![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Moessorgski, ModestEncyclopedieartikel
Moessorgski, Modest, voluit: Modest Petrovitsj Moessorgski (landgoed Karevo, gouv. Pskov, 9 [21] maart 1839 – St.-Petersburg 16 [28] maart 1881), Russisch componist, telg van een adellijke familie, kreeg wat zijn muzikale vorming betreft uitsluitend pianoles. Van 1856 tot 1858 was hij in dienst van een garderegiment in St.-Petersburg. Hij kwam in 1857 in contact met Dargomyjski, Cui en Balakirev, welke laatste zijn muzikale mentor werd. Met Balakirev, Cui, Borodin en Rimski-Korssakov vormde hij de componistengroep Het Machtige Hoopje. In 1868–1869 schreef hij zijn hoofdwerk, de opera Boris Godoenov, (op een door hemzelf geschreven libretto, dat ten dele was gebaseerd op Poesjkins drama), die geweigerd werd en pas in een gewijzigde versie (uit 1872) in première ging in het Maria- (thans Kirov-)theater in St.-Petersburg in 1874. Het werk beleefde enkele tientallen opvoeringen, maar werd pas populair in de (zeer ingrijpende) bewerking en orkestratie die Rimski-Korssakov in 1896 maakte en waarin het nadien vrijwel altijd is gespeeld; pas in 1974 is het in New York in Moessorgski's eigen versie voor het eerst opgevoerd. Rimski's versie ligt wat gemakkelijker in het gehoor; Moessorgski's instrumentatie is wat massiever, maar juist de ‘feilen’ die de bewerker heeft weggeretoucheerd, blijken karakteristiek voor de componist. Een op de bestaande originele handschriften gebaseerde versie werd uitgegeven door P.A. Lamm, die het verzamelde werk uitgaf (8 dln., 1929–1934). De eerste wetenschappelijk verantwoorde uitgave van Moessorgski's Boris kwam tot stand onder redactie van D. Lloyd-Jones (2 dln., 1975). Ongeveer tegelijkertijd met de opera componeerde Moessorgski zijn beroemde liederencyclussen en begon daarna aan verscheidene andere werken, maar zijn creativiteit en zijn gestel werden ondermijnd door alcoholmisbruik en een aantal van zijn werken is na zijn dood door anderen bewerkt. De waarheid van uitdrukking ging Moessorgski boven de schoonheid van vorm. Voor zijn stijl zijn karakteristiek de regelrecht naar een dramatisch hoogtepunt leidende opbouw, de expressionistische en gewaagde harmonie, het gebruik van programmatische en muziekdramatische middelen, het laatstgenoemde ook in vormen als het lied met pianobegeleiding. Zijn oeuvre draagt onmiskenbaar een Russisch-nationaal stempel; dit komt tot uiting in eigenaardigheden van ritme en harmonie (bijv. onstabiele tonaliteit). Met name Debussy onderging zijn invloed. WERK: Orkest: Scherzo (1858); Alla marcia notturna (1861); Notsj na lisoj gore (= Een nacht op de kale berg, 1861–1867; bew. d. Rimski-Korssakov, 1886); Intermezzo symphonique in modo classico (1867); Podibrad (1867; symf. gedicht). – Piano: o.a. Kartinki s vystavki (= Schilderijententoonstelling, 1874; geïnstr. d. Ravel); Une larme (1880); bewerkingen van wrk. van Beethoven, Glinka, Berlioz e.a. – Opera: Salambô (1863–1866; Flaubert; ten dele gepubl.); Zjenitba (= Het huwelijk, 1868; Gogol; geïnstr. d. versch. componisten, volt. d. Ippolitov-Ivanov, 1931); Boris Godoenov (Keramsin, n. Poesjkin; 1ste versie 1868–1869; 2de versie 1871–1872; geïnstr. d. Rimski-Korssakov, 1896; geïnstr. d. Sjostakovitsj, 1939–1940); Chovansjtsjina (1872–1880; volt. en geïnstr. d. o.a. Rimski-Korssakov, 1886); Sorotsjinskaja jarmarka (= De jaarmarkt van Sorotsjinski, 1874–1880; Gogol; bew. d. versch. componisten; prem. 1913). – 47 liederen en de cyclussen: Detskaja (= De kinderkamer, 1868–1872; Moessorgski), Bez solntsa (= Zonder zon, 1874; Golenisjtsjev-Koetoesov), Pesni i pljaski Smerti (= Liederen en dansen van de dood, 1875–1877; idem). UITG: J. Leyda en S. Bertensson, The Mussorgsky reader: a life of M.P. Mussorgsky in letters and documents (1947; nw. uitg. 1970); Briefe, d. D. Lehmann (1984; Duitse vert.).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |