![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 7
middeleeuwenEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Periodisering; 2. Economische structuren; 3. Sociale structuren; 4. Politieke structuren; 5. Culturele structuren
Vanaf de 11de eeuw verbeterde de economische situatie echter aanzienlijk. Weliswaar bleef tot voorbij het eind van de middeleeuwen de landbouw de voornaamste bron van inkomsten, maar het aandeel van handel en geldwezen en wat later ook dat van ambacht en industrie werd geleidelijk groter. In het algemeen nam ook de economische differentiatie toe. Het eerst in Italië, maar niet veel later ook in Vlaanderen, delen van Duitsland en weldra overal in Europa ontstonden stedelijke gemeenschappen die hun stempel op hele streken gingen zetten. Elders, bijvoorbeeld in bergachtige gebieden, handhaafden zich traditionele agrarische structuren, bijna zonder economische contacten met de buitenwereld.
De economische opbloei in de tweede middeleeuwen was geen ongestoord proces. Integendeel, deze werd ruw onderbroken kort voor het midden van de 14de eeuw, toen een pestepidemie, reeksen misoogsten en de verwoestende Honderdjarige Oorlog mede verantwoordelijk waren voor een geweldige economische crisis. Daarnaast speelde echter mee, dat na drie eeuwen van economische expansie in zekere zin de grenzen van de groei waren bereikt. Dit was vooral in de agrarische sector het geval. De expansie was daar meer een kwestie van uitbreiding van in exploitatie genomen grond geweest dan van technologische vernieuwing. Aangezien de beste gronden het eerst waren ontgonnen, voegden later in gebruik genomen akkers verhoudingsgewijze steeds minder toe aan de productie, zeker in verhouding tot de hoeveelheid arbeid die zij vergden. Ondanks de enorme teruggang in de 14de eeuw (de bevolking van Europa, die van 1000 tot 1340 gegroeid was van ca. 24 naar 54 miljoen, nam in de eeuw tussen 1340 en 1440 dramatisch af tot ca. 37 miljoen, waarna weer een langzaam herstel begon) zette het proces van diversificatie en vernieuwing zich voort.
De steden hadden daarbij een katalyserende functie. Zij vormden, voor het eerst sinds de oudheid, een afzetmarkt voor agrarische producten. In verstedelijkte gebieden (Toscane, Lombardije, Vlaanderen, Brabant, Rijnland) kon het platteland zich daardoor ontworstelen aan het minimale niveau van zelfvoorziening en door agrarische commercialisering een hoger welvaartspeil bereiken. Daarnaast was de stedelijke samenleving zelf een brandhaard van nieuwe activiteiten. In hun vroegste fase ontwikkelden de Europese steden zich, al dan niet in de schaduw van de hoven van wereldlijke of geestelijke heersers, als thuishavens voor de rondreizende kooplieden. Weldra boden deze nieuwe gemeenschappen ook emplooi aan ambachtelijke specialisten die eerder hadden ontbroken. Bouwnijverheid en dienstensector werden economische groeifactoren op zichzelf. In een nog latere fase, globaal vanaf de 13de eeuw, ging het stedelijk milieu ook de bakermat vormen voor de eerste industriële productie. Naast voedingsindustrieën (bijv. bierbrouwerij) speelde vooral de textielindustrie een hoofdrol. De grootste steden van de 14de eeuw, de `boomtowns’ zoals Gent en Florence, werden zelfs in meerderheid bevolkt door arbeiders in de lakennijverheid. De opkomst van de industriële productie droeg op haar beurt bij tot verdere modernisering van de agrarische sector. Naast voedselproductie (broodgranen, zuivel, wijn) werden nu ook de teelt van handelsgewassen ten behoeve van de nijverheid (hop, gerst, vlas, meekrap, wede) en grootschalige schapenfokkerij voldoende lucratief om specialisatie mogelijk te maken.
De uitwisseling van goederen nam door al deze ontwikkelingen snel in omvang toe. In de kleinere centra ontstonden weekmarkten met een beperkte reikwijdte; de grootste steden hadden al in de 13de eeuw de functie van een permanente regionale markt gekregen. Daarnaast nam de verre handel een hoge vlucht. Een compleet Europees netwerk van jaarmarkten kwam tot ontplooiing. De markt van Champagne, dat halverwege de twee economisch hoogst ontwikkelde gebieden, namelijk Vlaanderen en Italië, ligt, vormde in de 12de en 13de eeuw een vrijwel ononderbroken functionerend scharnierpunt van het internationale goederenvervoer. Bij ontstentenis van een adequaat wegennet lag de nadruk op vervoer per schip. De volgende stap werd dan ook gezet door het ontstaan, in de 14de eeuw, van geregelde rechtstreekse verbindingen over zee, die reikten van het mediterrane gebied tot in Scandinavië en Rusland. Venetië, Genua, Brugge en de Duitse Hanzesteden waren de voornaamste etappeplaatsen in de maritieme goederenstromen. De veel grotere zeeschepen (koggen) die in de 13de eeuw hun intrede deden, maakten ook een grote stap voorwaarts in transportvolume mogelijk.
Met de economische groei ging ook een monetariseringsproces gepaard. De hoeveelheid muntgeld nam exponentieel toe. Vanaf de 13de eeuw kwamen ook weer gouden munten in omloop (zie ook gulden). Bij ontstentenis van sterk centraal gezag berustte het muntrecht bij honderden verschillende overheden, die elk hun eigen munten lieten aanmaken. De daaruit voortvloeiende verwarring werd nog verergerd, doordat veel autoriteiten de verleiding niet konden weerstaan het gehalte aan edel metaal in hun munten regelmatig te verminderen. Een essentiële rol in het gecompliceerde betalingsverkeer speelden dan ook de alom aanwezige geldwisselaars. Met hun activiteiten legden zij vanaf de 12de eeuw de basis voor het moderne bankwezen. In het bijzonder Italiaanse wisselkantoren ontwikkelden allerlei nieuwe bankfaciliteiten, zoals deposito, giro en wisselbrieven. Vooral de verre handel profiteerde daarvan. Voortaan konden de kooplieden volstaan met het vervoer van hun goederen. Het riskante transport van grote hoeveelheden munten was niet langer nodig.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |