![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
lied, de eenvoudigste en meest voorkomende vorm van lyriek, die, al of niet met begeleiding, gezongen wordt of kan worden. Naar de oorsprong onderscheidt men volksliederen en kunst- of cultuurliederen. Onder kunstlied verstaat men een compositie voor (solo)zang. Naar de vorm onderscheidt men het strofenlied of coupletlied, waarbij elk couplet dezelfde melodie heeft, het gevarieerde strofenlied, waarbij in de verschillende strofen wijzigingen in de melodie zijn aangebracht, en het doorgecomponeerde lied, waarbij alle strofen, dikwijls door tussenspelen verbonden, een verschillende melodie hebben. Zie ook kerklied.
De grote liedrepertoires van de 12de- en 13de-eeuwse Provençaalse troubadours, de Franse trouvères en de Duitse Minnesänger (zie Minnesang) vormen het uitgangspunt van de Europese liedgeschiedenis; uit hun eenstemmige, vaak zeer oorspronkelijke liedkunst werd het kunstlied geboren. Weinig bekend is daarnaast de liedkunst van de vaganten. In de 14de eeuw ontwikkelde zich in Frankrijk een geraffineerde begeleide liedkunst (ars nova). Later gebeurde iets dergelijks in Italië (Florence), waar genres als de twee- en driestemmige madrigali en fugatische stukken ontstonden. Het Duitse lied van de Minnesänger (13de eeuw) vond een voortzetting in de producten van het burgerlijke Meistergesang (tot in de 16de eeuw). Een hoogtepunt bereikte het polyfoon begeleide, hoofse lied bij Dufay en Binchois (15de eeuw). In de 15de en 16de eeuw raakte het sololied op de achtergrond. Het begeleide sololied kreeg op het einde van deze periode vooral gestalte in de door luit begeleide Engelse ayrs van Dowland, Morley e.a. (ca. 1600).
In Italië ontstond ca. 1600 een geheel nieuw genre: de monodische aria met homofone, eventueel becijferde begeleiding. Het genre werd in Italië spoedig verdrongen door de opera, maar vond weerklank in Holland (Constantijn Huygens) en vooral in Duitsland (H. Albert). Het geestelijk lied ontwikkelde zich daarnaast o.a. bij Johann Sebastian en Carl Philipp Emanuel Bach tot bij Beethoven.
In de tweede helft van de 18de eeuw ontstond in Duitsland een streven het kunstlied weer tot een intiem genre te maken door het volkslied (of wat men daarvoor hield) als model te gebruiken. Zo ontwikkelde zich het zgn. volkstümliche lied naast de kunstiger liedcomposities van Zumsteeg, Reichardt en Zelter. In het liedoeuvre van Schubert, en daarna in dat van Robert Schumann en Brahms, vond het Duitse romantische lied zijn bekroning. Hugo Wolf bracht in zijn ca. 1890 geschreven liederen enige vernieuwingen, die o.a. een verwijdering van het volksliedkarakter betekenden. Het lied, tot dan vooral met pianobegeleiding, werd aangepast aan de concertzaal, waarin het in die jaren doordrong. In Frankrijk maakte de romantische mélodie zich eerst langzaam los van de salonachtige romance van het begin van de 19de eeuw. Een geheel eigen weg volgde Fauré. Debussy en Ravel namen de tekstdeclamatie als uitgangspunt.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |