Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar kamermuziek

Resultaten van Windows Live® Search

  • Nijmeegse Stichting voor Kamermuziek

    De Nijmeegse Stichting voor Kamermuziek biedt: programma's met musici van wereldfaam; bij een abonnement bijna 40% korting op de toegangsprijs ; extra kortingen voor scholieren en ...

  • Kamermuziek

    Kamermuziek ... A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z 0-9 Bewerk deze pagina. Kamermuziek Verzamelnaam voor instrumentale en vocale muziek in kleine bezetting.

  • KAMERMUZIEK IN HET GROEN

    Kamermuziek in het groen. zondag 15 juni 2008. Stadswandelpark Eindhoven 13:30-18:15 uur – toegang gratis

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

kamermuziek

Encyclopedieartikel
Multimedia
Haydns strijkkwartet in C, opus 76, nr 3, KeizerkwartetHaydns strijkkwartet in C, opus 76, nr 3, Keizerkwartet
Artikeloverzicht

Introductie

kamermuziek, muziek voor enkelvoudig bezette, instrumentale en/of vocale ensembles, bestaande uit twee tot ca. 15 uitvoerenden.

1. 16de-18de eeuw

De kamermuziek heeft zich als een zelfstandige categorie ontwikkeld met de opkomst van een niet meer aan de kerkelijke of feodale functies gebonden burgerlijke muziek (tweede helft 16de eeuw). Aanvankelijk was nog sprake van relatief variabele bezettingen (m.n. in de Italiaanse muziek), maar de kamermuziek van de 17de eeuw (Frankrijk, Duitsland) tendeerde naar een gestandaardiseerde bezetting: de triosonate (twee solo-instrumenten, een klavecimbel, aangevuld met een viola da gamba ter versterking van het basfundament). In die tijd werd de tegenstelling tussen de kerksonate (sonata da chiesa) en de burgerlijke kamermuziek (sonata da camera) duidelijker. Hoewel de twee categorieën technisch zeer verwant waren, onderscheidden zij zich steeds meer inhoudelijk: de kerksonate sloot een compromis tussen de functionele kerkmuziek en de nieuwe burgerlijke stijlen, terwijl de kamersonate een wereldlijk, meestal blijmoedig karakter kreeg en (m.n. in Frankrijk en Italië) ook sommige elementen van de volksmuziek integreerde. Naast het kleine ensemble kwamen andere – meer solistische – vormen tot stand: de muziek voor een solotoetsinstrument trad geleidelijk op de voorgrond en leidde weer tot de ‘openbare’ concertmuziek: aan de ene kant werd de ‘suite’, een volgorde van gestileerde dansen, ontwikkeld (Frohberger, Bach), aan de andere kant ontstond de virtuoze solomuziek (Couperin), die leidde tot de ontwikkeling van het soloconcert, waar een ‘virtuoos’ met een instrumentaal ensemble wordt geconfronteerd (Vivaldi, Bach, Haydn, Mozart).

2. 18de-19de eeuw

In de 18de en 19de eeuw vond er een sterke differentiatie plaats. De 17de-eeuwse burgerlijke kamermuziek werd grotendeels overgenomen in de feodale en aristocratische muziekpraktijk en bleef hier stilistisch stagneren. Het soloconcert vertoonde een zelfstandige ontwikkeling en paste zich geleidelijk aan bij de ontwikkeling van de symfonische orkestmuziek (Dittersdorf, Mozart, Beethoven, Schumann). De zelfstandige kamermuziek werd steeds meer onttrokken aan de huiselijke sfeer (Schumann, Mendelssohn, Liszt, Brahms). Was de kamermuziek van de 17de eeuw nog vnl. het domein van de burgerlijke dilettant, in de 19de eeuw werd ze steeds meer geprofessionaliseerd en aan de amateuristische praktijk onttrokken (Beethovens late strijkkwartetten, Schubert, Brahms; Schumann, Liszt en Chopin: werken voor solopiano). De voor deze periode typerende bezettingen zijn de virtuoze duosonate (meestal viool en piano), trio, kwartet, kwintet (vaak strijkkwartet en piano- of blazerskwintet), sextet, septet, oktet en nonet, waarbij de laatste bezettingen soms uit een combinatie van strijkers en blazers of meestal uitsluitend uit blazers bestaan. Op vocaal gebied ontwikkelde zich het door de piano begeleide lied, het a capellakoor, en in de tweede helft van de 19de eeuw ook steeds meer het door piano begeleide gemengde of mannenkoor. De professionele kamermuziek nam in die tijd steeds meer symfonische vormen aan.

3. 20ste eeuw

In de 20ste eeuw ontwikkelde zich een gespecialiseerde kamermuziek voor concertgebruik (Debussy, Reger, Schönberg). Ook kwamen genres op als de kamersymfonie (Arnold Schönberg), het kamerconcert (Alban Berg) en de kameropera (Richard Strauss: Ariadne auf Naxos; Paul Hindemith: Cardillac).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum