea overdroeg aan een speciaal orgaan van de Verenigde Naties. Bedongen werd dat de Papoea's zich voor eind 1969 in een volksstemming over hun politieke toekomst zouden kunnen uitspreken (zie ook Nieuw-Guinea). Belangrijk was verder de aanvaarding van Cals’ ‘Mammoetwet’ voor de herstructurering van het voortgezet onderwijs.

Vorige
... | | | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum