Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Milhaud, DariusEncyclopedieartikel
Milhaud, Darius (Aix-en-Provence 4 sept. 1892 – Genève 22 juni 1974), Frans componist, werd op elfjarige leeftijd toegelaten tot het conservatorium te Parijs, waar hij o.a. bij Berthelier (viool), Dukas (orkestratie), X. Leroux (harmonie), A. Gédalge (contrapunt) en d’Indy (compositie) studeerde. Van 1916 tot 1918 verbleef hij in Brazilië als secretaris van de toenmalige Franse gezant, de dichter Paul Claudel. Vele van zijn composities uit deze jaren en vlak daarna vertonen de invloed van de Zuid-Amerikaanse folklore, zoals bijv. het ballet Le bœuf sur le toit (1919). Zijn naam als componist werd in 1919 gevestigd door de lancering van de Groupe des Six, waarvan hij deel uitmaakte. Na een periode van concertreizen door Amerika en Europa vestigde Milhaud zich in 1940 in de Verenigde Staten, waar hij in Oakland (Calif.) compositie doceerde. In 1947 werd hij benoemd tot hoofdleraar compositie aan het Parijse Conservatorium, en in 1956 tot president van de Académie du Disque Français. Milhaud, wiens oeuvre ruim 600 composities omvat, was een der meest productieve componisten van de 20ste eeuw. Zijn werk strekt zich uit over vrijwel alle genres, vanaf de ‘grand-opéra’, (zie opera), en toneelmuziek bij Griekse tragedies tot en met de meest banale liedzettingen, waaronder die van een catalogus van landbouwwerktuigen en bloemzaden. De keus van dergelijke ver uiteen liggende onderwerpen is typerend voor zijn gemakkelijke trant van componeren. Naast de invloeden van Latijns-Amerika hebben de jazz en de Afro-Amerikaanse muziek zich laten gelden in de behandeling van ritme en instrumentatie. In harmonisch opzicht had Milhaud een sterke voorkeur voor het gelijktijdig gebruiken van twee of meer toonaarden (zie bitonaliteit en polytonaliteit), waardoor echter zijn muziek soms een wat stereotiep karakter krijgt. Zijn soevereine beheersing van het contrapunt komt het beste tot uitdrukking in zijn 14de en 15de strijkkwartet, welke zowel afzonderlijk als ook gelijktijdig als octet gespeeld kunnen worden. WERK: (behalve het genoemde): Orkestmuz.: 2 symf. suites (1913–1914; 1919); 5 symfonieën v. klein orkest (1917–1923); Le carnaval d'Aix (1926; v. piano en ork.); 3 vioolconcerten (1927; 1946; 1958); 2 altvioolconcerten (1929; 1954); 2 celloconcerten (1934; 1945); 5 pianoconcerten (1933–1955); Suite provençale (1936); 12 symfonieën (1939–1962); concert v. 2 piano's en ork. (1941); Suite française (1944); Suite campagnarde (1953); Suite cisalpine (1954; v. cello en ork.); Aspen serenade (1962); Musique pour Lisbonne (1968). – Kamermuziek: 18 strijkkwartetten (1912–1951); blaaskwintet La cheminée du roi René (1939); pianokwintet (1951); 3 strijkkwintetten (1952; 1953; 1956). – Pianomuziek: Saudades do Brasil (1920–1921); 3 Rag caprices (1922); Scaramouche (1937; v. 2 piano's); Paris (1948; suite v. 4 piano's). – Balletten: L'homme et son désir (1918); La création du monde (1923); Salade (1924); Le train bleu (1924); ‘adame Miroir (1948); Les rêves de Jacob (1949). – Opera: La brebis égarée (1910–1914; P. 1923; F. Jammes); Les malheurs d’Orphée (1924; P. 1925; A. Lumel); Esther de Carpentras (1925; P. 1938; A. Lunel); Le pauvre Matelot (1926; P. 1927; Cocteau); Trois opéras minutes (1927); Christophe Colomb (1928; P. 1930; P. Claudel); Maximilien (1930; P. 1932; F. Werfel en A. Lunel); Medée (1938; P. 1939; M. Milhaud); Bolivar (1943;P. 1950; J. Supervielle en M. Milhaud); David (1952; P. 1954); Fiesta (1958; B. Vian); Saint Louis (1970; P. 1972). – Toneelmuziek: bij Claudels vert. van Aeschylus' Oresteia: Agamemnon, Les Coëphores, Les Eumenides (1913–1925), bij diens Protée (1913–1919; 2de versie 1955) en L’annonce faite à Marie (1932; 2de versie 1942). – Cantates: Le retour de l'enfant prodigue (1917; Gide); La mort d’un tyran (1933); Pan et la Syrinx (1934; P. Claudel, de Piis); Cantate de la paix (1937; Claudel); Les deux cités (1937; Claudel); Cantate de la guerre (1940; Claudel); Cantate des proverbes (1951); Cantate de la croix de charité (1959–1960); Hommage à Comenius (1966). – Koorwerken: Psalm 136 (1918); 126 (1921); Les amours de Ronsard (1934); Cantique du Rhône (1936); Trois psaumes de David (1954). – Voorts: liederen. – Geschriften: Études (1927); Notes sans musique (1949; autobiografie, in 1973 bew. tot Ma vie heureuse).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |