![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
klarinet (v. Lat. clarus = helder; Ital.: clarinetto; Fr.: clarinette; Duits: Klarinette; Eng.: clarinet), een houten blaasinstrument met cilindrisch geboorde buis, aan de bovenzijde afgesloten door de kop (snavel), waarop zich een enkel rietblad bevindt. Aan de kop is een opening waartegen het riet door middel van een rietklem of koordje wordt vastgehouden. Het rietblad, dat functioneert als opslaande tong, brengt de luchtkolom in trilling; het heeft geen eigen trillingsfrequentie, maar moet de frequenties kunnen weergeven van alle tonen van de gehele toonomvang van het instrument. Bij de klarinet worden bepaalde harmonischen ( 'boventonen'; 3, 5, 7, 9) meer versterkt dan bij fluit, hobo en fagot. Bij het overblazen wordt een harmonische overgeslagen, waardoor een groter aantal tonen verkregen moet worden door middel van toongaten met kleppen. Dit betekent dat de applicatuur uitgebreider en ingewikkelder is dan die van de octaverende blaasinstrumenten (fluit, hobo, fagot). De applicatuurproblemen hebben tevens tot het bouwen van instrumenten in verschillende stemmingen geleid. Bij de transponerende instrumenten verandert de voortgebrachte toon, terwijl de greep voor de bespeler hetzelfde blijft. Een gegrepen C klinkt als A op een zgn. A-klarinet en klinkt als Bes op een Bes-klarinet.
Men onderscheidt A-, Bes-, C- (grepen identiek aan toonhoogte), D- en Es-klarinetten (D- en Es-klarinetten zijn zgn. hoge klarinetten). In het symfonieorkost worden de Bes- en A-klarinet het meest gebruikt. De D- en Es-klarinetten worden voor speciale klankeffecten toegepast (o.a. door Berlioz, R. Strauss, Mahler, Ravel). In het harmonie-orkest vervult de Bes-klarinet de rol van melodievoerend instrument. De toonomvang van de klarinet heeft de volgende registers: schalmei-register (van e tot e1); middenregister (f1 tot bes1), het register van bes1 tot c3, waarin de meeste soli geschreven worden vanwege het fraaie timbre, en ten slotte het hoge register van d3 tot g3 (schril). De verschillende buislengten van de klarinetten zijn: Es-klarinet 48 cm; C-klarinet 52,5 cm; Bes-klarinet 67 cm; A-klarinet 70,5 cm. De onderdelen zijn: kop met riet, tonnetje (voor het stemmen), boven- en onderstuk, klankbeker. Tot de familie van de klarinet behoren de bassethoorn en de basklarinet, die sinds de tweede helft van de 19de eeuw naast de andere klarinetten gebruikt worden. De basklarinet werd aanvankelijk in vele vormen geconstrueerd, waarbij de problemen vooral werden veroorzaakt door de grote buislengte (134 cm), de klankhoedanigheid, de stemming en de bespeelbaarheid; de vingers konden nl. de wijd uiteenliggende gaten niet bereiken, waardoor bij de applicatuur lange assen nodig waren, hetgeen weer een vlotte speeltechniek belemmerde. In 1839 bouwde Adolphe Sax een basklarinet die aan de gestelde eisen voldeed. Deze clarinette basse recourbée (= omgebogen) had een uitstekend werkende applicatuur, een goede stemming en een prachtige toon. Dit instrument verdrong vrijwel alle toen in gebruik zijnde typen basklarinetten. De moderne basklarinet is gewoonlijk een Bes-klarinet (een octaaf lager dan de gewone Bes-klarinet). De toonomvang is van D groot tot f2. De notatie is één toon (Duitse notatie) of een none (negen tonen) hoger dan de klank (Franse notatie). R. Strauss gebruikte de basklarinet vooral in zijn Don Quixote en Tsjaikovski in zijn Notekrakersuite (Danse de la fée dragée).
Een instrument met enkel rietblad bestond reeds bij de Egyptenaren. In de islamitische wereld was o.a. de dubbelklarinet bekend, bestaande uit twee, ca. 33 cm lange, tezamen gebonden rieten buizen. Uit een groot aantal verwante instrumenten ontwikkelden zich de voorlopers van de Europese klarinet. Deze instrumenten hadden vóór de 18de eeuw nog geen geprononceerde verschillen, waardoor een duidelijke indeling nog niet mogelijk was. De chalumeau (een volksinstrument uit de renaissance) wordt algemeen beschouwd als het instrument waaruit de klarinet is voortgekomen. Met name Joh. Christ. Denner (Neurenberg 1655–1707) en zijn zoon brachten verbeteringen aan de chalumeau aan, waardoor het echte klarinettype ontstond. Begin 18de eeuw ontwikkelde de klarinet zich van volks- tot orkestinstrument. Omstreeks 1760 werd het vrij algemeen gebruikt. In het symfonieorkost werden klarinetten nog wel door hoboïsten bespeeld, omdat hobo en klarinet aanvankelijk niet gelijktijdig voorkwamen. Neemt men in aanmerking dat het spelen van een hoge trompetpartij 'clarino-blazen' werd genoemd, dan is daaruit misschien de naam klarinet te verklaren. Allerlei technische verbeteringen in de applicatuur, waaronder het van Th. Böhm afkomstige kleppenmechanisme, verschaften het instrument meer mogelijkheden en verbeterden de toon. Zij maakten de klarinet tot de 'beweeglijkste' van de houten blaasinstrumenten, wat m.n. ook in de jazz is waar te nemen (Benny Goodman).
De chalumeau en de klarinet waren eerst echte volksinstrumenten. Als orkestinstrument verving zij eerst de trompet (clarino) met haar hoge tonen, later verwierf zij zich een zelfstandige plaats naast de fluiten en hobo's. Na een eerst zeer spaarzame toepassing is Mozart een van de eersten geweest die de waarde van de klarinet gingen inzien. Zijn concert voor dit instrument (K.V. 622) en vele andere werken met klarinet getuigen hiervan. Beethoven gebruikte het instrument in al zijn orkestwerken. Schuberts Der Hirt auf dem Felsen bevat een belangrijke obligate klarinetpartij. Voor de romantici was de klarinet door haar prachtige klank een onmisbaar instrument. Het solorepertoire van de klarinet (concerten, sonates, kamermuziek, enz.) is – zowel op klassiek als op modern terrein – zeer uitgebreid. Ook de eigentijdse componisten maken graag gebruik van de typerende klankmogelijkheden van de klarinet.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |