Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Italiaanse letterkunde

Resultaten van Windows Live® Search

  • Inleiding Italiaanse letterkunde - UvA Studiegids - Vak beschrijving

    Vakcode IT63121 Studielast 5 Periode(n) Semester 2 (en Italiaans) De module biedt een globaal overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen in de Italiaanse literatuur en cultuur ...

  • UBA - Italiaans

    Vakspecialistische bronnen voor Italiaans. ... Verzamelpagina's Italiaanse taal- en letterkunde Internetbronnen Italiaans Letterkunde: prachtig overzicht van websites, verzameld ...

  • bachelor

    bachelor Italiaanse taal en cultuur ... Inleiding Italiaanse letterkunde Inleiding Italiaanse taalkunde Inleiding literatuurwetenschap (sem. 2)

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Italiaanse letterkunde

Encyclopedieartikel
Multimedia
Goldoni: Le baruffe chiozzotteGoldoni: Le baruffe chiozzotte
Artikeloverzicht

Introductie

Italiaanse letterkunde, de literaire productie van het Italiaanse schiereiland, inclusief het Zwitserse Ticino (zie Zwitserse letterkunde). Omstreeks 1200 is er voor het eerst sprake van literaire toepassing van het ‘volgare’, dwz. van het uit het vulgair Latijn ontstane middeleeuws Italiaans. Kenmerkend voor de Italiaanse situatie is dat er tot 1861 geen sprake is van een Italiaanse eenheid, maar van een veelheid van cultuurcentra en dat na de staatkundige eenheid van 1861 de Italiaanse literatuur een regionaal karakter blijft houden.

1. Middeleeuwen

Aan het begin van het ‘Duecento’ (= de 13de eeuw) kan men twee literaire hoofdstromingen onderscheiden. In Umbrië vond de herleving van het volksreligieuze sentiment zijn beste expressie in het Cantico delle creature van Franciscus van Assisi (1182–1226) en in de laudi van Jacopone da Todi. In Palermo, aan het hof van Frederik II van Hohenstaufen (1194–1250), bloeide de zgn. Siciliaanse School. De dichters van deze ‘school’ putten hun inspiratie uit de Provençaalse hoofse liefdespoëzie. Belangrijke vertegenwoordigers waren Giacomo da Lentini, Rinaldo d'Aquino, Pier della Vigna, Giacomino Pugliese en Cielo d'Alcamo.

Met de dood van Frederik II (1250) en definitief met de val van het huis Hohenstaufen na de Slag van Benevento (1266), kwam er een einde aan de Siciliaanse School; het culturele zwaartepunt verplaatste zich naar Toscane. In het pogen een nieuwe taal te scheppen, onderscheidden zich in de 13de eeuw vooral Chiaro Davanzati en Guittone del Viva d'Arezzo, maar pas met Guido Guinizzelli vonden deze pogingen in Bologna, zetel van een universiteit van Europese faam, een eerste organische systematiek, zowel ideologisch als stilistisch. Op deze thematiek legden in het kader van de ‘dolce stil nuovo’ vooral Guido Cavalcanti en Cino da Pistoia de nadruk. Zij idealiseerden vooral de verlossende functie van de liefde voor de vrouw. Het begrip liefde krijgt nu in plaats van de aardse invulling van de hoofse liefdeslyriek, religieuze connotaties.

Dante Alighieri, die van de Vita nuova tot de Divina Commedia hieraan zijn motieven ontleende, steeg al gauw ver boven zijn voorgangers uit; hij was een subliem, dichterlijk vertolker van het middeleeuwse, christelijke wereldbeeld en zijn Goddelijke Komedie behoort tot de meesterwerken van de wereldliteratuur.

2. Humanisme en renaissance

De nieuwe beschaving van humanisme en renaissance stelde de bezorgdheid om het bovenaardse van de middeleeuwse mens in de schaduw; de studie van de klassieken werd hernieuwd. De nieuwe mentaliteit vond in de Italiaanse republikeinse stadstaten (comuni) een vruchtbare voedingsbodem. De ontwikkelingen komen duidelijker tot uiting in de canzoniere van Francesco Petrarca en in de Decamerone van Giovanni Boccaccio dan bij Dante, hoewel deze de expressieve mogelijkheden van het vulgair Italiaans bijzonder had verruimd en er ook over had getheoretiseerd.

De stijl van Petrarca zou de dominante stijl zijn van de Italiaanse lyriek tot aan de 18de eeuw en Boccaccio smeedde het model voor het Italiaanse proza, dat alleen in de romantiek met Manzoni zou worden overtroffen. Na de 14de eeuw heeft het Italiaans wisselend succes. In de eerste helft van de 15de eeuw droeg het feit dat men voortging te schrijven in het Latijn bij tot de omstandigheid dat het Italiaans niet de gelegenheid kreeg zich te ontplooien, ook al werden nieuwe ideeën uitgewerkt in centra van het humanisme, als Napels, Rome, Florence, Urbino, Ferrara en Padua. Aan het einde van de 15de eeuw vormde zich in Florence echter een groep schrijvers rond Lorenzo de'Medici (1449–1492), zelf dichter en vooral bevorderaar van de Italiaanse literatuur. Van deze groep zijn o.a. te noemen Il Poliziano, wiens Orfeo gezien wordt als het eerste wereldlijke drama in Italië, en Luigi Pulci, de initiator van de Italiaanse ridderpoëzie. Aan het hof van de Estes in Ferrara werkte Boiardo, die met zijn Orlando Innamorato eveneens een exponent van de ridderpoëzie was.

Met de inval van Karel VIII van Frankrijk (1494) ging het evenwicht tussen de Italiaanse staten verloren en begon de reeks van buitenlandse invasies. Ariosto's Orlando furioso (begonnen in 1506) bevat de dramatische neerslag van de gebeurtenissen van die tijden. Het belangrijkste politieke probleem, het falen van het tot stand brengen van nationale eenheid, werd scherp onder de aandacht gebracht in Niccolò Machiavelli's Il Principe (uitgeg. 1532). Als schrijver van een Storia d’Italia (geschreven 1537) toonde Francesco Guicciardini zich een man met een modern aandoende werkelijkheidszin.

Ondanks de politieke situatie bloeide aan het begin van de 16de eeuw de Italiaanse letterkunde als nooit tevoren, m.n. de traktaat- en dialoogliteratuur (o.a. Castiglione met Il Cortigiano, Aretino met de Ragionamenti en Bembo met Gli Asolani). Bovendien gaf Bembo in Prose della volgar lingua (1525) een oplossing voor de taalkwestie door zijn keuze op het 14de-eeuwse Toscaans van Petrarca en Boccaccio te bepalen, met deze keuze ontstond eveneens het petrarkisme in de poëzie.

De tweede helft van de 16de eeuw werd gekenmerkt door een verdere economische achteruitgang en feodalisering, de Spaanse overheersing en de Contrareformatie. Uit deze periode van maniërisme is Battista Guarini's herdersspel Il pastor fido (1590), dat in heel Europa grote weerklank vond. Ook Torquato Tasso's Gerusalemme liberata (voltooid 1575) is een rijpe vrucht van de laat-renaissance. Beide schrijvers grepen ook vooruit op de smaak van de 17de eeuw.

3. 17de eeuw

In de 17de eeuw domineerden de spelers van de tijdloze commedia dell'arte het Europese theater, op het gebied van de muziek ontwikkelde zich het melodrama, als uitdrukkingsvorm van een veelzijdig menselijk gevoel, maar vooral moet Marino, met het gedicht L'Adone (1623), genoemd worden als dé vertolker van de barokke sensibiliteit. De Spaanse overheersing, Contrareformatie en inquisitie hebben ongetwijfeld ertoe bijgedragen dat vernieuwingen op religieus, literair en wetenschappelijk terrein sterk gecontroleerd en gecensureerd werden, de filosofen Giordano Bruno en Tommaso Campanella en de wetenschapper Galileo Galilei hebben hiervan zwaar te lijden gehad.

Vorige
|
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum