Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar klok [luid- en speelklok]

Resultaten van Windows Live® Search

  • Boekwinkel

    In: Klok en Klepel , no.2, december 1961, p.1-8. ... 54. [BOEK] Van paardebel tot speelklok. De ... 154. [BOEK] Profielconstructies van luid- en ...

  • Index Klok & Klepel: Bespreking - Boeken

    Lehr, A. Van Paardebel tot Speelklok [Fehrmann, C.] 14: 31-34: 1972 ... Lehr, A. Profielconstructies van luid- en beiaardklokken in ... Index Klok en Klepel | Nederlandse Klokkenspel-Vereniging

  • mechanische muziekinstrumenten

    Aan iedere klok werden een of meer ... zowel het tempo als de expressie (luid of zacht) konden worden geregeld, en ... begin 18e eeuw (coll. museum van Speelklok tot ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

klok [luid- en speelklok]

Encyclopedieartikel
Artikeloverzicht

Introductie

klok [luid- en speelklok] (Ital.: campana; Fr.: cloche; Duits: Glocke; Eng.: bell), tot de idiofonen behorend bronzen slaginstrument dat in trilling wordt gebracht door een klepel of hamer en in gebruik is als slagklok (bijv. uurslagen), luidklok of speel- of beiaardklok (zie ook beiaard).

1. BOUW

Een klok bestaat uit: a. de kroon waaraan de klok wordt opgehangen (bij kleine klokken dikwijls weggelaten, bij beiaardklokken sinds het einde van de 19de eeuw vrijwel altijd weggelaten); b. de kop, het bovenste platte deel; c. de schouder, de overgang naar: d. de flank, de iets conische zijwand; e. de slagring, het onderste dikkere deel waar de klok wordt aangeslagen; f. de lip, de uiterste onderrand; g. de mond, de open onderzijde. De verhouding van deze onderdelen is: klok (zonder kroon) = 0,8 onderdiameter; de bovenste inwendige diameter is ca. 55% van de onderste. Een klok die één octaaf lager klinkt, heeft een tweemaal zo grote diameter en een achtmaal zo groot gewicht; naarmate het om kleinere klokken gaat, ontwerpt de gieter zijn klokken zodanig dat deze regel niet meer van kracht is. Het brons waaruit klokken worden gegoten, bestaat voor grote klokken uit een legering van 80% koper en 20% tin; kleinere klokken hebben een hoger tingehalte, echter niet meer dan 25%, om de helderheid van de klank te bevorderen.

2. KLEPELS EN HAMERS

Voor het in trilling brengen van de klok worden naar gelang het gebruik de volgende systemen toegepast: a. luidklok: loshangende klepel; b. beiaardklok: een door middel van draden en tuimelaars aan een toets verbonden klepel; c. beiaardklok voor automatisch speelwerk: een of meer hamers aan de buitenzijde van de klok. Een klepel bestaat uit: klepelsteel, klepelbol (bolvormige verdikking onderaan de klepelsteel) en klepelvlucht (deel onder de klepelbol). Een beiaardklepel heeft geen vlucht maar bezit uitsluitend een luidklepel, nodig om de klepel de goede zwaai te kunnen geven. Klepels worden tegenwoordig gemaakt van giet- of smeedijzer, vroeger ook van mangaanmessing (samenstelling: 40% zink, 57% koper, 1% mangaan, 1% tin en 1% aluminium). Het gewicht van de klepel heeft invloed op het timbre van de klok. Een klok met zwaardere klepel zal meer sonoor klinken dan een met een lichte klepel.

3. STEMMING

Bij het stemmen van een klok moet rekening worden gehouden met de uitwendige en de inwendige stemming. De uitwendige stemming is de verhouding van de toonhoogte tot die van de andere klokken en is ook afhankelijk van de materiaalsoort; een stalen klok klinkt een kwint hoger dan een bronzen klok. De inwendige stemming is de juiste hoogte van de boventonen of harmonischen, die, in tegenstelling tot de harmonischen van bijv. een snaar, ieder apart gestemd moeten worden en waarvan de frequenties niet steeds veelvouden zijn van de frequentie van de grondtoon). De inwendige stemming is vooral afhankelijk van het profiel, de uitwendige van afmetingen van de klok.

Van de boventonen worden slechts de eerste vijf (d.i. inclusief de grondtoon) gestemd. Bij een klok met c1 als grondtoon neemt men gewoonlijk als boventonen aan: c2, es2, g2, c2. Deze eerste vijf toondelen (partiaaltonen of partialen) hebben in de beiaardwereld de volgende namen: grondtoon, priem, terts, kwint, octaaf. Deze van de gebruikelijke intervalsbenaming (zie interval [muziek]) afwijkende gewoonte vindt haar oorzaak in de zgn. slagtoon.

3.1 De slagtoon

Bij het aanslaan van een klok wordt een kort durende toon (de slagtoon) waargenomen, die niet samenvalt met de grondtoon en die de andere tonen overheerst. Direct na het verdwijnen van de slagtoon hoort men alle aanwezige toondelen in meer of mindere sterkte (de onderlinge sterkteverhouding is: grondtoon: mezzo forte (matig luid); priem: fortississimo (heel erg luid); terts en kwint: forte (luid); octaaf: fortissimo (erg luid). De uitklinktijd is het langst hoorbaar van achtereenvolgens grondtoon, terts, priem, octaaf, kwint.

De slagtoon kan met fysische hulpmiddelen niet worden aangetoond. Gebleken is echter dat hij vooral afhangt van het vijfde toondeel, maar een octaaf lager klinkt. Hij valt dus bij een goed gestemde klok samen met het tweede toondeel, de priem. Is bij een klok het octaaf te laag ten opzichte van de priem, dan zal ook de slagtoon te laag zijn en, op dezelfde hoogte als de priem liggend, hiermee zwevingen vertonen. Voor de luisteraar geeft dit de gewaarwording dat de klok in toonhoogte stijgt: eerst klinkt de overheersende, te lage slagtoon, die spoedig is verklonken, waarna de priem op de juiste hoogte waarneembaar wordt.

4. GESCHIEDENIS

Reeds in de oudheid kwamen klokken voor, in China, Egypte, Babylonië, Assyrië, Griekenland, en elders, bijv. in Afrika (koninkrijk Benin). China kende al ver voor onze jaartelling zeer grote klokken (zie ook Chinese muziek); in de andere culturen kwamen slechts kleine klokjes voor. Deze oude klokken komen wat de vorm betreft weinig overeen met wat wij tegenwoordig onder een klok verstaan. De vorm was meestal die van een open schaal of een bijenkorf. In Chinese en Japanse tempelbellen, maar ook in Zuidoost-Aziatische en Indiase klokken, zijn deze oude modellen nog bewaard gebleven. In gebieden waar brons schaars was, werden klokjes gemaakt van aan elkaar gesmede of geklonken platen. In Europa kwamen klokken tot de opkomst van het christendom nauwelijk voor. Klokken zijn hier waarschijnlijk met monniken uit Egypte bekend geworden. Uit de middeleeuwen zijn in Duitsland nog ca. 15 klokken van een bijenkorfmodel bewaard gebleven. Omstreeks de 12de eeuw veranderde het model: het werd slanker en naar boven toe sterk conisch. In de 13de eeuw benaderde de vorm voor het eerst de huidige, maar pas in de 17de eeuw (m.n. door de broers Hemony) was men de stemkunst geheel meester en ontstonden er goede beiaardklokken.

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum