Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Lodewijkstijlen

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Lodewijkstijlen

Encyclopedieartikel
Multimedia
Hôtel de RoquelaureHôtel de Roquelaure
Artikeloverzicht

Introductie

Lodewijkstijlen, de verschillende fasen van de ontwikkeling die m.n. de toegepaste kunsten na de renaissance hebben doorgemaakt tijdens de regeringen van de Franse koningen Lodewijk XIV (1643–1715), Lodewijk XV (1715–1774) en Lodewijk XVI (1774–1792), met dien verstande dat stijlperiode en regeringsperiode niet altijd geheel samenvallen. Frankrijk gaf de toon aan en gewoonlijk worden de verschillende Lodewijkstijlen dan ook met de Franse namen Louis Quatorze, Louis Quinze en Louis Seize aangegeven. Gedurende de Louis XIV- en Louis XV-periode stond de Franse kunst in het teken van de barok; na ca. 1750, dus onder Lodewijk XV, trad reeds de reactie in classicistische zin op en begon dus al de Louis XVI-periode, echter met behoud van het typisch gracieuze en lichte karakter, eigen aan alle 18de-eeuwse kunst. Karakteristiek voor de Franse kunst is gedurende de Lodewijkstijlen de tegenstelling die steeds heerst tussen de classicistische vormgeving van het uitwendige van de gebouwen en de barokke decoratie van de interieurs, waarbij zich de fraai gebogen vormen van meubelen, zilver, porselein, ontwerpen van de gobelinweefsels, enz. aansluiten. Aan de eigenlijke Lodewijkstijlen was voorafgegaan een bouwkunst en ornamentiek die men wel als Louis Treize (Lodewijk XIII) betitelt, naar de regeringsperiode van Lodewijk XIII (1610–1643), maar die een zeer onsamenhangend beeld vertoont, omdat hierin allerlei elkaar kruisende richtingen werkzaam waren, waarbij buitenlandse (Zuid-Nederlandse en Italiaanse) invloeden van vérstrekkende betekenis waren.

1. Lodewijk XIV (Louis Quatorze)

Het fraaiste voorbeeld van deze stijl biedt de classicistische gevel van de tuingalerij van het paleis te Versailles (architect L. Levau, 1661 begonnen), met als tegenstelling de barokke decoratie van de staatsiezalen, waaronder de beroemde spiegelgalerij. Het decor vertoont een zwaar en pompeus karakter. Een rijkdom aan motieven (guirlandes, trofeeën, putti, enz.) tonen ornamenten, die, streng symmetrisch van bouw, zich voegen naar de architectonische indeling van de wanden. Deze zijn ook wel versierd met zware gobelins die, evenals de beschilderingen van de plafonds, door de dieptewerking van de voorgestelde taferelen de ruimte schijnen te vergroten. De meubelen zijn groot en zwaar van vorm, met kostbare houtsoorten gefineerd en voorzien van rijk geornamenteerd verguld metalen beslag. De stoelen hebben hoge leuningen en lage zittingen, met voorliefde voor afhangende franje. Het was een bloeitijdperk voor de gobelinindustrie, waarvoor Lebrun e.a. de ontwerpen leverden. De voornaamste decorateur was J.L. Bérain. Na de dood van Lodewijk XIV begon voor de decoratieve kunsten de geleidelijke verfijning en beweeglijkheid van van de vormgeving, die zou leiden tot de Louis Quinze-stijl, na de régence.

2. Lodewijk XV (Louis Quinze)

Deze stijl betekent het hoogtepunt van de Franse barok. De tegenstelling tussen het classicistische karakter van het uitwendige van de gebouwen en de barokke interieurs blijft bestaan, maar de verhoudingen worden lichter, de contouren van de panelen golvender, het coloriet teerder (roze, lichtblauw, enz.). Speelsere motieven als chinoiserieën treden in de plaats van de pompeuze details van de Lodewijk XIV-stijl, evenals schelpen en rotsachtige motieven, naar aanleiding waarvan de Louis Quinze-stijl ook rococo genoemd wordt (Hôtel de Soubise, Parijs; appartementen van Lodewijk XV, te Versailles). Nieuw is de asymmetrie van de ornamenten, die zich fraai aanpassen aan de gebogen vormen van meubelen en muurpanelen. Nimmer was de eenheid tussen alle vormen van decoratieve en toegepaste kunst zo groot en de vormgeving zo beweeglijk en gracieus als in het Louis Quinze.

In de meubelkunst verloren de verschillende onderdelen hun zelfstandigheid (poten en armleggers van de stoelen), het ene deel neemt de beweging van het andere over, daarbij versterkt door de juiste toepassing van het ornament, dat rijker aan afwisseling en tevens verfijnder was dan ooit tevoren. Meubelkunst, keramiek, zilver, weefkunst, enz. bereikten een technische volmaaktheid. Tal van nieuwe zitmeubelen, zoals de bergère en de duchesse, brachten meer comfort. G.M. Oppenort, G. Boffrand, J.A. Meisonnier waren de meest begaafde decorateurs, J.F. Oeben en C. Cressent vooraanstaande meubelmakers.

3. Lodewijk XVI (Louis Seize)

Deze stijl bracht in dit alles geen verandering; de luchtige gratie bleef behouden, maar reeds onder de regering van Lodewijk XV was naast de barokke vormgeving een reactie in classicistische zin (zie classicisme) opgetreden (Petit Trianon, Versailles). In de meubelkunst hernamen de verschillende onderdelen weer hun zelfstandigheid, poten en armleggers van de stoelen worden weer gescheiden van de zittingen, fijn gecanneleerde poten dragen de dekbladen der bergmeubelen en commodes, die nu geen gewelfde voorvlakken meer vertonen. Het ornament wordt weer symmetrisch gecomponeerd; aan de antieke kunst ontleende motieven vermengen zich met die uit de Louis Quinze-stijl, waarbij de ontdekking van Herculaneum en Pompeji zeker een rol heeft gespeeld.

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum