![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search nationaalsocialismeEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Karakter; 2. Ideologie; 3. Het nationaalsocialisme tot aan de machtsovername (1919-1933); 4. Het Derde Rijk (1933-1945)
nationaalsocialisme, de naam van een aan het fascisme verwante politieke beweging in Duitsland, die na de Eerste Wereldoorlog onder leiding van Adolf Hitler tot ontwikkeling is gekomen. De aanhangers ervan worden nationaalsocialisten of, in de Duitse afkorting, nazi's genoemd.
Het nationaalsocialisme is geen ideologie die vanuit één centrale doctrine is ontwikkeld. Het is eerder een combinatie van verschillende, deels conservatieve, deels radicale elementen, waarvan de betekenis in haar onderlinge verhouding steeds veranderde. Nationalisme en socialisme waren machtige leuzen die de massa’s in beweging konden brengen. Door die te combineren, kon een explosieve kracht worden ontketend, zo moet de jonge Adolf Hitler hebben ontdekt. Het nationalisme stond daarbij voorop. Het socialistische element beloofde de industriearbeiders in de natiestaat te integreren en hun een gelijkwaardige positie in het vooruitzicht te stellen. Bestrijding van het communisme en het internationaal georiënteerde socialisme ging hand in hand met bestrijding van het liberalisme en de parlementaire democratie. In wezen was het nationaalsocialisme dan ook een bundeling van anti-ideologieën, een protest tegen de burgerlijke samenleving en tegen oudere niet-nationalistische revolutionaire bewegingen. Het agressieve antikarakter van het nationaalsocialisme was zowel aantrekkelijk voor ontwortelde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog als voor kleine middenstanders en anderen die zich in de naoorlogse chaos sociaal, economisch of cultureel bedreigd voelden. Wat deze groepen verbond, was de gemeenschappelijke frustratie over de verloren oorlog en het opgelegde Vredesverdrag van Versailles, waaruit de voor talrijke Duitsers onaanvaardbare Weimar-Republiek was voortgekomen. Een extreem nationalistische machtspolitiek, zoals gepropageerd door de nationaalsocialisten, leek de oplossing.
Het nationalisme van de nazi's bouwde voort op romantisch-nationalistische stromingen uit de 19de eeuw en de biologische rassentheorieën van Houston Stewart Chamberlain en Joseph Arthur de Gobineau. Zij zagen het volk als een op bloedbanden gebaseerde mythische eenheid, onverbrekelijk verbonden met het land (Blut und Boden). In het onderscheid tussen hogere en lagere rassen werd het Arische ras (zie Ariërs) als het enige cultuurscheppende beschouwd. De historische zending van Duitsland was om dit ras in een overheersersrol te brengen. In Der Mythus des 20. Jahrhunderts trachtte Alfred Rosenberg deze ideeën tot een filosofisch systeem te ontwikkelen. Gebaseerd op een versimpelde uitleg van Darwins Survival of the fittest, predikte het nationaalsocialisme een rassenstrijd tussen Übermenschen en Untermenschen, tussen Ariërs en niet-Ariërs, waarvan het ‘joodse ras’ de laagste soort was. Een fel antisemitisme werd vanaf het begin aangehangen en bleek voorbode van de uitroeiing van ca. 6 miljoen joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van de Italiaanse fascisten, die een sterk ontwikkeld gevoel demonstreerden voor show en propaganda, namen de vroege nazi’s diverse symbolen en gedragslijnen over, zoals het veelvuldige gebruik van geweld om politieke tegenstanders te intimideren, het zingen van liederen, het ritueel groeten van de partijvlag, de fascistengroet (Hitlergroet; rechter arm gestrekt schuin omhoog), geüniformeerde parades en het voortdurend hameren op het grootse eigen nationale verleden. Nationaalsocialisme deed net als het fascisme een beroep op het gevoel, niet op het verstand. Dit bleek ook uit het leiderbeginsel, wat duidelijk tot uitdrukking kwam in de term Der Führer, waarmee het eenhoofdige leiderschap werd geaccentueerd. Lagere besturen werden niet gekozen, maar van bovenaf benoemd. Het nationaalsocialisme nam als symbool het hakenkruis. De partijvlag was een rood veld met, in een witte cirkel, een zwart hakenkruis. De buitenlandse politiek van de nazi's richtte zich aanvankelijk op de vereniging van alle Duitsers in één rijk. Later streefde men in bondgenootschap met Italië en Japan naar de verdeling van de wereld en de onderwerping van gebieden.
Op 5 januari 1919 richtte een aantal teleurgestelde nationalisten de Deutsche Arbeiterpartei op. Leidende figuren daarin waren de schrijver Karl Harrer en de smid Anton Drexler. Adolf Hitler trad na enige tijd tot het bestuur toe en domineerde daarin dermate dat hij in juli 1921 officieel voorzitter werd. Hij veranderde de naam in Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) en organiseerde de partij volgens het leidersbeginsel. In 1922 riep hij de Sturmabteilungen (SA) in het leven, een in bruine hemden gestoken partijmilitie. In 1925 ontstond als onderdeel van de SA de Schutzstaffel (SS), oorspronkelijk bedoeld als lijfwacht voor Hitler. Het sociaal-radicale partijprogram kwam in 1920 tot stand onder het geestelijke vaderschap van Gottfried Feder. Door in de propaganda steeds maar te hameren op de schande van het ‘dictaat van Versailles’ (de vredesovereenkomst na de Eerste Wereldoorlog, zie Verdragen van Versailles) lokte Hitler duizenden aanhangers naar de NSDAP. In november 1923 werd de partij echter verboden na de op 8 november 1923 door Hitler beraamde maar mislukte putsch tegen de Beierse regering. Hitler werd toen tot gevangenisstraf veroordeeld, schreef tijdens zijn gevangenschap het eerste deel van Mein Kampf, kwam in december 1924 weer vrij en richtte in februari 1925 de NSDAP opnieuw op. Als gevolg van het rustiger politieke klimaat en de verbeterde economische situatie in de jaren twintig, groeide de partij maar langzaam. Maar in 1930, vlak na het uitbreken van de economische depressie, rook zij haar kansen. In september maakte de partij bij de Rijksdagverkiezingen een sprong van 12 naar 107 zetels. Samenwerking met andere partijen was nodig. In oktober 1931 ging de NSDAP in het zgn. Harzburger Front samenwerken met de Duits-nationalen van Alfred Hugenberg en de oudstrijdersorganisatie Stahlhelm. Hitlers kandidatuur voor het rijkspresidentschap in 1932 werd echter door het samenwerkingsverband niet in meerderheid gesteund. Paul von Hindenburg werd in dat jaar herkozen als president. Kort daarna werd na een kabinetscrisis de Rijksdag ontbonden. Bij de nieuwe verkiezingen behaalde de NSDAP 230 zetels. Daarmee werd zij de grootste partij. Een van de voormannen van de partij, Hermann Göring, werd Rijksdagvoorzitter. Onderhandelingen tussen de nazi’s en de regering over deelname van de NSDAP aan de regering stuitten af op Hitlers onwrikbare eis dat hijzelf aan het hoofd van de regering moest staan. Zonder zijn medewerking was Duitsland inmiddels onregeerbaar geworden, omdat de NSDAP samen met de communisten de meerderheid bezat. In november 1932 werd de Rijksdag opnieuw ontbonden en kwam de NSDAP na verkiezingen terug met 196 zetels, een teruggang, maar de situatie veranderde daardoor niet. Het optreden van Kurt von Schleicher als rijkskanselier bleek een mislukking en bij regionale verkiezingen bleek Hitlers aanhang weer toe te nemen. Von Hindenburg en diens adviseur Franz von Papen besloten daarom Hitler tot rijkskanselier te benoemen. Op 30 januari 1933 zag daarmee het door de nazi's fel begeerde Derde Rijk het levenslicht.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |