![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Nederland |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis
Nederland (Frans: Pays-Bas; Duits: Die Niederlande; Engels: The Netherlands; buiten Nederland vaak aangeduid als Holland), het in Europa gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden, 41 526 km2, waarvan 33 882 km2 land en 3 468 km2 binnenwater, met 16 570 613 inwoners (2007 schatting), ca. 489 personen per vierkante kilometer (2007 schatting). De hoofdstad is Amsterdam; de regeringszetel is 's-Gravenhage. Als enclaves binnen de provincie Noord-Brabant bevinden zich ca. 30 kleine Belgische gebieden, tezamen vormende de gem. Baarle-Hertog; daarbinnen liggen weer twee Nederlandse exclaves, behorend tot de gem. Baarle-Nassau. Behalve het vasteland omvat Nederland de Waddeneilanden: Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottumeroog. Munteenheid is de euro, verdeeld in 100 eurocent, die per 1 januari 1999 de gulden verving op de effectenbeurzen en in het betalingsverkeer tussen banken, en per 1 januari 2002 ook in het contante betalingsverkeer wettig betaalmiddel werd (1 euro is 2.20371 gulden). Het volkslied is het Wilhelmus; de officiële vlag is rood, wit, blauw. Nationale feestdag is 30 april ‘Koninginnedag’, de verjaardag van de voormalige koningin Juliana. De internetlandcode (TLD) is nl. Naam. De benaming van het staatkundige begrip Nederland is afgeleid van een oude geografische naam die in verschillende delen van West-Europa gebruikt is voor lage landen ter onderscheiding van aangrenzende heuvel- of berglanden (vgl. Unterland of Niederland tegenover Oberland in de Alpen, Pays-Bas en Montagne in Bourgondië, en Lowlands en Highlands in Schotland). De staatkundige term Nederland stamt wellicht uit het Rijnland. Aanvankelijk werd hij, met zijn tegenhanger Overland, gebezigd voor de gebieden benoorden en bezuiden de Vinxtbach, een riviertje dat tussen Remagen en Andernach in de Rijn stroomt en dat deel heeft uitgemaakt van de grens tussen de Romeinse provincies Germania Inferior en Superior. De benaming Nederland is later stroomafwaarts verplaatst (wat vaker met dergelijke geografische begrippen is gebeurd). Sedert de 12de eeuw werd onder Nederland in het bijzonder het stroomgebied van de Rijn beneden Keulen verstaan, als tegenstelling tot het Overland boven (bezuiden) Keulen. Het begrip Nederland(en) heeft later ook ruimere staatkundige betekenissen gekregen. In de loop van de 15de eeuw is het in zwang gekomen als verzamelbegrip voor de landen van de hertog van Bourgondië. Na het midden van de 16de eeuw verschijnen de namen Nederlanden en Pays-Bas ook in officieel gebruik, doorgaans in de meervoudsvorm.
In het grootste deel van Nederland bestaat de bodem uit door de zee, de rivieren of de wind aangevoerd materiaal. In het gedeelte dat door het landijs was bedekt, vertoont het landschap op vele plaatsen duidelijk de invloed van het landijs, m.n. in de vorm van stuwwallen (heuvelruggen in Utrecht, Gelderland en Overijssel). Slechts in het zuiden van de provincie Limburg is het landschap sterk beïnvloed door erosie, hoewel een deklaag van löss het erosiekarakter heeft gemaskeerd. De westelijke begrenzing van de Peelhorst, de Peelrandbreuk, is plaatselijk als een trede in het landschap te herkennen, terwijl ook in Zuid-Limburg (waar het hoogste punt van Nederland, de Vaalserberg, 322,5 m, gelegen is) de invloed van tektonische bewegingen op enkele plaatsen in het veld zichtbaar is (o.a. de breuklijntrap van Kunrade en de Feldbiss bij Heerlen). Het landschapsbeeld is in het Holoceen sterk bepaald door de activiteit van de rivieren en de zee. Met name de zee heeft een stempel op het landschap gedrukt met de vorming van uitgestrekte kleigebieden en van strandwallen en met de afbraak van het veengebied, gevormd achter deze strandwallen (ontstaan van de Zuiderzee, de Biesbosch, enz.). De wind heeft in het Holoceen de duinen en de zandverstuivingen doen ontstaan. Het landschap is ten slotte mede bepaald door menselijke activiteit. Door uitvening en vervolgens drooglegging van meren en plassen zijn diepliggende droogmakerijen ontstaan (laagste punt van Nederland, o.a. in de Prins Alexanderpolder, -6 m). Door afgraving van uitgestrekte veengebieden is de oorspronkelijke, zacht golvende zandondergrond aan den dag getreden, terwijl door bedijking vele door kreken doorsneden gebieden deel van het land zijn gaan uitmaken.
De Rijn is zowel gletsjerrivier als regenrivier. De afvoer van de Rijn bedraagt gemiddeld 69 miljard m3, wat overeenkomt met een waterschijf over het gehele land van 1725 mm. De kanalisatie van de Neder-Rijn en de Lek resulteerde in een verbetering van de bevaarbaarheid van de IJssel, het Pannerdens Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek; tevens wordt door vergroting van de lage afvoeren van de IJssel onder normale waterstanden een ruimere watervoorziening van het noorden van het land, via het IJsselmeer, gewaarborgd. De Maas is een echte regenrivier. Het verschil tussen de grootste en de kleinste voorgekomen afvoer is veel groter dan die bij de Rijn. De gemiddelde jaarlijkse afvoer bedraagt bij Borgharen 8 miljard m3 (overeenkomend met een waterschijf over het gehele land van 200 mm). Een groot deel van de rivier is gekanaliseerd. Van de Schelde [rivier, West-Europa] ligt alleen de brede mond binnen de Nederlandse grenzen. De kleine rivieren die buiten het Nederlandse grondgebied ontspringen, brengen in totaal slechts gemiddeld 3 miljard m3 water per jaar over de grenzen. Deze hoeveelheid is in het kader van de waterhuishouding van regionale betekenis. De meren en plassen liggen vnl. in het veenlandschap van Nederland. Vrijwel steeds zijn de meren op natuurlijke wijze ontstaan, en wel door afslag van veenoevers nadat bijv. door een inbraak van de zee een aanzet tot de vorming van open water had plaatsgevonden. Vele meren zijn gevormd vanuit oude riviertjes in het veenlandschap. De uitgeveende gebieden worden veelal als plas aangeduid. Een groot aantal meren en plassen is in de loop van eeuwen drooggemalen. Een bijzondere plaats nemen de meren in, ontstaan in het kader van de Zuiderzeewerken (IJsselmeer en zijn randmeren) en de meren, gevormd door de Deltawerken.
De oudste in Nederland aan de oppervlakte komende gesteenten behoren tot het Carboon. Nabij Epen komen schalies en kwartsitische zandstenen aan de oppervlakte voor (o.a. in de Heimansgroeve) uit de onderste etage van het Boven-Carboon). Het Westfalien is in Nederland steenkoolvoerend. Het Carboonoppervlak vertoont een grote variatie en ligt in het westen en noorden op meer dan 4000 m diepte. Op het meer of minder sterk geërodeerde Carboon rust met een duidelijk stratigrafisch hiaat het continentale Saxonien (bovenste deel van het Onder-Perm) met de belangrijke Slochteren-zandsteenformatie, het aardgasreservoirgesteente in Groningen (diepte in het Slochterenveld ca. 2800 m). De herkomst van dit aardgas wordt veelal gezocht in na-inkoling van onderliggende steenkool uit het Carboon. De Zechstein (Boven-Perm) vangt aan met een dunne, donkere, bitumineuze band (Kupferschiefer, Coppershale). Tijdens de Zechstein werden in het noorden en noordoosten van Nederland tijdens vier indampingscycli dikke lagen steenzout en plaatselijk kalium-magnesiumzouten gevormd. Door het plastische gedrag van steenzout onder hoge druk van bovenliggende sedimenten zijn zoutpijlers van uiteenlopende vorm en grootte ontstaan. De in de Zechstein voorkomende carbonaten uit de tweede en derde cyclus (Hauptdolomit en Plattendolomit) zijn aardgasvoerend in Oost- en Noordwest-Nederland.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |