![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search monodie, (v. Gr. monooidia of monooidè = solo[zang]), stond als term in de Griekse oudheid tegenover koorzang en betekende in de eerste plaats solistisch gezang. In deze betekenis werd het woord ca. 1600 opnieuw gebruikt door de Italianen. In algemene zin echter duidt men tegenwoordig met monodie alle eenstemmig gezang aan als tegenhanger van polyfoon gezang. Men onderscheidt: a. de onbegeleide monodie, waarbij de instrumenten die de zangstem eventueel begeleidden, geen zelfstandige, althans nooit genoteerde, partij speelden; b. de begeleide monodie, waarbij dit wel het geval was. De eerste soort was verbreid in (vermoedelijk) de oudheid en in de middeleeuwen (bijv. in het gregoriaans en de wereldlijke liederen van troubadours e.d.); men treft haar in iets gewijzigde vorm (heterofonie) ook aan in veel volksmuziek buiten Europa. De tweede soort treft men feitelijk aan zodra er meerstemmige werken genoteerd werden waarvan slechts één stem gezongen en de begeleiding instrumentaal gespeeld werd. De ca. 1600 in Italië ontstane nieuwe monodische stijl was bedoeld als navolging van de uitgangspunten van de oude Grieken (G. Caccini) en een reactie op de zuiver vocale polyfonie van de 16de eeuw (Josquin des Prez, Lassus, Palestrina). Uit de monodie ontwikkelde zich het sololied, de solosonate, het soloconcert, enz.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |