![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Messiaen, OlivierEncyclopedieartikel
Messiaen, Olivier (voluit: Eugène Prosper Charles) (Avignon 10 dec. 1908 – Parijs 28 april 1992), Frans componist en organist, studeerde reeds op elfjarige leeftijd aan het conservatorium te Parijs o.m. bij M. Dupré (orgel), M. Emmanuel en P. Dukas (compositie). In 1930 werd hij benoemd tot organist van de St-Trinité te Parijs, welke functie hij bijna veertig jaar is blijven vervullen. De École Normale de Musique en de Schola Cantorum benoemden hem in 1936 tot hoofdleraar; in hetzelfde jaar werd de componistengroep La Jeune France opgericht, waarvan Messiaen deel uitmaakte. Na enkele jaren krijgsgevangenschap in Görlitz, tijdens welke het Quatuor pour la fin du temps ontstond, volgde in 1942 zijn benoeming tot hoofdleraar harmonieleer aan het Parijse conservatorium, achtereenvolgens uitgebreid met de vakken analyse, muziekesthetiek en ritmiek (1947), muziekfilosofie (1955) en compositie (1966). Tal van jongere componisten, onder wie Pierre Boulez, Karlheinz Stockhausen, Yannis Xenakis, Ton de Leeuw, T. Takemitsu, M. Shinohara en G. Benjamin, hebben als leerlingen van Messiaen zijn invloed ondergaan. Karakteristiek voor Messiaens componeren is het gebruik van door hem zelf uitgedachte modi (toonreeksen), die niet slechts de melodiepatronen, maar ook de harmonie bepalen. Elke modus is derhalve de drager van een specifieke klankkleur, die de synestheticus Messiaen met reëele kleuren vereenzelvigt. In zijn opvatting van de modaliteit toont hij zich een erfgenaam van Debussy. Een ander belangrijk aspect van zijn werk vormt de uiterst gedifferentieerde ritmiek, waarbij het principe van de ‘valeurs ajoutées’ (toegevoegde ritmische eenheden aan een ritmisch grondschema) een rol speelt. Door de combinatie van zowel verschillende modi als ritmische schemata met uiteenlopende lengten ontstaat een muziek die een duidelijke gelaagdheid vertoont. Aan het compositorisch werk van Messiaen heeft altijd een grote dosis rationaliteit ten gronslag gelegen, getuige het vele onderzoek dat eraan vooraf is gegaan. Typerend is de systematische studie die hij maakte van de zang van vogels: daarvan heeft hij talrijke typen geïnventariseerd en muzikaal genoteerd om deze vervolgens in zijn muziek te verwerken. Voorts onderzocht hij nauwgezet de ritmiek van de oude Griekse en Indiase muziek. Met zijn geschrift Technique de mon langage musical (1942) streefde naar een theoretische onderbouwing van zijn muzikale arbeid. De rationele tendens komt van al zijn werken het duidelijkst naar voren in Mode de valeurs et d’intensités (uit de Quatre études de rythme voor piano, 1949) waarin hij behalve toonhoogte ook toonduur, -sterkte en -aanslag aan een modale fixatie onderwierp. Hiermee legde hij het fundament voor het serialisme, een beweging waarin hij zelf overigens niet is meegegaan. Messiaens rationaliteit staat slechts in schijnbare tegenstelling tot de mystiek-religieuze gedachtewereld, die de ideële basis vormt van zijn gehele oeuvre. In zijn instrumentatie valt een voorliefde voor exuberante klankeffecten te constateren, waartoe hij o.m. gebruik maakt van een uitgebreid slagwerkinstrumentarium. Messiaen, gehuwd met de pianiste Yvonne Loriod (1924), voor wie hij de meeste pianowerken componeerde, ontving tal van onderscheidingen, o.a. de Erasmusprijs 1971 en de grand prix National de la Musique van de Académie (1977). WERK: (behalve de genoemde) Orkest: Les offrandes oubliées (1930); Hymne au Saint Sacrement (1932); L’ascension (1933; bew. v. orgel 1934); Turangalîlasymphonie (1946–1948); Réveil des oiseaux (1953; m. piano); Oiseaux exotiques (1956; idem); Chronochromie (1960); Sept haïkaï (1962; m. piano); Couleurs de la cité céleste (1963; idem); Et expecto resurrectionem mortuorum (1964); Des canyons aux étoiles (1971–1974; m. piano). – Orgel: Le banquet céleste (1928); Diptyque (1930); Apparition de l’Église éternelle (1932); La nativité du Seigneur (1935); Les corps glorieux (1939); Messe de la Pentecôte (1950); Livre d’orgue (1951); Verset pour la fête de la dédicace (1960); Méditations sur le mystère de la Sainte Trinité (1969); Livre du Saint Sacrement (1984). – Piano: Préludes (1929); Visions de l'amen (1943; v. 2 piano's); Vingt regards sur l'enfant Jésus (1944); Cantéyodjayâ (1949); Île de feu I & II (1950); Catalogue d’oiseaux (1956–1958); La fauvette des jardins (1970). – Opera: Saint François d’Assise (1975–1983). – Vocaal: Trois petites liturgies de la présence divine (1944; v. vrouwenkoor, piano, ondes martenot en ork.); Cinq rechants pour 12 voix (1949); La transfiguration de Notre Seigneur Jésus-Christ (1963–1969; koor, 7 solisten en ork.). – Voorts: kamermuz., liederen. – Geschriften: Traité du rythme (1954).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |