![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 3 van 7
middeleeuwenEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Periodisering; 2. Economische structuren; 3. Sociale structuren; 4. Politieke structuren; 5. Culturele structuren
Aan het eind van de middeleeuwen was de economische structuur voldoende ontwikkeld om een volgende stap mogelijk te maken. In de tweede helft van de 15de eeuw was de expansie naar West-Afrika al op gang gekomen en weldra begonnen de Europese handelaars aan hun mondiale triomftocht. In de nijverheid en vooral in de landbouw bleven de middeleeuwse patronen nog lang dominant, al zetten de processen van schaalvergroting en specialisatie zich ook daar voort. Pas de industriële mechanisatie in de 18de eeuw en de verwetenschappelijking van de landbouw in de 20ste eeuw hebben de meeste middeleeuwse sporen uitgewist.
In de eerste middeleeuwen, tot in de 11de eeuw, overheerste een maatschappelijke tweedeling. Een kleine bovenlaag van aristocraten stond tegenover een grotere massa van onvrije boeren. De scheiding tussen beide lagen was scherp. Huwelijken werden alleen binnen de eigen groep gesloten en de sociale mobiliteit was gering. Ook in levensstijl waren de verschillen aanzienlijk. In het algemeen verrichtten de leden van de bovenlaag geen handarbeid, terwijl de onderlaag geen toegang had tot het militaire bedrijf. De grond, binnen een agrarische economie de belangrijkste vorm van bezit, was in handen van de aristocraten. Zij hadden hun grondbezit veelal ingedeeld in domeinen, waarover zij een vrijwel complete heerschappij hadden. De op deze domeinen wonende boeren moesten een deel van hun opbrengsten en van hun arbeid aan hun heer afstaan. Voorts hadden zij heerlijke monopolies te respecteren, bijvoorbeeld op de jacht en de visvangst en op de exploitatie van kapitaalgoederen als molens en wijnpersen. Naast deze lasten die rechtstreeks op hun bedrijfsvoering drukten, uitte hun onvrijheid zich ook in andere opzichten. Zo waren ze ‘aan de grond gebonden’, waardoor migratie naar plaatsen met gunstiger omstandigheden niet mogelijk was. Vaak konden ze ook niet vrijelijk huwen of vererven.
Binnen de afhankelijke boerenmassa bestonden overigens grote verschillen. Degenen onder aan de ladder verschilden in status nauwelijks van de antieke slaven, al leefden ze veelal op eigen keuterijtjes en bezaten ze ten minste theoretisch een eigen rechtspersoonlijkheid. Bij de boeren aan de bovenkant van het maatschappelijke spectrum bestonden de verplichtingen uit weinig meer dan symbolische handelingen, waarmee het gezag van de heer werd erkend. Deze boeren, die vaak zelf onvrije knechten in dienst hadden, bereikten bijna de status van de kleine groep van vrijen, die zich tussen de aristocratische elite en de massa van afhankelijken had weten te handhaven. Bij de Germaanse volken, die aan het begin van de middeleeuwen Europa veroverd hadden, was persoonlijke vrijheid nog gemeengoed geweest. In de chaotische en gewelddadige samenleving van de vroege middeleeuwen waren de meeste vrije boeren echter niet opgewassen tegen de druk van de grootgrondbezitters, die veelal tegelijk clanhoofden en lokale militaire aanvoerders waren. Daardoor was de tweedeling tussen aristocratie en onvrije boeren geleidelijk regel geworden.
Ook binnen de bovenlaag bestonden grote sociale verschillen met als belangrijkste onderscheid de hoeveelheid grond, inclusief afhankelijke bevolking, waarover men kon beschikken. In de loop van de 9de eeuw kreeg de hiërarchie binnen de elite een nieuwe, typisch middeleeuwse, structuur die met de termen feodaliteit of leenstelsel wordt aangeduid. Eerder hadden succesvolle stamhoofden, die zich al dan niet ‘koningen’ lieten noemen, de door hen verworven gebieden uitgedeeld onder hun machtigste volgelingen. Aangezien elk centraal gezagsapparaat ontbrak, werd daarmee de kiem gelegd voor snelle desintegratie: de nieuwe grondbezitters lieten zich weldra weinig gelegen liggen aan hun leider en al zeker niet aan diens nakomelingen, tenzij dezen met harde hand hun gezag steeds wisten te herbevestigen. De Frankische vorsten uit de Karolingische dynastie (8ste – 9de eeuw) gingen daarom over op een systeem, waarbij grond niet in eigendom werd weggeschonken, maar slechts in leen werd uitgegeven. Geleidelijk werd deze praktijk algemeen gangbaar en gingen ook andere potentaten ertoe over een deel van domeinen aan lagere aristocraten in leen te geven. Telkens als een van beide partijen, leenheer of leenman, stierf, werd de leenband met de opvolger herbevestigd. Deze zakelijke betrekkingen binnen de aristocratie kregen ook een emotioneel en zedelijk aspect, omdat met de leenband een ouder fenomeen verbonden raakte. Dat was de vazalliteit. Deze vond haar oorsprong in de persoonlijke relatie tussen een krijgsheer en zijn volgelingen die elkaar trouw en bijstand hadden gezworen. In de vroeg-middeleeuwse anarchie (staatloosheid) behoorden dergelijke vazallitische verhoudingen tot de weinige effectieve sociale bindmiddelen. Door de combinatie van vazalliteit met het belenen van grond, ontstond een ordening binnen de bovenlaag, die tot ver in de middeleeuwen functioneerde en waarvan pas met de Franse Revolutie de laatste sporen verdwenen. In deze ordening bevonden koningen zich aan de top van een piramide van aristocraten die allen zowel leenman/vazal waren, als tegelijk (leen)heer van lagere machthebbers. Alleen de allerlaagsten onder hen, de bezitters van slechts één of enkele domeinen, waren niemands leenheer. Zij waren slechts ‘heer’ over de onvrije boerenbevolking op hun grond.
Naast boeren en aristocraten vormden de geestelijken in zekere zin een afzonderlijke groep. In hun eigen favoriete maatschappijbeeld was sprake van een functionele driedeling: werkers, krijgers en `bidders’. Op grond van hun religieuze wijdingen eisten ze een sociale status op, die hen buiten de lekenmaatschappij plaatste. Toch is dit (zelf)beeld maar ten dele juist. Beter kan men hen beschouwen als een specifiek segment binnen de bovenlaag, waarvan ze op grond van afkomst en levensstijl in overgrote mate deel uitmaakten. Grondbezit was ook voor de geestelijkheid de basis van haar bestaan. Bisschoppen en abten vonden dan ook zonder moeite hun plaats als leenheren en leenmannen binnen het feodale stelsel. Daar komt nog bij dat gedurende de eerste middeleeuwen de kerk als samenhangende organisatie nog nauwelijks bestond, zodat een clericaal groepsbesef veel zwakker was dan de gevoelens van familiale en feodale verbondenheid die de afzonderlijke geestelijken koesterden.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |