![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 3 van 4
Midden-OostenEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Term; 2. Gebied; 3. Problematiek; 4. Het Midden-Oosten tot 1949; 5. De periode 1949–1967; 6. De periode 1967–1973; 7. De periode 1973–1980; 8. De periode 1980–1991; 9. Na de Koude Oorlog
De overwinning van Israël in de Zesdaagse Oorlog bracht geen vrede met de Arabische landen. In november 1967 werd in de Verenigde Naties resolutie 242 aangenomen die in de kern neerkwam op onvoorwaardelijke terugtrekking van Israël uit de in 1967 bezette gebieden in ruil voor erkenning van de staat Israël. Binnen de Arabische wereld was uiteindelijk in 1970 alleen Nassers Egypte bereid resolutie 242 te erkennen. Israël eiste van zijn kant directe vredesbesprekingen voordat tot ontruiming van bezet gebied overgegaan zou kunnen worden. Hoewel de Israëlische regering zich officieel niet uitsprak over de toekomst van de bezette gebieden, verzette de publieke opinie in Israël zich steeds meer tegen een teruggave van de oude stad Jeruzalem, de Gazastrook, de westelijke Jordaanoever en de strategisch gelegen Hoogvlakte van Golan. Aan de Israëlisch-Arabische grenzen vond een oplopende reeks van gewapende botsingen en incidenten plaats. Met de nederlaag van de Arabische staten in 1967 besloten de verschillende Palestijnse bevrijdingsorganisaties op eigen kracht te vertrouwen. Dit was het begin van Palestijnse acties tegen Israël en de onafhankelijke koers van Arafats PLO. In 1969 kwamen Nassergezinde officieren door middel van staatsgrepen aan de macht in Soedan en Libië. In augustus 1970 werd een staakt-het-vuren bereikt tussen Egypte, Jordanië en Israël. Het Palestijnse verzet tegen elke vorm van een modus vivendi met Israël leidde in de maand daarop tot een crisis in Jordanië, waarbij de bedoeïenencontingenten in het Jordaanse leger met geweld het Palestijnse verzet in Jordanië braken (Zwarte September). De Palestijnse bases in Jordanië werden ontmanteld en de Palestijnse guerrilla’s beroofd van hun onderdak in Libanon. Een precaire wapenstilstand in Jordanië werd door bemiddeling van Arabische regeringsleiders en vooral door president Nasser bewerkstelligd. Zijn overlijden op 28 september 1970 betekende het verlies van een man die sinds 1952 zijn stempel had gedrukt op de politieke ontwikkelingen in de Arabische wereld en die voor de grote meerderheid van de Arabieren groot prestige genoot. Verscheidene staatsgrepen, zoals van generaal Numeiry in Soedan in mei 1969, van kolonel Muammar al-Kaddafi in Libië in september 1969 en generaal Hafiz al-Assad, die de ‘sterke man’ van het neoba’thistische bewind in Syrië, generaal Salah al-Jadid, ten val bracht (1970), vestigden regimes die het aanzien van deze drie landen in hoge mate bepaalden. Na 1970 waren er diverse besprekingen over mogelijke unificaties en akkoorden in die richting, die evenwel in de praktijk niet functioneerden. Wel gelukte de aaneensluiting van de zes vorstendommen aan de Perzische Golf in december 1971, na veel politieke strubbelingen, tot de Verenigde Arabische Emiraten. De relatie tot Israël bleef het politieke denken en handelen in de Arabische wereld bepalen. In Egypte vooral roerden zich studenten en arbeiders die Nassers opvolger, president Sadat, besluiteloosheid verweten. Sadat brak in 1972 met de Sovjet-Unie en maakte een begin met het verbeteren van de betrekkingen met de Verenigde Staten. Na het drama van München (gijzeling van de Israëlische sportploeg door Palestijnse terroristen tijdens de Olympische Spelen van 1972, waarbij elf Israëliërs om het leven kwamen) volgde echter een voorzichtig herstel van de banden met de Sovjet-Unie. Begin 1973 werd zowel van Arabische als van Israëlische zijde grote diplomatieke activiteit ontplooid teneinde beweging te krijgen in de vastgelopen situatie in het Midden-Oosten. De spanning in het gebied liep in dat jaar sterk op door de geweldplegingen over en weer tussen de Palestijnse bevrijdingsorganisaties en Israël (o.m. aanvallen op Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon), alsmede door de gewapende incidenten tussen Israël en Syrië. Op 6 oktober – in Israël Grote Verzoendag, Jom Kippoer – gingen de Egyptische en Syrische strijdkrachten tot de aanval over, resp. op het door Israël bezette grondgebied ten oosten van het Suezkanaal en op de Golanhoogvlakte (Jom Kippoeroorlog of Oktoberoorlog). De verraste Israëlische legerleiding moest het initiatief en de successen aanvankelijk laten aan Syrië en Egypte, die gesteund werden door een aantal Arabische landen. Later wist Israël o.m. het derde Egyptische leger bij het Suezkanaal in te sluiten. Onder druk van de Verenigde Staten werd op 22 oktober een bestand geëffectueerd. VN-militairen kwamen naar het Midden-Oosten om op het bestand toe te zien. Tijdens de oorlog voerden de Arabische oliestaten hun in de loop van het jaar geuite dreigement uit dat ze hun olieproductie zouden verminderen, indien de olieconsumerende landen hun pro-Israëlische houding niet zouden wijzigen. Bovendien hanteerden ze ten aanzien van o.m. Nederland en de Verenigde Staten het middel van de olieboycot.
Hoewel in december 1973 te Genève begonnen vredesbesprekingen tussen Israël, Egypte, Jordanië, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie (Syrië boycotte het overleg) zonder resultaat bleven en werden opgeschort, leidde intensief bemiddelingswerk door de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger ten slotte tot afzonderlijke Israëlisch-Egyptische en Israëlisch-Syrische troepenscheidingsakkoorden, die telkens tijdig werden verlengd. Op 5 juni 1975 kon Egypte het Suezkanaal heropenen. De machtsverhoudingen in het Midden-Oosten bleken echter door de Oktoberoorlog ingrijpend gewijzigd. Zware Amerikaanse druk op Israël resulteerde in september 1975 in een Egyptisch-Israëlische deelovereenkomst, volgens welke Israël zijn troepen verder ten oosten van het Suezkanaal terugtrok en o.m. de in 1967 veroverde olievelden bij Aboe Rodeis prijsgaf. Egyptes steeds verdere toenadering tot de Verenigde Staten en verzoenende houding tegenover Israël ontmoetten in de Arabische wereld felle kritiek. De politieke situatie van de Palestijnen leek zich inmiddels gunstig te hebben ontwikkeld. De PLO was op Arabische topconferenties te Algiers (1973) en Rabat (1974) als enige vertegenwoordiger van de Palestijnen erkend en voerde bij monde van haar voorzitter Yasser Arafat het woord in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (november 1974). De acties van de (sedert de Jordaanse burgeroorlog) vnl. vanuit Zuid-Libanon opererende Palestijnse guerrillero's tegen Israël, de Israëlische vergeldingsacties op Libanees grondgebied en de onmacht van de Libanese regering tegen de Palestijnen op te treden waren aanleidingen voor een verwoestende burgeroorlog in Libanon. Andere oorzaken waren de politieke corruptie en de achtergestelde positie van de Libanese sjiieten, de grootste confessionele groep in Libanon. Door de Libanese burgeroorlog werd niet alleen het bestaan der Palestijnen andermaal ernstig bedreigd, maar werd ook het probleem van de tegenstellingen binnen de Arabische wereld als geheel, en speciaal tussen Syrië enerzijds en resp. Irak, Egypte en de Palestijnen anderzijds, opnieuw acuut, vooral na het Syrische militaire ingrijpen in de burgeroorlog (mei 1976). Ook Israëls bemoeienis met de Libanese kwestie werd steeds intensiever. Onder druk van de Arabische Liga en vooral van Saoedi-Arabië keerde de rust in Libanon in 1977 enigszins weer, al bleven de politieke, confessionele en sociale tegenstellingen er uiterst scherp en was regelmatig van gewapende botsingen en van geweldpleging sprake. Syrië verzoende zich met Egypte en de Palestijnen, en de Syrische troepen in Libanon gingen – veruit het grootste – deel uitmaken van een inter-Arabische ‘vredesmacht’ aldaar. Na een Israëlische invasie in Libanon in maart 1978 werd in Zuid-Libanon een VN-troepenmacht (UNIFIL) gelegerd. Bij de Palestijnen werden inmiddels in gematigde kring geluiden gehoord als zou men bereid zijn om, in ruil voor de oprichting van een Palestijnse staat op de door Israël bezette westelijke Jordaanoever, over te gaan tot erkenning van de staat Israël – een standpunt dat leek te worden gedeeld door gematigde staten als Saoedi-Arabië en Egypte. Terwijl de meeste Arabische regeringen zich vooralsnog niet duidelijk wensten uit te spreken, gaven evenwel Irak en Libië hun steun aan radicalere Palestijnse groepen, die erkenning van de joodse staat pertinent bleven afwijzen. Een initiatief van de Egyptische president Sadat, die in november 1977 naar Jeruzalem reisde met het doel de impasse in het overleg met Israël te doorbreken, werd echter door vrijwel de gehele Arabische wereld scherp afgekeurd, ondanks Sadats nadruk op de Arabische eis van teruggave van de door Israël bezette gebieden en op de rechten van de Palestijnen. Een nieuwe impasse werd, althans wat Israël en Egypte betreft, mede voorkomen door grote druk van de Verenigde Staten op de conservatieve regering van de Israëlische premier Menachem Begin (besprekingen te Camp David, zie Camp David-akkoorden), en ten slotte werd op 26 maart 1979 te Washington een afzonderlijk vredesakkoord tussen Egypte en Israël, waaraan de Verenigde Staten als derde partner deelnamen. Egypte raakte hierdoor binnen de Arabische wereld geïsoleerd; bovendien bleven bij de tenuitvoerlegging van het verdrag interpretatieverschillen. De val van het regime van de sjah en de terugkeer uit ballingschap van de Iraanse geestelijke leider, de ayatollah Khomeiny, begin 1979, alsmede de uitroeping van de islamitische republiek in Iran, creëerden een nieuwe factor van politieke betekenis: de politieke islam. De politieke betekenis van het islamitische fundamentalisme, het propageren en nastreven van een terugkeer van de samenleving naar de ‘zuivere islamitische waarden’, groeide snel, mede door het succes van de islamitische revolutie in Iran. Bijna overal in het Midden-Oosten groeiden het prestige en de aanhang van fundamentalistische bewegingen, die het politieke spectrum in toenemende mate bepaalden. In Iran zelf betekende de islamitische revolutie een islamisering van de Iraanse maatschappij, die vooral ten koste ging van de positie van vrouwen en minderheden. In de Iraanse grondwet was een invloedrijke positie van de moslimse geestelijkheid ingeruimd.
Iran had in 1971 enkele strategische eilandjes van de VAE in de Perzische Golf bezet. In 1975 had Irak een grensverdrag met Iran gesloten. Iran staakte zijn hulp aan opstandige Koerden in Irak en beide landen zouden de grensrivier Shatt al Arab kunnen gebruiken. Na de val van de sjah betreurde Irak de aan de sjah gedane concessies en viel na een felle propagandaoorlog van enkele maanden zijn militair verzwakt geachte buurland in september 1980 aan. Na enkele snelle Iraakse successen concentreerde de strijd zich te land in en rond de Iraanse oliehavens aan de Perzische Golf. De voor de energievoorziening van het Westen cruciale Straat van Hormuz werd door beide oorlogvoerende partijen voorlopig gegarandeerd, onder de voorwaarde dat buitenlandse militaire inmenging in de strijd zou uitblijven. Terwijl de strijd aan het front vastliep in een uitzichtloze stellingenoorlog, gingen Iran en Irak ertoe over elkaars steden met raketten te bestoken. De oorlog kreeg gevaarlijke internationale dimensies toen Irak Iraanse olietankers in de Perzische Golf ging aanvallen en Iran reageerde met beschietingen van olietankers van Koeweit en andere landen, die Irak steunden. Op 20 juli 1987 eiste VN-resolutie 598 beëindiging van de Iraaks-Iraanse oorlog. Pas nadat de Verenigde Staten enige strafacties tegen Iran hadden ondernomen en Irak begin 1988 een succesvol offensief was begonnen, toonde Teheran zich bereid een bestand te aanvaarden en werd de oorlog gestaakt (25 augustus 1988) (zie voorts Eerste Golfoorlog). De Palestijnse kwestie leek aan het begin van de jaren tachtig verder van een oplossing verwijderd dan ooit tevoren. Na het vredesverdrag met Egypte (maart 1979) toonde de Israëlische Likudregering zich niet genegen tot verdere concessies aan de Arabische wereld. In juli 1980 verklaarde zij Jeruzalem tot ondeelbare hoofdstad van Israël en in december 1981 annexeerde zij de Hoogvlakte van Golan. In juni 1981 had de Israëlische luchtmacht een bombardement uitgevoerd op een Iraakse kernreactor. Terzelfder tijd namen de spanningen tussen Israël en de Palestijnen in Libanon toe, terwijl Syrië raketten plaatste in de Libanese Beka’avallei. Op 6 juni 1982 viel het Israëlische leger Libanon binnen in de operatie Vrede voor Galilea. Tijdens de oorlog werd de PLO uit geheel Zuid-Libanon verdreven en werden de Syrische raketten uitgeschakeld. Van 13 juni tot 1 september 1982 belegerden de Israëlische strijdkrachten West-Beiroet, waar de PLO-strijders zich hadden verschanst. Door Amerikaanse bemiddeling werd eind augustus de aftocht van de PLO-strijders bereikt. De PLO vestigde daarna haar hoofdkwartier in Tunis. Nadat in september 1982 met Israël verbonden Libanese milities een bloedbad hadden aangericht in Palestijnse vluchtelingenkampen, Sabra en Shatila, in Beiroet, hield een multinationale strijdmacht (Amerikanen, Britten, Fransen en Italianen) toezicht in de Libanese hoofdstad. Deze werd, evenals het Israëlische leger in Zuid-Libanon, steeds vaker doelwit van radicale (vaak sjiitische) groepen. Na een reeks bloedige aanslagen in oktober 1983 besloot de multinationale troepenmacht zich uit Libanon terug te trekken. Vervolgens ontruimde ook Israël het grootste deel van bezet Libanon, maar hield een strook van Zuid-Libanon permanent bezet. De burgeroorlog tussen de diverse milities laaide weer op. Syrië maakte inmiddels eind 1983 een eind aan de laatste zelfstandige machtsbases van Arafat in Libanon. In september 1982 kwam de Amerikaanse president Ronald Reagan met een vredesplan dat Palestijnse autonomie in de bezette gebieden voorstelde in associatie met Jordanië (de Jordaanse optie). Het plan werd door zowel Israël als de Arabische wereld afgewezen. Op een Arabische topconferentie in Fès (Marokko) toonden de Arabische staten en de PLO zich bereid tot erkenning van Israël binnen de grenzen van 1967 op voorwaarde van de vorming van een Palestijnse staat in de bezette gebieden. De uitschakeling van de PLO als militaire factor alsmede de grote verdeeldheid binnen de Arabische wereld (Egypte was in 1979 uit de Arabische Liga getreden, Syrië steunde Iran in de oorlog tegen Irak en bestreed de PLO van Arafat in Libanon) deden de Palestijnse kwestie tot 1987 weer wat naar de achtergrond verdwijnen. In december 1987 brak in de door Israël bezette gebieden de Palestijnse opstand (Intifadah) uit. Deze vormde de aanleiding voor nieuwe vredesinspanningen inzake het Palestijns-Israëlische conflict. In november 1988 verklaarde de PLO VN-resolutie 242 van 1967 en daarmee het bestaansrecht van Israël te aanvaarden. Toen in december vervolgens Arafat het terrorisme afzwoer, opende dit de weg voor een dialoog tussen de Verenigde Staten en de PLO. Amerikaanse pogingen om onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen op gang te brengen stuitten echter af op Israëlische eisen ten aanzien van de samenstelling van de Palestijnse delegatie en verdeeldheid in Israël zelf. Pogingen van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker om de impasse te doorbreken, leidden in maart 1990 tot een kabinetscrisis in Israël. Een Palestijnse terreuractie in Israël leidde in juni 1990 tot het afbreken van de dialoog tussen de Verenigde Staten en de PLO.
Omstreeks diezelfde tijd begon een nieuwe crisis in het gebied van de Perzische Golf (‘Golfcrisis’) met een reeks financiële en territoriale eisen, die Irak aan Koeweit stelde. De bezetting van het emiraat door Irak op 2 augustus 1990 en de daaropvolgende annexatie brachten opnieuw grote verdeeldheid in de Arabische wereld teweeg. Saoedi-Arabië riep Amerikaanse troepen te hulp, terwijl ook andere landen (waaronder Egypte, Syrië, Marokko, Groot-Brittannië en Frankrijk) troepen stuurden. Op 17 januari 1991 begon de anti-Iraakse coalitie massale luchtaanvallen op Irak en tijdens een kort grondoffensief (24–28 februari) werd Koeweit vervolgens bevrijd. Irak moest de bestandsvoorwaarden accepteren zoals die in VN-resolutie 687 van 3 april werden neergelegd. Deze behelsden o.a. een gedemilitariseerde zone, beheerd door VN-waarnemers (UNIKOM), internationaal toezicht op de vernietiging van Iraakse massavernietigingswapens (UNSCOM) en schadevergoeding door Irak. In de nasleep van de oorlog braken in Irak onder de sjiieten en de Koerden opstanden uit, die door het bewind van Saddam Hussein bloedig werden onderdrukt. Een internationale troepenmacht stelde daarop een beschermde zone in Noord-Irak in. (Zie voorts Tweede Golfoorlog.)
Het einde van de Koude Oorlog en daarmee van de Amerikaans-Sovjet-Russische wedijver had belangrijke gevolgen voor het Midden-Oosten. Tijdens de Golfcrisis leidde dit tot opmerkelijke eensgezindheid binnen de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Na afloop van de Tweede Golfoorlog beijverden beide grootmachten zich voor het bijeenroepen van een vredesconferentie over het Arabisch-Israëlische conflict. Moskou stond de emigratie van Russische joden toe en wilde de betrekkingen met Israël herstellen. Tegelijk had het zijn bondgenoot Syrië laten weten dat het zijn streven naar militaire pariteit met Israël wenste te staken. Syrië zocht daarop (o.a. tijdens de Golfcrisis) toenadering tot de Verenigde Staten. Het kon daardoor in 1990 en 1991 zijn invloed in Libanon uitbreiden. Tijdens de Golfcrisis ging Irak akkoord met alle Iraanse vredesvoorwaarden uit de oorlog van 1980–1988, waardoor het in de Tweede Golfoorlog strikt neutrale Iran zijn positie wist te versterken. De PLO, die tijdens de Golfcrisis de zijde van Bagdad had gekozen, had ernstig prestigeverlies geleden en leek aanvankelijk bij plannen een vredesconferentie bijeen te roepen buitenspel te staan. Egypte, in 1987 al teruggekeerd in de Arabische wereld, zag zijn positie als grootste Arabische land versterkt. De vredesconferentie kwam er ten slotte, mede dankzij de doortastende pendeldiplomatie van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker. Op 30 oktober 1991 begonnen onder leiding van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in Madrid de delegaties van Israël, Egypte, Jordanië (waarin opgenomen een delegatie van de Palestijnen, niét van de PLO), Syrië en Libanon aan de eerste ronde van de vredesbesprekingen. Een tweede ronde, van bilaterale besprekingen, waarin de grenskwesties tussen Israël en zijn buurlanden aan de orde kwamen, ging op 4 december 1991 in Washington van start. De bilaterale onderhandelingen tussen Israël en de Arabische buurlanden verliepen uiterst moeizaam. Nadat in 1992 in Israël de Arbeidspartij onder Jitschak Rabin weer aan de regering was gekomen, begonnen geheime onderhandelingen tussen Israël en de PLO o.a. in Oslo. Deze leidden tot een beginselakkoord, waarbij beide partijen elkaar erkenden en de Palestijnen zelfbestuur kregen, te beginnen in Jericho en de Gazastrook. Het akkoord werd op 13 september 1993 in Washington getekend.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |