![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search middeleeuwenEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Periodisering; 2. Economische structuren; 3. Sociale structuren; 4. Politieke structuren; 5. Culturele structuren
middeleeuwen, het tijdperk in de Europese geschiedenis tussen de oudheid en de nieuwe tijd.
Historici zijn het niet eens over de afbakening van deze periode. In elk geval worden de 8ste tot en met de 14de eeuw algemeen tot de middeleeuwen gerekend. Van de 4de tot en met de 7de eeuw doen zich nog allerlei verschijnselen voor, die kenmerkend voor de klassieke oudheid zijn (zie ook Romeinse Rijk). Tegelijk zijn er typische middeleeuwse elementen aan te wijzen. Deze eeuwen vormen dus een overgangsperiode. Hetzelfde geldt voor de 15de en de 16de eeuw, als middeleeuwse kenmerken tegelijkertijd voorkomen met verschijnselen die typerend zijn voor de nieuwe tijd. Net als het begrip oudheid alleen bruikbaar is voor de culturen rond de Middellandse Zee, heeft `middeleeuwen’ alleen betrekking op de geschiedenis van het katholiek-christelijke deel van Europa. De aangrenzende culturen en politieke gebieden, de Grieks-orthodoxe en de islamitische wereld, kennen hun eigen periodisering. Wegens de lengte van het tijdperk, 700 jaar in de meest beperkte opvatting en 1300 jaar in de ruimste, is het moeilijk om kenmerken te definiëren die voor de hele periode gelden. Bovendien zijn sommige typisch middeleeuwse scheppingen, zoals universiteiten en volksvertegenwoordigingen, pas vrij laat in de periode ontstaan. Andere even typische fenomenen, zoals de feodaliteit en het keizerschap, hebben daarentegen hun bloeiperiode enkele eeuwen voor het eind van de middeleeuwen al ruimschoots achter de rug. Om in deze problematiek enigszins te voorzien, zijn onderverdelingen aangebracht. Traditioneel is een driedeling: vroege middeleeuwen tot ca. 1000, volle of hoge middeleeuwen van ca. 1000 tot ca. 1300 en late middeleeuwen vanaf ca. 1300. Moderner is een tweedeling: eerste middeleeuwen en tweede middeleeuwen, respectievelijk vóór en na ca. 1050.
De middeleeuwse economie werd vooral gekenmerkt door schaarste. De agrarische en ambachtelijke productie dekte ternauwernood de eerste levensbehoeften van de bevolking. Het volume van de handel was bijzonder gering. De gemiddelde consumptie was dan ook laag: een groot deel van de bevolking leefde op of onder het bestaansminimum. Dit leidde tot structurele ondervoeding en bij misoogsten of andere crises tot massale sterfte.
In de eerste middeleeuwen was de economie vrijwel volledig agrarisch en zelfvoorzienend. Gespecialiseerde handwerkslieden, enkele uitzonderingen zoals smeden, glasblazers en steenhouwers daargelaten, kwamen nog niet voor. De meeste gebruiksvoorwerpen werden in eigen beheer vervaardigd. Op kleine schaal bestond enige ruilhandel in alledaagse goederen. Handel op lange afstand had alleen betrekking op luxegoederen, gekocht door de smalle sociale bovenlaag. Het ontbreken van andere vervoersmiddelen dan kleine schepen en van een adequaat wegenstelsel maakte het transport van massagoederen trouwens ook onmogelijk. In Zuid-Europa domineerden handelaars uit de veel hoger ontwikkelde Byzantijnse en Arabische economieën. In Noord-Europa ontstond in de 7de eeuw een eigen netwerk waarin Friese kooplieden de boventoon voerden. Tussen ca. 750 en 850 was het bij een Rijnsplitsing gelegen Dorestad zelfs het belangrijkste Europese handelscentrum. In samenhang met de geringe economische ontwikkeling was het geldwezen uit de oudheid goeddeels verdwenen. Een zeer beperkt muntstelsel, voornamelijk gebaseerd op zilver en koper, volstond tot in de 11de eeuw. De agrarische sector, die meer dan 90% van de economie besloeg, werd gekenmerkt door geringe specialisatie. Bijna overal overheersten vormen van gemengd bedrijf, met de nadruk op voedselgewassen. Een ander kenmerk vormden de lage opbrengsten. Bij de meeste granen verhield de oogst zich tot de ingezaaide hoeveelheid als slechts ca. 3:1 De economische conjunctuur werd gedurende de eerste middeleeuwen vooral bepaald door externe factoren. Een belangrijke negatieve rol hebben de Volksverhuizingen (4de–6de eeuw), de rooftochten van Magyaren, Arabieren en Vikingen (8ste–10de eeuw) en de bijna permanente interne oorlogvoering gespeeld. De relatief stabiele politieke situatie onder enkele Frankische vorsten, en met name onder Karel de Grote (768–814), zorgde daarentegen voor een zekere opleving. Hoewel cijfermatige gegevens bijna volledig ontbreken, is het niettemin wel zeker, dat ca. 1000 n.C. het welvaartspeil nog steeds bij lange na dat van de late oudheid niet kon benaderen.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |