Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Midden-Oosten

Resultaten van Windows Live® Search

  • Projecten Midden-Oosten

    Open Doors Op de bres voor vervolgde christenen ... Hier bent u: Home > Ons werk > Midden-Oosten . Projecten Midden-Oosten

  • Midden-Oosten - Wikipedia

    Het Midden-Oosten is een historische en politieke regio van Afrika-Eurazië met vage grenzen. De term werd populair rond 1900 in het Verenigd Koninkrijk; het heeft een flexibele ...

  • De Bazaar - Democratisering en Vrijheid in het Midden-Oosten

    Op een Bazaar is alles te koop en wordt alles gezegd. De Bazaar is het plein, de publieke ruimte van het Midden-Oosten. Zo ook de Bazaar van 5 maart en 2 april. Bazaar neemt ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 4 van 4

Midden-Oosten

Encyclopedieartikel
Multimedia
Vredesakkoord van het Midden-Oosten, 1993Vredesakkoord van het Midden-Oosten, 1993
Artikeloverzicht

9.1 De tweede Intifadah

De uitvoering van de Oslo-akkoorden leverde echter tal van problemen op en werd door intensieve Amerikaanse bemiddeling nader uitgewerkt in het zogenaamde tweede Oslo-akkoord (september 1995). Op grond daarvan werden de meeste grote Palestijnse steden aan de Palestijnse Nationale Autoriteit o.l.v. Yasser Arafat overgedragen. In januari 1996 volgden de eerste verkiezingen voor een Palestijnse bestuursraad. Inmiddels sloten Israël en Jordanië een officieel vredesverdrag (26 oktober 1994) en deden ook andere Arabische landen voorzichtige toenaderingspogingen tot Israël.

Tegenstanders van beide zijden trachtten ondertussen het vredesproces te verstoren. In februari 1994 richtte een joodse kolonist een bloedbad aan in Hebron. Op 4 november 1995 werd de Israëlische premier Rabin vermoord door een orthodox-joodse student. De islamitisch fundamentalistische Hamasbeweging pleegde voorjaar 1996 een reeks zelfmoordaanslagen op Israëlische stadsbussen. De Israëlische verkiezingen werden vervolgens in mei 1996 gewonnen door Likudleider Benjamin Netanyahu. Onder diens bewind liep het overleg met de Palestijnen vast op o.a. de bouw van joodse nederzettingen en de positie van Jeruzalem.

Ook de onderhandelingen tussen Israël en Syrië werden gestaakt. Veelvuldig kwam het tot gewapende incidenten tussen Israël en de Libanese islamitische beweging Hezbollah.

De Verenigde Staten en de EU beijverden zich om het vredesproces weer op gang te brengen. Tegelijkertijd probeerden de Amerikanen radicale staten in de regio (Iran, Irak, Soedan en Libië) zoveel mogelijk te isoleren, hoewel sinds de verkiezing van president Khatami in Iran (1997) de relaties tussen Iran en de VS enigszins lijken te normaliseren. Na afloop van de Tweede Golfoorlog had Saddam Hussein zich in Irak weten te handhaven, maar was de toekomst van zijn land hoogst onzeker geworden. In de regio vreesden de kleinere Golfstaten voorts een te grote invloed van de islamitische republiek Iran. Deze werd ervan beschuldigd regeringen elders in het Midden-Oosten te willen ondermijnen door steun te verlenen aan islamitische oppositiebewegingen.

In 1997 en 1998 overheersten de zorgen over het volstrekte gebrek aan vooruitgang in het Palestijns-Israëlische vredesproces. De sfeer werd extra vertroebeld doordat Israël doorging met de bouw van nieuwe nederzettingen in bezet gebied, waaronder Oost-Jeruzalem. Een nieuwe poging middels het akkoord van Wye Plantation (1998 en 1999) om het vredesproces weer op gang te krijgen, liepen vast op de nederzettingenpolitiek van premier Bejamin Netanyahu, de problemen over de status van Jeruzalem en het voortdurende terroristische geweld.

Na de uitbreking van de tweede Intifadah (september 2000) kwam het vredesproces geheel tot stilstand en escaleerde de strijd in de bezette gebieden steeds verder. Er ontstond een spiraal van geweld, waarbij Israël Palestijnse leiders liquideerde, en met tanks de Palestijnse gebieden binnenviel en Palestijnse zelfmoordcommando’s van Hamas, de Islamitische Jihad en de aan al-Fatah gelieerde al-Aqsa-brigades acties ondernamen tegen joodse nederzettingen en burgerdoelen in Israël. Verzoeningspogingen en wapenstilstanden konden het geweld niet stoppen en vanaf maart 2002 escaleerde de situatie tot een regelrechte oorlog. Israël herbezette de Palestijnse steden op de Westelijke Jordaanoever en voerde herhaaldelijk grootschalige militaire acties uit in Gaza, waarbij veel Palestijnse burgerslachtoffers vielen. Nadat de infrastructuur van de Palestijnse Nationale Autoriteit systematisch was vernietigd, was de politiek van de Israëlische premier Ariel Sharon er in 2003 vooral op gericht de militaire infrastructuur van Hamas en de Islamitische Jihad te vernietigen. Het Israëlische offensief hiertoe leidde tot een nieuwe golf van zelfmoordaanslagen. De politieke invloed van Arafat was met de vernietiging van zijn hoofdkwartier in Ramallah sterk verminderd. In april 2003 moest Arafat genoegen nemen met een nieuwe Palestijnse regering onder leiding van premier Mahmoud Abbas (Abu Mazen), die nieuwe onderhandelingen moest gaan voeren volgens het recept van de ‘routekaart’ naar vrede onder de paraplu van de VS, EU, Rusland en de VN. Arafats rol was echter nog niet uitgespeeld, zoals Sharon en de Amerikaanse president Bush wensten. Op 6 september bood premier Abbas alweer zijn ontslag aan, o.a. vanwege de tegenwerking die hij ondervond van Arafat. Hij werd op 7 oktober opgevolgd door Ahmed Qurei, ook wel bekend als Abu Ala.

Na een groot Israëlisch legeroffensief om Palestijnse raketbeschietingen op Israëlische doelen vanuit het noorden van de Gazastrook te stoppen, waarbij in een week tijd zo'n tachtig Palestijnse doden vielen en het noordelijke deel van de Gazastrook door het Israëlische leger werd herbezet, liet een woordvoerder van de Israëlische regering begin oktober 2004 weten dat wat Israël betrof de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse staat in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever van de baan was. Het vredesproces werd voor onbepaalde tijd bevroren. Dit betekende ook het eind van de door de VS, de VN, de EU en Rusland opgestelde 'routekaart' naar vrede.

Op 11 november 2004 overleed Arafat. Als leider van de PLO werd hij opgevolgd door Mahmoud Abbas, die in januari 2005 tot nieuwe president van de Palestijnse Nationale Autoriteit werd gekozen. Het bracht geen rust in de regio. Bij verkiezingen in januari 2006 kwam de fundamentalistische beweging Hamas als verrassende overwinnaar tevoorschijn, ten koste van de Fatahpartij. De radicale standpunten van de nieuw gevormde regering leidde tot een boycot van het nieuwe Palestijnse leiderschap door Israël en de westerse staten en tot opdroging van de geldstroom uit het buitenland. In maart 2007 werd een Palestijnse regering van nationale eenheid gevormd na bemiddeling door Saoedi-Arabië, waarna Fatahministers toetraden tot de Hamasregering. Maar de resultaten bleven uit. De internationale hulp aan de Palestijnen werd niet hervat en de gevechten tussen gewapende aanhangers van Hamas en Fatah namen niet af. Hamas en Fatah beschuldigden elkaar van het plegen van een staatsgreep in een situatie die steeds meer trekken ging vertonen van een burgeroorlog.

9.2 Oorlog in Irak

De Iraakse weigering UNSCOM tot enkele paleizen van Saddam Hussein toe te laten leidde, na eerdere Amerikaanse dreiging met geweld, in december 1998 tot operatie Desert Fox, waarin de VS en Groot-Brittannië massale luchtbombardementen op Irak uitvoerden. Saddam Hussein bleef aan de macht en weigerde UNSCOM toe te laten, waarna een militair kat-en-muisspel begon tussen Irak en de Verenigde Staten en Groot-Brittannië dat begin 1999 meermalen dreigde te escaleren. Voorstellen van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië begin 2001 om de sancties zo te wijzigen dat de burgerbevolking zou worden ontzien, werden afgewezen door Rusland en Frankrijk die zich tegen de sancties keerden. Na de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september en de hierop volgende Amerikaanse militaire operatie in Afghanistan, nam ook de Amerikaanse druk op Irak toe. In de State of the Union van president Bush van 29 januari 2002 werd Irak ingedeeld bij de ‘As van het kwaad’ (samen met Iran en Noord-Korea). Bewijzen van banden van het Iraakse regime met al-Qaida werden niet geleverd, maar Washington onderstreepte de potentiële dreiging van Iraakse massavernietigingswapens en stuurde aan op het afzetten van Saddam Hussein (‘regime change’). De Veiligheidsraad aanvaardde op 8 november 2002 unaniem, inclusief Syrië, resolutie 1441 die Irak ‘een laatste kans’ gaf zich van massavernietigingswapens te ontdoen. Bij ‘wezenlijke schending’ (‘material breach’) dreigden ‘ernstige gevolgen’, hetgeen Bush interpreteerde als oorlog. Bagdad stemde in met de resolutie waarna de wapeninspecteurs van UNMOVIC onder leiding van Hans Blix en het Internationaal Atoomenergie Agentschap onder leiding van Mohamed El-Baradei op 27 november hun werk hervatten. Ondertussen voerde Washington de militaire druk op. Op 27 januari 2003 benadrukte Blix in de Veiligheidsraad dat Irak de VN-resoluties die zijn ontwapening eisten niet daadwerkelijk accepteerde. Voor Washington legitimeerde dit militair optreden. Terwijl de tegenstanders van oorlog, onder aanvoering van Frankrijk, Rusland en Duitsland, in Blix’ rapportage argumenten vonden voor de continuering van de wapeninspecties. Uiteindelijk kondigde Bush op 18 maart 2003 een ultimatum af. Irak verwierp het ultimatum en op donderdag 20 maart 03.45 uur begon de oorlog. In eerste instantie ondervonden de troepen van de coalitie hevige tegenstand, maar na twee weken boekten de troepen van de coalitie opmerkelijke successen. In het zuiden werd Basra ingenomen door Britse troepen en Amerikaanse soldaten namen Nassiriya en Najaf in. In het noorden werd door Amerikaanse parachutisten nabij Arbil in autonoom Koerdistan een noordelijk front gestart in samenwerking met Koerdische peshmerga’s van KDP en PUK. Op 9 april 2003 viel Bagdad na de opmerkelijk snelle opmars van het Amerikaanse leger. De gevreesde gruwelen van een stadsoorlog bleven uit en ook de door Washington gevreesde inzet van chemische wapens door Iraakse troepen bleef achterwege. Het omverhalen van een standbeeld van Saddam Hussein op het Fardusplein in Bagdad symboliseerde het einde van het Ba’thregime van Saddam Hussein. Na de inname van Bagdad vielen in snel tempo ook de Iraakse steden in het noorden: Kirkuk, Mosul en ten slotte op 14 april Tikrit, de geboortestad van Saddam Hussein.

Over het lot van Saddam zelf bleef nog een aantal maanden onduidelijkheid bestaan. Hij werd op 13 december 2003 door Amerikaanse militairen in een gat in de grond in de buurt van de stad Tikrit ontdekt en gevangengenomen. Hiermee hadden de Amerikanen de schoppenaas in het kaartspel dat zij maakten van de 55 meest gezochte Irakezen, eindelijk te pakken.

Op 30 juni 2004, twee dagen na de soevereiniteitsoverdracht, droegen de Amerikanen Saddam Hussein en elf van diens naaste medewerkers, onder wie ex-vice-premier en ex-minister van Buitenlandse Zaken Tareq Aziz, over aan de nieuwe Iraakse autoriteiten. Na een langdurig proces werd Saddam Hussein op 30 december 2006 geëxecuteerd.

Daarmee kwam nog geen rust in het land. Bomaanslagen en zelfmoordacties bleven grote aantallen slachtoffers eisen. De bomaanslag in februari 2006 op de Gouden Moskee in Samarra, een van de meest heilige plaatsen voor sjiieten, markeerde een verheviging van de sektarische strijd tussen soennieten en sjiieten en leidde tot een steeds hoger aantal aanslagen en doden, zowel onder de Iraakse burgerbevolking als onder Amerikaanse militairen. Van verschillende kanten werd gewaarschuwd voor een burgeroorlog, met mogelijk ernstige consequenties voor een uiteenvallen van Irak langs etnische lijnen, in twee of drie delen. Volgens sommigen was de burgeroorlog al een feit. De toenemende kritiek op het Irakbeleid van de Amerikaanse regering vertaalde zich in pleidooien voor een vermindering van het aantal Amerikaanse militairen, een versnelde overdracht van veiligheidstaken aan het Iraakse leger en de Iraakse politie, en een politieke dialoog met Iran en Syrië als de vermeende steunpilaren achter het geweld. De kritiek vormde ook een belangrijke verklaring voor de nederlaag van de Republikeinen bij de Amerikaanse Congresverkiezingen in november 2006.

9.3 Oorlog in Zuid-Libanon

De ontvoering van een tweetal Israëlische soldaten door Hezbollahstrijders in het zuiden van Libanon leidde begin juli 2006 tot een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten. Voor Israël gold als belangrijkste doel de uitschakeling van Hezbollah’s infrastructuur om een eind te maken aan de beschietingen met Katjoesjaraketten van Israëlische woongebieden. Op 14 augustus 2006 kwam na 33 dagen strijd een einde aan de oorlog tussen het Israëlische leger en de fundamentalistisch-sjiitische beweging Hezbollah. Dat gebeurde op basis van een resolutie van de Veiligheidsraad van de VN die opriep tot ‘een volledig staken van de vijandelijkheden’, als opmaat voor de ontplooiing in het zuiden van Libanon van het Libanese leger en Unifil, de vredesmacht van de VN, op basis van een nieuw robuust ‘peacekeeping’-mandaat dat de blauwhelmen de bevoegdheid gaf voor het gebruik van geweld. De politieke opdracht van deze gezamenlijke missie was om het zuidelijke deel van het land, tussen de rivier de al-Litani en de grens met Israël, dat jarenlang onder controle had gestaan van Hezbollah, weer onder het gezag van de regering in Beiroet te brengen. In dat verband eiste de Raad met name de ontwapening van Hezbollah.

Algemeen werd de afloop van de oorlog gezien als een overwinning voor Hezbollah, omdat Israël niet geslaagd was in zijn opzet de infrastrucuur voor de beschietingen vanuit Zuid-Libanon te vernietigen. In Israël zelf werd gesproken van de ‘eerste nederlaag’ in de reeks van oorlogen sinds de oprichting van de staat in 1948.

Vorige
| | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum