![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search MesopotamiëEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Geografie en ecologie; 2. Archeologisch onderzoek; 3. Godsdienst; 4. Literatuur; 5. Architectuur en beeldende kunst; 6. Muziek; 7. Wetenschap en techniek; 8. Geschiedenis
Mesopotamië (uit het Grieks, teruggaand op een oudere Babylonische term, = lett.: het 'Tussenrivierse'), thans gangbare naam voor de door de Eufraat en Tigris gevormde alluviale vlakte (het huidige Irak en het oostelijke gedeelte van Syrië), waar in de oudheid de culturen van Soemeriërs en Akkadiërsrs, Babyloniërs en Assyriërs tot ontwikkeling kwamen. Het wel als Tweestromenland vertaald begrip was oudtijds de naam voor het noordelijke gedeelte van dit gebied, ten noorden van de 34ste breedtegraad, o.a. bekend als Provincia Mesopotamia, door Trajanus in 115 n.C. veroverd. Het begrip wordt thans vooral in cultuurhistorische betekenis gebruikt.
De alluviale vlakte is gevormd door de sedimentatie van de rivieren Eufraat en Tigris. De huidige situatie gaat vooral terug op de ontwikkelingen vanaf het Atlanticum (6de millennium v.C.), toen tijdens een warmer en vochtiger klimaat het waterniveau van de rivieren steeg (uiteindelijk tot ca. 3 m boven het huidige peil, in ca. 3500 v.C.), waardoor de vlakte bewoonbaar werd, op basis van beginnende landbouw, veehouderij en visvangst.
Wegens de geringe regenval (100–200 mm per jaar) is bevloeiing een absoluut vereiste. De oudste bewijzen voor kunstmatige irrigatie vindt men in Centraal-Mesopotamië reeds in ca. 6000 v.C. Het afnemen van de waterhoeveelheid had vooral vanaf ca. 3000 v.C. belangrijke gevolgen: de irrigatie werd steeds meer kunstmatig en gecentraliseerd in grote kanalen en rivierarmen, waardoor de bevolking werd geconcentreerd in stedelijke centra die elkaars rivalen werden in de strijd om land, water en invloed. Geleidelijk werden de Eufraatarmen – eerst de oostelijke, later de westelijke – belangrijker, waardoor een verschuiving van het politieke zwaartepunt naar het westen plaatsvond (de moeilijk tembare Tigris, in het zuiden in de vorm van de Sjat al-Arab, was minder bruikbaar). Bij de irrigatie werd het voorjaarshoogwater benut (eind maart – begin mei, in de Tigris enkele weken eerder dan in de Eufraat). Omdat dit kwam als het rijpe graan nog te velde stond, moest het opgevangen, bewaard en gedistribueerd worden, opdat het nieuwe zaaisel in en na de zomer er nog van kon profiteren. Dit eiste veel werk en technische voorzieningen. Het zich in de waterlopen afzettende sediment deed de stroombeddingen stijgen en door uitbaggeren stegen ook de oeverwallen, zodat de rivieren hoog door het land gingen stromen. Ze waren hierdoor in het voorjaar gemakkelijk af te tappen voor de bevloeiing, maar in de zomer verdampte het opgespaarde water snel, wat samen met overirrigatie en gebrekkige drainage de verzilting van de grond bevorderde. De hierdoor veroorzaakte ecologische crises markeren de geschiedenis van Mesopotamië (verschillende 'vloedperioden'), mede doordat deze crises het verdwijnen van oude steden en de ontvolking van gebieden tot gevolg hadden. De mythische neerslag ervan vindt men in het verhaal van de grote vloed – dat ook model stond voor het bijbelse zondvloedverhaal – dat schildert hoe precair het leven in het Tweestromenland in principe is. De irrigatiecultuur zette in vele opzichten haar stempel op het gebied. Zij stimuleerde collectieve inspanningen en planning en werkte daarbij machtsvorming in de hand, een ontwikkeling die bovendien werd bevorderd door voedseltoename en bevolkingsgroei, militaire rivaliteit tussen de grote steden, die tevens de religieuze en economische centra waren. Dit werkte het ontwikkelen van administratieve technieken in de hand, waarbij het schrift ontstond en rechtsregels zich ontwikkelden, bij een toenemende sociale stratificatie.
Economisch gezien domineerde een systeem van herverdeling van voedsel door de bestuurlijke centra (tempel, paleis, grootgrondbezit), in ruil voor arbeid als rantsoenen aan afhankelijken ter beschikking gesteld. Ook de verpachting van landbouwgrond en het uitbesteden van de zorg voor de kudden sloten hierbij in een hiërarchisch systeem aan. Naast de akkerbouw met tal van producten – gerst, tarwe, spelt, sesam, bonen, uien en look, groenten, dadels – speelde vanaf vroege tijden ook de veehouderij – vooral schapen en runderen (als trekdieren gebruikt), voorts geiten en ezels – een belangrijke rol, terwijl vis een wezenlijk onderdeel van het dieet uitmaakte. Vee werd vanouds ook gehouden door de nomadische stammen die gedurende gedeelten van het jaar (in verband met de weidewisseling) in en aan de rand van het land verbleven; met name stammen van de Amorieten en Arameeërs zijn bekend. Tussen deze kleinveenomaden en de sedentaire (niet-nomadische) bevolking bestonden tal van relaties, met tussenvormen als dimorf nomadisme (deels sedentair, deels niet). De nomaden konden zich op den duur niet onttrekken aan de invloed van de hogere cultuur, maar wisten op hun beurt, als ze in tijden van crises het cultuurland binnendrongen en veroveringen maakten, aan de cultuur en de politiek nieuwe impulsen te geven, zoals o.a. blijkt uit de rol van de Amoritische dynastie van Hammoerabi van Babylon.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |