Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar muziekinstrumentenkunde

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

muziekinstrumentenkunde

Encyclopedieartikel

muziekinstrumentenkunde, ook organologie genoemd, de bestudering van het muziekinstrument in de ruimste zin als voorwerp waarmee klanken kunnen worden voortgebracht. De bestudering geldt allereerst de bouw en de technische ontwikkeling van het muziekinstrument in de loop der eeuwen, daarnaast ook de speeltechniek en de toepassing in de muzikale praktijk. Dit houdt o.m. in de instrumentatieleer die sinds Berlioz(Traité d'instrumentation et d'orchestration modernes, 1843) onderdeel is van de compositieleer (naast harmonie en contrapunt). In de instrumentatieleer wordt – uitgaande van akoestische onderzoekingen en praktische ervaringen – vooral aandacht besteed aan het aantal en de verhouding van de verschillende instrumenten binnen het orkest. De instrumentatieleer heeft een lange geschiedenis.

Talrijk zijn in de loop der tijden de pogingen geweest om een systematiek van de muziekinstrumenten te ontwerpen. Zo kenden reeds de oude Chinezen een onderscheiding naar het materiaal: metaal (klokken), steen (gong), aardewerk (ocarina), leer of vel (trom), zijde (snaarinstrumenten), hout (kleppers), kalebas (mondorgel) en bamboe (fluit) (zie ook Chinese muziek). In de middeleeuwen treft men in West-Europese traktaten een indeling in drieën aan, welke nog steeds doorwerkt in de indeling van de huidige orkestgroepen, nl. snaarinstrumenten, blaasinstrumenten en slaginstrumenten.

De eerste wetenschappelijke systematiek, gebaseerd op de geluidsleer, werd in 1880 ontworpen door Victor Mahillon, de eerste conservator van het Muziekinstrumentenmuseum te Brussel. Uitgaande van de wijzen van klanktotstandkoming onderscheidde hij de muziekinstrumenten in vier groepen: autofonen (waarbij het gehele instrument zelf in trilling geraakt), membranofonen (waarbij een vel in trilling wordt gebracht), aërofonen (waarbij een luchtkolom in trilling wordt gebracht) en chordofonen (waarbij een snaar in trilling wordt gebracht). Deze indeling, welke overigens een voorbeeld had bij de oude Indiërs, werd in 1914 nader uitgewerkt door E.M. von Hornbostel en C. Sachs , de grondleggers van de hedendaagse organologie. Zij vervingen de term autofonen door idiofonen, om mogelijke associaties met ‘automatische muziekinstrumenten’ te vermijden. Aan de vier categorieën is thans die van de elektrofonen (waarbij elektrische impulsen in trillingen worden omgezet) toegevoegd. Hoewel de indeling van Sachs herhaaldelijk en vaak niet ten onrechte is bekritiseerd, is zij in de praktijk tot op heden de meest bruikbare gebleven.

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum