![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
kerklied, de eenstemmige zang van de christelijke gemeente tijdens de eredienst, meestal gebouwd op een metrische, strofische tekst en naar de melodie verwant aan het volkslied. Het kerklied onderscheidt zich aldus zowel van de liturgische koor- en solozang als van het niet-kerkelijke, meer subjectieve geestelijke lied, al is de grens niet altijd duidelijk te trekken.
De basis voor het kerklied leverden de oudtestamentische psalmen zoals die in de synagoge werden gezongen en die in alle liturgieën bleven gehandhaafd. Het metrische en strofische kerklied deed zijn intrede met de aan Griekse volksliederen verwante Byzantijnse hymnen, die op hun beurt een model vonden in de Syrische hymnen van de heilige Ephrem (4de eeuw). In de Latijnse liturgie hadden de hymnen van Hilarius van Poitiers en Ambrosius van Milaan succes, vandaar Ambrosiaanse hymnen (vanaf 4de eeuw). Het zijn vaak getijdenliederen. Van Ambrosius stamt het morgenlied Aeterne rerum conditor, van Sedulius A solis ortus cardine; bekend werden ook Christe qui lux es et dies en het processielied van Venantius Fortunatus Vexilla regis prodeunt. Verwant aan de vroeg-christelijke hymnen zijn sommige niet-metrische gebeden en lofzangen zoals het Te-Deum laudamus, naar de vorm gelijkend op de profetische zangen van de oosterse riten.
Aan het vroeg-christelijke hymnenrepertoire werden in de Karolingische tijd nog enkele specimina toegevoegd, zoals de pinksterhymne Veni Creator Spiritus van Hrabanus Maurus en de antifoon Media vita in morte sumus van Notker Balbulus (9de eeuw). De hymnen vonden vooral hun plaats in de getijdendiensten of ‘horae’; in het algemeen raakte het lied van de gemeente sinds de Karolingische tijd wat op de achtergrond door het opkomen van de Gregoriaanse koor- en solozang. Niettemin hebben sommige latere zgn. rijmsequenties (oorspronkelijk voortgekomen uit de allelujazang van het graduale van de mis) vanaf de 12de eeuw grote populariteit verkregen, zoals de pinkstersequentie Veni Sancte Spiritus, het sacramentslied Lauda Sion van Thomas van Aquino en de franciscaanse sequenties Dies irae (uit de dodenmis) en Stabat Mater dolorosa uit de 13de eeuw. Naar de tekst strofisch zoals de hymnen, hebben zij muzikaal een wat ingewikkelder vorm. De laat-middeleeuwse mystiek bracht een aantal op het lijden van Jezus geïnspireerde liederen voorts, zoals Salve caput cruentatum, dat later door het lutherse piëtisme van de 18de eeuw vertaald werd als O Haupt voll Blut und Wunden. Een aantal laat-middeleeuwse geestelijke liederen in de volkstaal werd later door de Reformatie tot kerklied gemaakt.
Luther was de promotor van het evangelische kerklied; in het lutherse gezangboekje van 1524 staan er 24 van Luther zelf, waaraan hij later nog 12 toevoegde. Bekend is van hem Ein fester Burg; voorts Mitten wir im Leben, Wir glauben all, Vom Himmel hoch, enz. Latijnse hymnen, rijmsequenties, misteksten, enz. vormden zijn uitgangspunt, zowel tekstueel als muzikaal; daarnaast schiep hij geheel nieuwe liederen. Joh. Walther was daarbij zijn medewerker, naast anderen. Het kerkliedrepertoire breidde zich snel uit en bereikte grote bloei in de 17de eeuw, dankzij o.a. de dichter Paul Gerhardt. Piëtisme en rationalisme maakten hieraan een einde, al ging de productie voort. Vele kerkliederen verkregen bekendheid door Bachs zettingen ervan. Omstreeks 1925 begon in de Lutherse Kerk in Duitsland een renaissance van het kerklied, waarbij de oude voorbeelden weer werden nagevolgd. Anders dan Luther, wilde Calvijn slechts ‘schriftuurlijke’ kerkliederen toelaten, dwz. op teksten ontleend aan de bijbel, dus de 150 psalmen en de cantica van het Nieuwe Testament, zoals de lofzangen van Maria, van Zacharias en van Simeon. Zo ontstond het hugenotenpsalter op teksten van Clément Marot en Theodorus Beza, met melodieën van L. Bourgeois en Maître Pierre (vaak geadapteerde versies van wereldlijke liederen). In de Nederlanden werden niet de ‘Souterliedekens’ van Willem van Zuylen van Nijenvelt (1540) (naar volksliedmelodieën), maar de middelmatige psalmvertaling van Dathenus en de melodieën van Bourgeois en Maître Pierre gehandhaafd. Pas in 1773 werden de Dathenusteksten vervangen door een keur uit 18de-eeuwse vertalingen, die op hun beurt, afgezien van enige bijkomstige wijzigingen, in gebruik bleven tot de invoering in 1968 van de geheel nieuwe psalmberijming (waarvan reeds in 1961 een ‘proeve’ van 110 psalmen was verschenen). De melodieën, die vooral ritmisch ontaard waren, werden in ere hersteld volgens de overlevering van het Geneefse Psalter van Bourgeois. In 1807 voerde de Nederlandse Hervormde Kerk een bundel gezangen in, vooral ontleend aan lutherse voorbeelden, die aanleiding gaf tot veel kerkelijke strijd. De in de Nederlandse Hervormde Kerk gebruikte gezangenbundel uit 1938 werd in 1973 vervangen door het Liedboek voor de Kerken. In de Anglicaanse Kerk werd aan de (vaak rijmloze) bewerkingen van klassieke hymnen en getijdenliederen in de loop van de tijd een aantal nieuwe ‘hymns’ toegevoegd, die in de 18de eeuw, onder invloed van o.a. het methodisme, een meer subjectief karakter kregen. Sommige van deze methodistenliederen werden intussen van betekenis voor het ontstaan van de spiritual in de Amerikaanse zwarte gemeenten.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |