![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 4 van 7
middeleeuwenEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Periodisering; 2. Economische structuren; 3. Sociale structuren; 4. Politieke structuren; 5. Culturele structuren
In de tweede middeleeuwen, vanaf de 11de eeuw, onderging de sociale structuur drastische veranderingen. Zij werd om te beginnen veel gecompliceerder, doordat de stedelijke bevolking een plaats op het maatschappelijk palet ging innemen. Kooplieden waren door de aard van hun werk nooit inpasbaar geweest in de oude tweedeling onvrije boeren — aristocraten. Tevoren had dat bijna geen rol gespeeld vanwege hun verwaarloosbare aantal. Met de wederopleving van de steden werd dat anders. De persoonlijke vrijheid die de boeren ontbeerden, werd vanaf de 11de eeuw het waarmerk van de in omvang snel groeiende groep stedelingen. Naarmate de stedelijke economie zich verder ontwikkelde, werden de verschillen binnen deze groep nieuwe vrijen steeds groter. Onder een toplaag van grote kooplieden, die een tweede aristocratie ging vormen, ontstond overal een middenklasse van ambachtslieden. In industriesteden kwam daar nog een proletariaat van loonarbeiders bij en ten slotte verschenen in de late middeleeuwen allerlei sociaal marginale groepen op het toneel, die voortaan het beeld van de Europese grote stad mede bepaalden: kunstenaars, studenten, zwervers, bedelaars, prostituees, enz. Binnen deze bonte stedelijke wereld deden ook nieuwe vormen van sociale organisatie hun intrede, gemakshalve alle als ‘gilden’ aan te duiden. Naast de bestaande hiërarchische (‘verticale’) relaties uit de eerste middeleeuwen (heer — man) gingen nu ook horizontale banden tussen ongeveer gelijken een belangrijke rol spelen. Een van de wortels van de moderne democratie moet gezocht worden in de tradities van gemeenschappelijke besluitvorming en individuele inspraak, die zich binnen de gilden ontwikkelden.
De nieuwe wereld van de stedelingen had grote invloed op de al bestaande sociale groepen, vooral op die van de boeren. De steden vormden een dynamisch alternatief voor de bijna bevroren verhoudingen op het platteland. Zij rekruteerden een groot deel van hun eigen bevolking uit agrariërs, die al dan niet illegaal, hun domaniale keurslijf wilden ontvluchten. Het ging hier echter om een ondernemende minderheid van de boeren. Belangrijker was de economische en mentale uitstraling van de stad op het haar omringende platteland. Boeren werden welvarender en zelfbewuster. Stukje bij beetje dwongen zij verlichting af van de lasten die hun onvrijheid met zich meebracht. Vaak ging dit goedschiks, bijvoorbeeld wanneer zij konden profiteren van gunstiger voorwaarden, die heren boden aan degenen die zich op nieuw te ontginnen grond wilden vestigen. Soms ging het kwaadschiks. Vooral de 14de eeuw kende grote boerenopstanden, o.m. in Frankrijk, Spanje, Engeland en Vlaanderen. Stedelijke invloed blijkt uit het feit, dat ’vrijheid’ voor het eerst als leuze werd gehanteerd binnen een bevolkingsgroep die een millennium lang een dergelijk begrip nauwelijks gekend had. Hoewel de meeste boerenopstanden in bloed zijn gesmoord, bleek het tij niet te keren. Aan het eind van de middeleeuwen waren de meeste West-Europese boeren, anders dan hun collega's in het oosten, zo niet juridisch, dan toch in de praktijk bijna ’vrij’. Als ze inmiddels hun grond niet in eigendom verworven hadden, dan waren ze ten minste commerciële pachters geworden in plaats van grondgebonden domeinbewoners.
Ook de oude aristocratie ondervond de gevolgen van de opkomst van de burgerij. En niet alleen doordat de door haar beheerste domaniale wereld desintegreerde. De handels- en geldeconomie van de steden en de welvaart van de stedelijke aristocratie hadden hun weerslag op deze groep, die zich inmiddels als een erfelijke adel min of meer had afgesloten. Het merendeel van de oude aristocraten begeerde wel de consumptieve attracties van het moderne leven (comfortabeler kastelen, luxueuze kledij, uitheems voedsel e.d.), maar was niet in staat zijn domaniale inkomsten dienovereenkomstig op te schroeven. De hoogste adel daarentegen kon dankzij nieuwe, fiscale, inkomsten meeprofiteren van de economische groei. De overigen stond vaak geen andere weg open dan in dienst te treden van deze kleine groep grote heren, die zich als vorsten steeds meer van hen onderscheidden. Weliswaar bleef men de onderlinge verhoudingen in feodale vormen gieten, maar, naarmate het grondbezit een geringere rol ging spelen dan de ambten die een vorst te vergeven had, nam de zelfstandigheid van de lagere adel verder af. Het verschijnsel van de edelman die voor de keuze stond aan vorstelijke hoven lucratieve functies na te jagen, of zich hooghartig in zijn armoede op het land terug te trekken, ging in toenemende mate het beeld van deze sociale groep bepalen. Daarbij mag echter niet vergeten worden, dat de adel zijn maatschappelijk prestige tot na de middeleeuwen behield. De stedelijke aristocraten bewogen vaak hemel en aarde om toegang te krijgen tot de kringen van de adel. Sommigen, geholpen door hun politieke en economische macht, hadden daarbij spectaculair succes. De Florentijnse bankiersfamilie De’Medici eindigde als een Italiaans vorstengeslacht van de hoogste rang. Vele anderen verschaften zich door huwelijk of aankoop van titels en domeinen een plaats in de lagere adelsregionen.
Binnen de geestelijkheid deden zich eveneens de nodige veranderingen voor. Het aantal priesters nam sterk toe. Dit leidde tot een patroon, vergelijkbaar met dat binnen de lekenwereld. De hoge clericus was nog steeds afkomstig uit de oude adel, al wist een enkeling van lage komaf dankzij persoonlijke kwaliteiten via een kerkelijke carrière in die kringen door te dringen. Steden en dorpen kregen de beschikking over eigen geestelijken, passend bij het betrokken milieu. De stadsclerus kwam veelal voort uit de zich ontwikkelende burgerij en over het land zwermden laag opgeleide dorpspastoors uit, wier levensomstandigheden weinig verschilden van die van hun parochianen. Een apart fenomeen, letterlijk en figuurlijk enigszins terzijde van de rest van de maatschappij, vormden de kloosterlingen, vanaf de 11de eeuw steeds vaker in strakke orden en congregaties georganiseerd. Toch moet ook hun sociale isolement niet worden overschat, zeker niet toen in de 13de eeuw de nieuwe, succesvolle orden van de dominicanen en franciscanen zich in de steden vestigden om juist onder de burgerij te kunnen prediken.
Het hoofdkenmerk van de middeleeuwse politieke structuur is de chaotische verdeling van de macht. Na de ineenstorting van het absolutistisch geregeerde Romeinse Rijk duurde het tot het einde van de middeleeuwen voordat min of meer stabiele staatsvormen hun herintrede deden. Het millennium daartussen laat een beeld zien van talrijke over elkaar heen schuivende machtsniveaus die onderling voortdurend concurreerden. Aangezien dat veelal gewapenderhand ging, wisselden de machtszwaartepunten al naar gelang de toevallige uitkomst van de militaire botsingen. Toch zijn enkele generalisaties mogelijk
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |