![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 2 van 2
Artikeloverzicht
De steenijzers heten siderolieten en de ijzermeteorieten noemt men ook wel siderieten. Zij worden onderverdeeld in octahedrieten, hexahedrieten en ataxieten. De meeste behoren tot de eerste klasse, die uit lamellen van nikkelijzer zijn gebouwd, die evenwijdig aan de vlakken van de octaëder vergroeid zijn. De structuur van de octahedrieten verschijnt op een geslepen vlak na etsing. In het algemeen zullen daarop vier richtingen van lamellen zichtbaar worden, maar ingeval de doorsnede evenwijdig aan een van de octaëdervlakken loopt, slechts drie richtingen, die elkaar volgens hoeken van 60° snijden. Deze etsfiguren worden Widmanstättenpatronen genoemd. Een volledige lamel van nikkelijzer bestaat uit een stuk kamaciet (balkijzer), dat aan weerszijden door dunne banden van teniet (bandijzer) is omgeven. Tussen de lamellen ligt plesiet (opvullingsijzer), dat een eutektisch mengsel van kamaciet en teniet is. Kamaciet is nikkelarm, teniet nikkelrijk; het gemiddelde Ni-gehalte is ca. 8%. Een gedeelte van het nikkel is steeds door kobalt vervangen. In het nikkelijzer treden gewoonlijk insluitsels op, waarvan troiliet (FeS) het bekendste is. Ook schreibersiet wordt vrij veelvuldig gevonden. Bij ijzermeteorieten zijn de oppervlakteholten duidelijker dan bij steenmeteorieten. Merkwaardig is de afwezigheid, resp. zeldzaamheid van de ‘gewone’ mineralen van onze aardkorst: kwarts, de glimmergroep en de amfiboolgroep.
Vermoed wordt dat de meeste meteorieten de restanten zijn van planetoïden. Meteorieten moeten daarom worden onderscheiden van meteoroïden (zie meteoor), kleine objecten die bijvoorbeeld afkomstig zijn van de staart van kometen. De ouderdom van meteorieten bedraagt ca. 4,6 miljard jaar. Als zodanig vormen zij een bijzonder gemakkelijk en goedkoop hulpmiddel bij het onderzoek naar het ontstaan van het zonnestelsel en zelfs naar de periode daarvóór. In meteorieten zijn namelijk ook koolstof- en zuurstofhoudende korrels aangetroffen die zijn gevormd vóór het ontstaan van de zon. In de korrels zijn bijvoorbeeld siliciumcarbide, grafiet, aluminiumoxide, spinel, diamant en silicaten ontdekt, stoffen die waarschijnlijk gevormd zijn nabij rode reuzen. Bovendien blijkt uit aangetroffen afvalproducten dat de korrels kort na hun ontstaan veel ijzer-60 hebben bevat. Deze radioactieve isotoop van het element ijzer wordt alleen in reuzensterren gevormd en heeft een halfwaardetijd van anderhalf miljoen jaar, zodat het aangetroffen ijzer niet van elders uit het heelal kan komen. Ook dat is een aanwijzing dat er in de gaswolk waaruit de zon is ontstaan ook zwaardere sterren (kortlevende reuzensterren; bestaanstijd van ongeveer 10 miljoen jaar) zijn gevormd. Het onderzoek aan meteorieten, en met name chondrieten, duidt er bovendien op dat de gaswolk waaruit behalve de zon ook de planeten ontstonden, maar vrij kort heeft bestaan. De chemische samenstelling van CAI’s in chondrieten verschilt namelijk aanzienlijk van die van de chondren, terwijl CAI’s maar 2 miljoen jaar ouder zijn. Hieruit wordt geconcludeerd dat het planeetvormingsproces zich relatief snel heeft voltrokken.
Volgens schattingen is de kans dat een ruimteobject met een diameter groter dan een kilometer op aarde neerslaat relatief klein: eens in de vele miljoenen jaren. Voor objecten van 200 meter is die kans eens in de 170.000 jaar. Objecten met de omvang van die van de meteoriet bij Toengoeska treffen de aarde ongeveer eens in de duizend jaar, objecten met een diameter kleiner dan een meter dagelijks. Sommige wetenschappers veronderstellen dat bepaalde uitstervinggolven gedurende het geologische verleden veroorzaakt zijn door de inslagen van grote meteorieten (zie ook Krijt). Omdat er voortdurend grote meteorieten, planetoïden en kometen worden ontdekt die op relatief kleine afstand langs de aarde scheren, is er een risicoschaal ontwikkeld, waarmee kan worden aangegeven hoe gevaarlijk een bepaald object kan zijn. Deze zogeheten Torino-schaal, genoemd naar de Italiaanse stad waar de schaal in juni 1999 door de Internationale Astronomische Unie (IAU) werd ingesteld, loopt van 0 tot 10. De Torino-schaal houdt rekening met de omvang van het naderende object, zijn snelheid en de kans dat hij met de aarde zal botsen. Objecten met waarden 0 en 1 worden als onschadelijk beschouwd, die met waarden 2 tot en met 4 krijgen wat meer aandacht van sterrenkundigen. Pas vanaf categorie 5 is sprake van enige dreiging; de waarde 10 betekent dat er zeker een inslag zal plaatsvinden die een mondiale catastrofe zal veroorzaken. Tot nog toe is er nog geen object waargenomen dat op de Torino-schaal hoger dan 4 scoort.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |