Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Janáček, LeošEncyclopedieartikel
Janáček, Leoš (Hukvaldy, Oost-Silezië, 3 juli 1854 – Ostrava 12 aug. 1928), Tsjechisch componist, dirigent en pedagoog, zoon van een dorpsonderwijzer, ging in 1874 studeren aan de Praagse orgelschool, het jaar daarop behaalde hij het staatsexamen voor muziekonderwijs. In 1879–1880 studeerde hij bij Grill en Paul te Leipzig; daarna zette hij zijn studies in Wenen voort. In 1881 richtte Janáček te Brno de Moravische Orgelschool op, waarin een kerkmuziekschool en een conservatorium verenigd waren en waaraan hij tot 1925 compositie doceerde. Samen met F. Bartoš bestudeerde hij in de jaren negentig het volkslied. Zijn eerste compositorische succes werd de opera Jenufa (1894–1901), die in 1904 te Brno werd uitgevoerd, maar die tot 1916 door Praag werd geweigerd. In 1918 begon Janáčeks roem zich in de muziekwereld te verbreiden, nadat in dat jaar Jenufa in Wenen was uitgevoerd. In 1925 benoemde de universiteit te Brno hem tot eredoctor en werd hij lid van de academies van Praag en Berlijn. Via de bestudering van het volkslied en via wetenschappelijk onderzoek kwam Janáček tot zijn ‘taalmelodie’. De ritmisch-melodische bouwstoffen werden bepaald door taalmotieven; de verhouding tussen woord en toon neemt een belangrijke plaats in bij zijn compositiemethodes. Polyfonie en sonatevorm maakten plaats voor de variatievorm, waarin de ritmische en melodische inventies (in belangrijke mate door het volkslied bepaald) sterk werden geaccentueerd. Zo week Janáček af van de traditie die door Smetana, Dvořák en Josef Suk was gevestigd, en hij deed dit ingrijpender en eerder dan Bartók en Kodály in Hongarije. Voor het eerst paste hij deze methode toe in Jenufa. De toneelmuziek bij Hauptmanns komedie Schluck und Jau (1928) is een van de weinige werken waarin Janáček zich als componist buiten de nationale sfeer heeft bewogen. In Brno is een Janáček-archief gevestigd. WERK: Orkest: 2 suites (1877, 1891); Taras Bulba (1915–1918; première 1921); Sinfonietta (1926). – Kamermuziek: o.a. 2 strijkkwartetten (Kreuzersonate, 1923; Intieme brieven, 1928); blazerssextet Mládi (= Jeugd, 1924); Concertino (1926; piano en 6 instr.); Capriccio (1926; piano linksh. en 8 instr.). – Opera's: Sarka (1887–1925); Jejì Pastorkyna (= Jenufa, 1894–1903); Osud (1903–1904); De uitstapjes van meneer Brouček (1908–1917; première 1920); Katja Kabanova (1919–1921); Het sluwe vosje (1921–1923: première 1924); De zaak Makropoulos (1923–1925; première 1926)); Uit een dodenhuis (1927–1928; première 1930; n. Dostojevski)). – Ballet: Rákos Rákoczy (1891). – Religieuze muziek: o.a. Ave Maria (verm. 1901); Glagolotische mis (1926). – Voorts: veel pianomuziek en vocale werken, w.o. cantates en de liederencyclus Dagboek van een verdoolde (1917–1919). – Geschriften: Over compositie en akkoordrelaties (1897); Harmonieleer (1912–1913). UITG: B. Štědrorň, L. Janáček. Letters and reminiscences (1955; Eng. vert.); Th. Straková, L. Janáček. Musik des Lebens: Skizzen, Feuilletons, Studien (1979; Duitse vert.); L. Janáček, Briefe an die Universal Edition, d. E. Hilmar (1988); M. Zemanova (red.), Janáček's uncollected essays on music (1989).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |