Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
Italië (officieel: La Repubblica Italiana), republiek in het zuiden van Midden-Europa, 301 323 vierkante kilometer (1998 reëel), met 58 145 321 inwoners (2008 schatting); 198 personen per vierkante kilometer (2008 schatting). De hoofdstad is Rome (Roma). De naam Italië is afgeleid van Italia. Binnen de geografische grenzen van Italië liggen de onafhankelijke republiek San Marino en de soevereine staat Vaticaanstad. Munteenheid van Italië is de euro, onderverdeeld in 100 eurocent. Tot 1 jan 2002 werd betaald met de lira (L); 1 euro is 1936,27 lire. Nationale feestdagen zijn 25 april (einde fascisme en Duitse bezetting in 1945) en 2 juni, de dag waarop Italië in 1946 een republiek werd, telkens gevierd op de eerste zondag van juni. De internetlandcode (TLD) is it. Italië is op grond van zijn lidmaatschap van de G8 een economische grootmacht, hoewel zijn financiële huishouding veel te wensen overlaat. De verschillen in het land zijn groot. In het welvarende noorden gaan industriële nijverheid en efficiëntie hand in hand, het armlastige zuiden kan zich niet uit de greep van de georganiseerde misdaad losmaken. Italië is een geliefd vakantieland. Het is wereldwijd de vierde bestemming van toeristen.
Italië bestaat uit vier landschappen: het Alpengebied, de Povlakte, het Apennijns schiereiland en de eilanden. Het Alpengebied omvat geheel Noord-Italië met een wijde boog (900 km lang en 150–220 km breed), die begint met de Ligurische Alpen en zich tot de Italiaans-Sloveense grens voortzet. Met enkele uitzonderingen volgt de grens van Italië, met resp. Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk, de hoofdkam van de Alpen. Een aantal passen maakt van oudsher het verkeer met de landen ten noorden van de Alpen mogelijk. De Povlakte is een door de Alpenrivieren geleidelijk met alluviaal materiaal opgevulde, zich naar het oosten toe verwijdende vlakte, ca. 500 km lang, zeer vruchtbaar en door de Po en haar talrijke zijrivieren bevloeid. In dit gebied treden herhaaldelijk overstromingen op. Het Apennijns schiereiland, dat een opmerkelijke vorm heeft die enigermate aan een kaplaars doet denken, heeft als ruggengraat het Apennijnengebergte, een zijtak van de Alpen. Sicilië en Sardinië zijn de grootste eilanden. Kleinere eilanden zijn o.m. Elba, de vulkanische Liparische eilanden (met de vulkaan Stromboli), Ischia en Capri. Het Apennijns schiereiland en Sicilië zijn gebieden van tektonische onrust in verband met de breukrand van de grote dalingsgebieden van de Middellandse Zee. Van vulkanisme getuigen o.a. de Vesuvius bij Napels, Etna op Sicilië, talrijke zwavel- (solfataren), gas- (fumarolen) en koolzuurbronnen (mofetten) en slijkvulkanen.
De Italiaanse meren zijn gedeeltelijk van het Alpentype (voormalige tongbekkens van gletsjers: Lago di Garda, Lago di Como, Lago Maggiore), gedeeltelijk ontstaan uit oude kraters (Lago di Vico, Lago di Bolsena e.a.), gedeeltelijk (vermoedelijke) overblijfselen van een pliocene zeestraat (Lago Trasimeno en de kleine meren van Montepulciano en Chiusi). De Po voert met talrijke zijrivieren (Dora Riparia, Dora Baltea, Ticino, Adda, Oglio, Mincio) het water van het Alpengebied af, met andere (Tanaro, Trebbia, Nure, Taro, Parma, Enza, Secchia) het water uit de Apennijnen; de brede delta schuift door afzetting van slib steeds verder de Adriatische Zee in. Een deel van het uit het Alpengebied afkomstige water vloeit ondergronds af; in de Povlakte treedt het in talrijke bronnen (fontanili) te voorschijn. De van de Apennijnen naar de Adriatische Zee afstromende rivieren zijn meestal kort en hebben een zeer onregelmatige waterstand; de grotere rivieren Arno, Ombrone, Tiber, Garigliano en Volturno monden alle in de Tyrrheense Zee uit.
De geologische bouw van Italië wordt in belangrijke mate beheerst door de Apennijnen. In de Zuid-Alpen, in Calabrië en op Sardinië vindt men gesteenten, vnl. kristallijne schisten en granieten, behorend tot het variscisch orogeen. Op dit grondgebergte ontwikkelde zich een geosynclinale. De dikte van de daarin tijdens het Mesozoïcum afgezette gesteenten is hier vrij gering (3000–4000 m). Tijdens de Trias en Jura vormden zich veel evaporieten, kalken en dolomieten, terwijl het Krijt gekenmerkt is door veel vulkanische gesteenten, serpentinieten en radiolarieten. In het Oligoceen vond een belangrijke sedimentatie plaats van gegradeerde zandstenen, een zgn. Flysch-afzetting. De tektoniek van de Apennijnen is zeer gecompliceerd door de aanwezigheid van vele incompetente gesteenten, die aanleiding gaven tot veel chaotische structuren. De plooiing vond plaats in het Tertiair, gedeeltelijk reeds in het Eoceen, gedeeltelijk in het Mioceen. De jongste geschiedenis is gekenmerkt door een belangrijke jong-tertiaire en kwartaire sedimentatie in de Povlakte en het recente vulkanisme, zoals dat van de Vesuvius, Etna en Stromboli. De belangrijke seismische activiteit in Zuid-Italië wijst op het voortduren van tektonische bewegingen.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |