![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 4
Midden-OostenEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Term; 2. Gebied; 3. Problematiek; 4. Het Midden-Oosten tot 1949; 5. De periode 1949–1967; 6. De periode 1967–1973; 7. De periode 1973–1980; 8. De periode 1980–1991; 9. Na de Koude Oorlog
Het einde van de Eerste Wereldoorlog bracht tevens het einde van het Turkse gezag over de Arabische ‘Vruchtbare Maansikkel’. Egypte was sinds 1880 een Brits protectoraat, Libië sinds 1912 een Italiaanse kolonie, en de Maghreb stond onder Franse heerschappij. De vredesregeling van 1920 vestigde een Frans mandaat over Libanon en Syrië en een Brits mandaat over Irak, Palestina en Transjordanië. De teleurstelling van de Arabieren over het feit dat de vredesregeling hun niet de door Groot-Brittannië in 1916 beloofde en krachtens het door president Woodrow Wilson van de Verenigde Staten gepropageerde zelfbeschikkingsrecht van de volkeren verwachte onafhankelijkheid bracht, uitte zich in een steeds feller wordend panarabisch nationalisme (zie panarabisme). Dit richtte zich tegen het westerse bestuur, tegen de verdeling van de Arabische wereld en tegen de openstelling van Palestina, krachtens de Balfourdeclaratie van 2 november 1917, voor immigratie van joden. Sinds het einde van de 19de eeuw was het zionisme de drijfveer voor vele joden in de westerse wereld om zich naar Palestina te begeven, en de vestiging van het nationaalsocialistische regime in Duitsland verhoogde in de jaren dertig het aantal joden dat in Palestina een toevluchtsoord zocht. Het einde van de Tweede Wereldoorlog bewerkstelligde het vertrek van de westerse mandaatbestuurders. In Palestina werd het Britse mandaat formeel pas op 15 mei 1948 beëindigd door de stichting van de joodse staat Israël. In de direct daarop uitbrekende oorlog tussen Israël en de Arabische landen behaalde Israël een zodanige overwinning dat het grondgebied uiteindelijk groter werd dan het VN-verdelingsplan uit 1947. Veel Palestijnse families waren gevlucht en kwamen in vluchtelingenkampen in naburige Arabische staten terecht. Een deel van het Palestijnse gebied bleef behouden en werd in 1949 met Transjordanië verenigd tot het koninkrijk Jordanië. Egypte hield een smalle kuststrook met de stad Gaza bezet.
Tot 1955 stond het Midden-Oosten onder controle van de westelijke Grote Drie, die met elkaar wedijverden om een zo groot mogelijke invloedssfeer in het gebied te verkrijgen. In de Driemogendhedenverklaring van mei 1950 hadden zij zich bovendien opgeworpen als ordebewaarders in dat gebied en zich tot taak gesteld de vrede en het bewapeningsevenwicht tussen Israël en de Arabische staten te handhaven. De Sovjet-Unie ontplooide tot 1955 hoegenaamd geen politieke activiteiten ten aanzien van het Midden-Oosten. Een verandering hierin kwam met de aan Amerikaans-Brits initiatief ontsproten oprichting van het Bagdadpact in 1955 (zie Centrale Verdragsorganisatie, CENVO). Behalve Groot-Brittannië en, op meer informele wijze, de Verenigde Staten, traden tot dit naar het model van de NAVO en de SEATO ontworpen verdedigingsstelsel voor het Midden-Oosten toe: Turkije, Iran, Pakistan en, als enige Arabische staat, Irak. Het Egypte van Nasser veroordeelde het pact ten scherpste en reageerde er o.m. op door een wapenovereenkomst met Tsjechoslowakije te sluiten, die aan de politieke monopoliepositie van de westelijke Grote Drie in het Midden-Oosten een einde maakte. Een escalatie van politieke spanningen volgde hierop, die zich ontlaadde in de Suezcrisis van 1956. Hierna kon de aanwezigheid van de Sovjet-Unie in het Midden-Oosten niet meer worden weggedacht. De Amerikaanse politiek richtte zich op het verlenen van militaire en financiële steun aan de bondgenoten Turkije, Iran en Pakistan (Irak trad na de val van de monarchie in juli 1958 het daaropvolgende jaar uit het Bagdadpact). Voorts verleenden de Verenigde Staten militaire en financiële steun aan Israël en aan conservatief geregeerde Arabische landen: Saoedi-Arabië, Jordanië en Libië. De Sovjet-Unie steunde de zgn. progressieve Arabische landen: Egypte, Irak na 1958 en Syrië na 1962. Tijdens het bewind van president John F. Kennedy werd voor het eerst door het Westen een succesvolle poging gedaan om met de radicale regimes in de Arabische wereld tot een goede verstandhouding te komen. Met name ontstond een vriendschappelijke relatie tussen Kennedy en de Egyptische president Nasser en men sprak in die periode zelfs van de ‘as Washington-Caïro’. Deze as overleefde echter de dood van Kennedy (1963) niet. De Sovjet-Unie herwon de vriendschap met Egypte en zette vanaf 1965 zelfs met succes een vriendschapsoffensief in ten aanzien van de bondgenoten van het Westen: Turkije, Iran en Pakistan. Sinds 1963 bood inmiddels ook de Volksrepubliek China o.a. militaire hulp aan o.a. Palestijnse bevrijdingsorganisaties. Ook Frankrijk beijverde zich om afzetmarkten voor zijn wapenindustrie in de Arabische wereld te verkrijgen.
De vrees voor een dreigend machtsvacuüm in het gebied van de Perzische Golf met zijn rijke voorraden aan aardolie, ten gevolge van het in 1965 aangekondigde vertrek (tegen het begin van de jaren zeventig) van de daar nog gestationeerde Britse troepen, leidde eind 1965 tot het Islamitische Alliantieplan. Dit onder Amerikaans-Britse auspiciën door de Saoedische koning Faisal gelanceerde plan beoogde de oprichting van een grote alliantie van islamitische staten, als een soort ‘derde macht’ tussen westerse en communistische landen, waarvan de Saoedische vorst als ‘Hoeder van de heilige plaatsen van de islam’, de spil zou worden. De opzet van dit plan was tevens de Arabische landen die werden geregeerd door zich socialistisch noemende regimes, onder welke in de eerste plaats Egypte, zoveel mogelijk politiek te isoleren. De Sovjetpremier Alexej Kosygin drong er tijdens een bezoek aan Egypte in mei 1966 op aan een blok van progressieve Arabische staten te vormen. In november van dat jaar sloten Egypte en Syrië een verdrag van wederzijdse bijstand als een eerste stap tot zo’n blok. De Syrische regering zag in dit verdrag echter in de eerste plaats een vrijbrief om de spanning aan de grens met Israël op te voeren en vermeerderde de faciliteiten aan Palestijnse organisaties om overvallen op Israëlisch grondgebied uit te voeren. In dit beleid van de regering in Damascus lag een belangrijke factor voor het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog of Junioorlog in 1967.
De vestiging van de staat Israël deed een hardnekkige Israëlisch-Arabische spanning ontstaan. De intensiteit van deze spanning werd nog verhoogd door twee factoren, nl. door het bestaan van ca. 800 000 Palestijnse vluchtelingen, in kampen ondergebracht op het grondgebied van de verschillende Arabische buurlanden, en door voortdurende grensincidenten. Eind oktober 1956 viel Israël, na geheim overleg met Frankrijk en Groot-Brittannië, Egypte aan en bezette het gehele Sinaïgebied. Onder sterke Amerikaanse druk moest het dit gebied het jaar daarop weer ontruimen. Aan de Egyptische kant van de grens met Israël werd een troepenmacht van de Verenigde Naties gelegerd, waardoor er gedurende de tien daaropvolgende jaren rust aan deze grens heerste. Het besluit van Israël, eind 1963 genomen, om water uit de Jordaan te betrekken voor bevloeiingswerken, lokte heftige Arabische reacties uit. Dank zij het optreden van Egyptes president Nasser kwam het niet tot een oorlog. Een escalatie van spanningen aan de Syrisch-Israëlische grens vanaf november 1966 leidde in mei 1967 tot een Syrisch verzoek om Egyptische steun. Egypte eiste en verkreeg de terugtrekking van de VN-troepen. Het sloot vervolgens de Straat van Tiran af voor Israëlische schepen. Israël beschouwde deze afsluiting als een casus belli en viel op 5 juni de Arabische buurlanden Egypte, Jordanië en Syrië aan (Zesdaagse Oorlog of Junioorlog). In een week tijds bezette het de westelijke oever van de Jordaan met het oude stadsgedeelte van Jeruzalem, de Gazastrook, het Sinaïgebied tot aan het Suezkanaal en de Syrische Hoogvlakte van Golan. Wat de verhouding van de Arabische landen met Turkije en Iran betreft, was er een geleidelijke verbetering in de Turks-Arabische betrekkingen sinds de jaren zestig en een steeds scherper wordend grensconflict tussen Irak en Iran. De aangekondigde terugtrekking van de Britse troepen uit het gebied van de Perzische Golf deed bij Iran een streven ontstaan om in dit gebied de dominante macht te worden. Dit streven van de sjah werd echter bestreden door zowel Irak als Saoedi-Arabië.
Na 1945 werd het panarabisme de heersende ideologie in de Arabische wereld. Zijn belangrijkste politieke doelstelling is de vestiging van de Arabische eenheid. De oprichting op 22 maart 1945 van de Arabische Liga werd als een eerste stap in die richting begroet. Sindsdien hebben zich echter voortdurend inter-Arabische tegenstellingen voorgedaan. Tot 1952 waren het vooral dynastieke geschillen en de rivaliteit om het leiderschap in de Arabische wereld, m.n. tussen Irak en Egypte, die aan deze tegenstellingen ten grondslag lagen. Na de militaire staatsgreep in Egypte op 22 juli 1952, die kolonel Nasser aan de macht bracht, ontstonden nieuwe, meer ideologische tegenstellingen in de Arabische wereld. Het zgn. Arabische socialisme werd de ideologische basis voor het bewind van Nasser. Zijn interpretatie van dit socialisme verschilde in bepaalde opzichten van die van de reeds sinds 1940 bestaande Ba’thpartij, die vooral in Syrië haar bolwerk had. Nasser en de Ba’th beschikten in de gehele Arabische wereld over aanhangers, die gemakshalve kunnen worden aangeduid als nasseristen en ba’thisten. Tussen hen bestond geen verschil van inzicht over de wenselijkheid van de Arabische eenheid. Onder druk van de Ba’th werd in februari 1958 de Syrisch-Egyptische Unie gesloten. In datzelfde jaar, op 14 juli, brachten militairen onder leiding van generaal Abdoel Kassem in Irak de monarchie ten val. Tussen republikeins Irak en nasseristisch Egypte bleven echter meningsverschillen bestaan, terwijl reeds in september 1961 de Syrisch-Egyptische Unie uiteenviel. In februari en maart 1963 brachten nieuwe staatsgrepen in resp. Irak en Syrië de Ba’th in het zadel. Tussen nasseristen en Ba’thisten heerste echter een groot onderling wantrouwen, waardoor een unie tussen Egypte, Irak en Syrië niet tot stand kon komen. Vanaf die tijd werden de inter-Arabische betrekkingen beheerst door twee ideologisch bepaalde vormen van tegenstellingen. Allereerst bestond er vijandschap tussen de zich progressief noemende Arabische landen (Egypte, Syrië en Irak) en die staten die door conservatieve bewindhebbers (Saoedi-Arabië, Jordanië, de sjeikdommen) werden geregeerd. De progressieve bewindvoerders beklemtoonden het Arabische socialisme en streefden naar een nieuwe maatschappelijke orde voor de gehele Arabische wereld. Tegen dit revolutionaire panarabisme werd vooral van de kant van de Saoedische koning de islam benadrukt. De interne meningsverschillen in het progressieve kamp werden nog vergroot, toen in februari 1966 in Syrië een dissidente groep binnen de regerende Ba’thpartij het zgn. neoba’thistische bewind vestigde, dat in bepaalde opzichten een nog linksere koers dan het voorafgaande Ba’thbewind wenste te varen. Het was tussen dit neoba’thistische regime en president Nasser dat in november 1966, op aandrang van de Russische premier Alexej Kosygin, een verdrag van wederzijdse bijstand werd gesloten en het was ditzelfde neoba’thistische regime dat hierna de spanning met Israël belangrijk opvoerde, een belangrijke factor voor het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |