![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 5 van 7
middeleeuwenEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Periodisering; 2. Economische structuren; 3. Sociale structuren; 4. Politieke structuren; 5. Culturele structuren
Ten eerste was gezag sterk persoonsgebonden. Vooral in de eerste middeleeuwen. Politieke machtscentra waren toen ondenkbaar zonder de aanwezigheid van capabele leiders. Pas aan het eind van de middeleeuwen, toen zich een zeker bureaucratisch apparaat had gevormd, werden de persoonlijke kwaliteiten van heersers minder doorslaggevend.
Ten tweede fungeerde gezag veruit het meest effectief op lokaal, hooguit regionaal, niveau. Grotere staatkundige verbanden bezaten nog nauwelijks vaste contouren. Zo moeizaam als ze werden opgebouwd, zo gemakkelijk vielen ze uit elkaar. Het Frankische Rijk in de 9de eeuw, het Duitse keizerrijk in de 13de eeuw en zelfs nog de Bourgondische staat in de 15de eeuw zijn voorbeelden daarvan. Zelfs staatkundige eenheden met een zekere continuïteit, zoals het koninkrijk Frankrijk, waren oppervlakkige en toevallige creaties, sterk wisselend in omvang en nog aan het eind van de middeleeuwen geenszins verzekerd van hun voortbestaan.
Ten derde worstelde elke vorm van gezag met legitimeringsproblemen. Globaal bestonden drie legitimeringen naast elkaar. Gezag kon zich beroepen op militaire kracht, die zich daartoe zowel defensief als offensief voortdurend moest bewijzen. Dit recht van de sterkste domineerde in de eerste middeleeuwen en bleef nog lange tijd het denkpatroon van de feodale adel beïnvloeden. Gezag kon zich ook beroepen op een sacrale rechtvaardiging: de gezagsdrager dankte zijn positie in die opvatting aan de wil van God. Geestelijken grepen dit idee gretig aan om invloed te kunnen uitoefenen op de wereldlijke machthebbers. Aan hun eigen sacraliteit konden zij gemakkelijk het recht ontlenen om vorsten aan te stellen, in hun beleid te sturen en eventueel zelfs af te zetten. Aangezien sacraliteit vooral op het hoogste niveau, dat van koningen en keizers, fungeerde, deden zich daar ook de meeste spanningen voor. In het bijzonder de Duitse keizers en de pausen, die beiden universele macht opeisten, zijn nooit tot een bevredigende afbakening van hun positie gekomen. Een laatste legitimiteitsbasis lag in de gemeenschap. De heersers rechtvaardigen hun macht in dat geval, doordat ze de belangen van de door hen geregeerden dienden. Een logische consequentie is dat de gemeenschap dan ook de gezagsdragers kan beoordelen en hen eventueel vervangen. Dit legitimiteitsidee was in de eerste middeleeuwen op de achtergrond geraakt. Het keerde in republikeinse gedaante terug in de autonome steden die vooral in Italië, Vlaanderen en Duitsland ontstonden. In Engeland en in de Nederlanden speelde het mee bij de opkomst van parlementen en standenvergaderingen binnen monarchale staten. Terwijl de sacrale gezagslegitimering de weg bereidde voor het absolutisme van de 16de tot de 18de eeuw, leidde het beroep op de gemeenschap uiteindelijk naar de moderne democratie.
Drie specifiek middeleeuwse fenomenen verdienen nog afzonderlijk aandacht: de politieke zijde van de feodaliteit, de macht van geestelijken en de opkomst van stadsstaten.
Feodaliteit was een systeem waarin aristocraten onderling verbonden waren door het (be)lenen van grond en door vazallitische relaties van loyaliteit. Al in de 9de eeuw kwam daar nog een politiek aspect bij. De vorsten, die onvoldoende middelen hadden om hun schaarse ambtenaren in geld te betalen, beloonden hen met grondbezit. Zo kreeg elke graaf (de belangrijkste regionale ambtenaar in het Frankische Rijk) de beschikking over een aantal domeinen. Aangezien de graven uit de hoogste adel werden gerekruteerd, stonden zij daarnaast vaak in een rechtstreekse leenverhouding tot de koning. Toen de kleinzonen van Karel de Grote in onderlinge oorlogen het rijk verscheurden, grepen deze hoge aristocraten hun kans: zij dwongen af dat al hun domeinen, inclusief hun grafelijke titel en de daaraan verbonden overheidsmacht, als erfelijke feodale rechten werden beschouwd. Daarmee daalde het machtszwaartepunt, dat onder Karel de Grote kortstondig aan de top van de piramide had gelegen, naar een verdieping lager. Sommige van deze aristocraten wisten de macht op hun niveau te consolideren. Zo waren de graven van Vlaanderen en Anjou en de hertogen van Normandië van de 10de tot de 12de eeuw veel machtiger dan hun leenheer, de Franse koning. Andere graven en hertogen werden op hun beurt het slachtoffer van decentralisatieprocessen. In dat geval kregen nog lagere heren grote delen van de overheidsmacht in handen. Vooral binnen het Duitse Rijk groeide vanaf de 13de eeuw een situatie waarin soms zelfs ridders met slechts een handvol domeinen als ware vorsten over hun territoria konden beschikken. De opkomst van de absolutistische monarchieën aan het eind van de middeleeuwen is ten dele te verklaren als een reactie op deze feodale versplintering.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |