Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Israël [land] |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 7 van 7
Israël [land]Encyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Toeristische gegevens; 6. Geschiedenis; 7. De 21ste eeuw
In 1977 werden de parlementsverkiezingen niet, zoals gebruikelijk, gewonnen door de Arbeiderspartij maar door de conservatieve Likud-partij onder Menachem Begin. Deze vormde een coalitie met Jigal Jadin van de nieuw opgerichte Democratische Beweging. Belangrijke achtergrond van het verlies van de Arbeiderspartij was de nasleep van de Oktoberoorlog. Weliswaar had Israël zich uiteindelijk militair staande gehouden, maar de mythe van onoverwinnelijkheid was gebroken. De oorlog had bovendien een economische crisis tot gevolg, die leidde tot emigratie, een gevoelig issue in de Israëlische politiek. Voorts waren de verschillende regeringen van de Arbeiderspartij weinig consistent tegenover de kolonisatie-acties van het rechts-religieuze Goesj Emoniem (Blok der Getrouwen) in de Bezette Gebieden, die Palestijns verzet uitlokten. Bij gemeenteraadsverkiezingen in 1976 stemde de gepolitiseerde Palestijnse bevolking massaal op de PLO, terwijl de Israëlische Palestijnen zich in toenemende mate solidair verklaarden met de Palestijnen in de Bezette Gebieden. Eind 1977 was er een vredesinitiatief van president Sadat van Egypte, die in november naar Israël kwam voor een bezoek aan Begin. In 1978 kwam onder bemiddeling van de Amerikaanse president Carter te Camp David een ‘raamovereenkomst’ tot stand, die o.m. in een vredesverdrag tussen beide mogendheden en overdracht van de Sinaï door Israël aan Egypte voorzag (zie Camp David-akkoorden). Met dit laatste werd in 1979 een begin gemaakt. In maart van dat jaar kwam een vredesverdrag met Egypte tot stand. Dat de regering-Begin haar beleid inzake het stichten van joodse nederzettingen in de bezette gebieden voortzette, veroorzaakte binnenlandse tegenstellingen (Mosje Dajan, minister van Buitenlandse Zaken, trad zelfs af) en belemmerde een verdergaande toenadering tussen Israël en Egypte. Een crisis dreigde toen het parlement in augustus 1980 een wet aannam waarbij Jeruzalem tot de ene en ondeelbare hoofdstad werd verklaard. Op 7 juni 1981 voerde de Israëlische luchtmacht een aanval uit op een kerncentrale in Irak, waarvan men vermoedde dat zij gebruikt werd voor de ontwikkeling van atoombommen. De verkiezingen van 30 juni 1981 werden gewonnen door het Likud-blok. Begin vormde zijn tweede kabinet met o.a. generaal Sharon op Defensie. Naast de intensivering van het nederzettingenbeleid in bezet gebied en de onverzoenlijke houding van de regering-Begin jegens de Arabische wereld leidde de annexatie van de Hoogvlakte van Golan (14 december 1981) tot scherpe internationale kritiek. Door Amerikaanse bemiddeling was in juli 1981 een stilzwijgend bestand met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) in Libanon overeengekomen. Sinds 1978 hield Israël in Zuid-Libanon een ‘veiligheidszone’ bezet. Na een aanslag op de Israëlische ambassadeur in Londen trokken Israëlische troepen op 6 juni 1982 andermaal Libanon binnen. Deze operatie ‘Vrede voor Galilea’ mondde echter al snel uit in een grootscheepse invasie en de belegering van Beiroet, waar Israël de aftocht van de PLO-strijders afdwong (zie Midden-Oosten en Libanon). De Libanese oorlog ontmoette intern in Israël veel kritiek, vooral toen Israëls Libanese bondgenoten in de Palestijnse kampen Sabra en Shatila een massamoord aanrichtten (september 1982). Deze Libanese milities hadden vooraf toestemming gekregen van Israëlische troepen om de Palestijnse kampen binnen te trekken. Grote demonstraties leidden tot een onderzoek door de commissie-Kahan, dat resulteerde in het aftreden van minister Sharon. Inmiddels leed het Israëlische leger in Libanon steeds meer verliezen, o.a. door bomaanslagen, en zegde Libanon een akkoord met Israël (17 mei 1983) weer op in maart 1984. De politieke polarisatie in Israël nam toe. Tegenover de Vrede Nu-beweging stonden joodse nationalistische groeperingen (Goesh Emoniem). Een joodse ondergrondse beweging pleegde terreurdaden tegen Palestijnse leiders in bezet gebied. Ondertussen was ook de economische toestand (inflatie en werkloosheid) zeer zorgwekkend. In augustus 1983 trad premier Begin af en nam zijn minister van Buitenlandse Zaken Jitschak Sjamir de leiding van het kabinet over. Vervroegde verkiezingen in maart 1984 leverden een patstelling op voor het Likud-blok en de Arbeiderspartij, waarop zij een regering van ‘nationale eenheid’ vormden, waarin eerst de socialist Shimon Peres (1984–1986) en vervolgens Likud-leider Sjamir (1986–1988) premier zouden zijn. Deze regering besloot, afgezien van de veiligheidszone, tot een volledige terugtrekking uit Libanon (juni 1985). Met een diep ingrijpend saneringsbeleid wist dit kabinet de economische toestand te verbeteren. In 1984 kwamen via een geheime luchtbrug 10 000 joden uit Ethiopië (Falasha's) naar Israël. Op de groeiende onrust in de bezette gebieden reageerde Israël met harde strafmaatregelen, deportaties, verschijningsverboden en schoolsluitingen. Naast PLO-aanhangers manifesteerden zich ook steeds meer islamitische fundamentalisten (Hamas; zie ook fundamentalisme [islam]). Op 8 december 1987 brak in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever de Palestijnse opstand (Intifadah) uit. Ondanks harde maatregelen bleek het leger niet in staat hieraan het hoofd te bieden. Mede door de internationale publiciteit kwam er steeds meer druk op Israël, o.a. uit de Verenigde Staten, om vorderingen te maken in het vredesproces. De groeiende verdeeldheid hierover in Israël zelf kwam tot uiting bij de verkiezingen van 1 november 1988, waarbij zowel het Likud-blok als de Arbeiderspartij zetels verloor aan radicale partijen ter rechter- en linkerzijde. In de daarop door Sjamir gevormde nieuwe regering van ‘nationale eenheid’ (kernkabinet Sjamir, Peres, Arens en Rabin) bleven echter de oude meningsverschillen onverkort bestaan. Hoewel enige malen ernstig op de proef gesteld (Libanon-oorlog, spionageschandalen), bleef de nauwe strategische, politieke en economische samenwerking met de Verenigde Staten bestaan. Met de Sovjet-Unie en de toenmalige andere communistische landen in Oost-Europa werden in de jaren tachtig geleidelijk de banden hersteld, wat tot uiting kwam in o.a. een toenemende immigratie van Russische joden.
In het najaar van 1989 deden Egypte (de ‘tien punten’ van Mubarak) en de Verenigde Staten (het plan-Baker) vergeefse pogingen de impasse in het overleg over de bezette gebieden te doorbreken. Op 15 maart 1990 kwam het kabinet Sjamir-Peres ten val ten gevolge van de weigering van Sjamir het Baker-plan expliciet te aanvaarden. Na een moeizame kabinetsformatie wist Sjamir ten slotte in juni 1990 een coalitie te vormen van zijn Likud-blok met een aantal religieuze en nationalistische partijen. Na het begin van de Tweede Golfoorlog op 17 januari 1991 probeerde Irak Israël bij de strijd te betrekken door Israëlische steden (waaronder Tel Aviv en Haifa) met Scudraketten (met conventionele lading) te bestoken, waarbij enige doden vielen, maar voornamelijk materiële schade werd aangericht. Op aandrang van de Amerikaanse regering besloot Israël af te zien van vergeldingsacties teneinde de anti-Iraakse coalitie niet in problemen te brengen. Tijdens de Tweede Golfoorlog was in de bezette gebieden een uitgaansverbod van kracht. Na de oorlog (februari 1991) laaide de Intifadah weer op. Mede onder druk van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, James Baker, nam Israël deel aan een vredesconferentie over het Midden-Oosten in Madrid (30 oktober–2 november 1991). De Palestijnen die deel uitmaakten van de Palestijns-Jordaanse delegatie, kregen bij hun terugkeer een heldenontvangst. Op 13 juli 1992 werd Sjamir vervangen door Jitschak Rabin. De nieuwe regering ging contacten met de PLO niet uit de weg, wat op 13 september 1993 in Washington resulteerde in een akkoord over beperkt Palestijns zelfbestuur in Gaza en Jericho (zie ook Palestijnse Nationale Autoriteit). Dit zgn. Akkoord van Oslo schiep nieuwe mogelijkheden voor een verbetering van de relatie met Syrië, Jordanië en Libanon en werd in 1995 gevolgd door het Oslo-2-akkoord, dat voorzag in een gefaseerde Israëlische terugtrekking uit de belangrijkste steden op de Westelijke Jordaanoever (zie ook Oslo-akkoorden). In maart 1993 koos de Knesset Ezer Weizman van de Arbeiderspartij tot president als opvolger van Chaim Herzog. In december werd een akkoord getekend met het Vaticaan over het aangaan van diplomatieke betrekkingen. Midden 1994 tekenden de Israëlische premier Rabin en koning Hoessein van Jordanië de zgn. Verklaring van Washington, waarbij formeel een einde kwam aan de staat van oorlog tussen beide landen. De onderhandelingen met Syrië bleven moeizaam verlopen. De voornaamste struikelblokken vormden de veiligheidsmaatregelen bij een Israëlische aftocht uit de Golanhoogte en de ‘diepte’ van de te sluiten vrede. In november 1995 werd premier Rabin in Tel Aviv vermoord door een jonge Israëlische nationalist. De nieuwe regeringsleider Shimon Peres, die het vredesproces voortzette, leed eind mei 1996 bij de parlementsverkiezingen en bij de eerste directe verkiezing van een nieuwe premier een zeer kleine nederlaag tegen Likud-leider Benjamin Netanyahu. Laatstgenoemde vormde een rechtsreligieuze coalitieregering en beloofde het vredesproces met de PLO en de Arabische landen voort te zetten. Bij de eerder in 1996 gehouden verkiezingen voor een Palestijnse Raad en een Palestijnse president, die het bestuur in de Gazastrook en in verschillende steden en gebieden op de Westbank van de Israëlische militairen overnamen, zoals was overeengekomen in het Oslo-2-akkoord, werd Arafat met ruime meerderheid tot president gekozen. In de loop van 1996 ontstond in Israël grote politieke verdeeldheid over het vredesproces. De oorzaken daarvan waren de zelfmoordaanslagen van de Hamas en het beleid van Netanyahu, die de vrede-voor-landfilosofie van Rabin en Peres terzijde schoof en op basis van een vrede-voor-veiligheidstrategie de onderhandelingen met de PLO onder grote buitenlandse druk schoorvoetend voortzette. Netanyahu kondigde de bouw van nieuwe joodse nederzettingen aan en weigerde aanvankelijk in te stemmen met de terugtrekking van het Israëlische leger uit Hebron, waarover begin 1997 na Amerikaanse druk alsnog overeenstemming werd bereikt. De spanningen tussen Israël en de PLO liepen snel op en ook de broze relatie met de Arabische landen werd door de harde Israëlische standpunten op de proef gesteld. Het vredesproces raakte verder in het slop toen Netanyahu in februari 1997 de bouw aankondigde van de joodse woonwijk Har Homa in Oost-Jeruzalem. In september van dat jaar werd begonnen met de bouw van nieuwe joodse nederzettingen in Efrat, op de Westelijke Jordaanoever. De Verenigde Staten gaven in oktober 1997 openlijk blijk van hun afkeuring over het beleid van de regering-Netanyahu. Ook binnen de Arabische wereld en de EU nam de onvrede toe over de Israëlische politiek. In november werd onder grote Amerikaanse druk het overleg hervat tussen Israël en Palestijnse delegaties over de verdere uitwerking van de gebiedsoverdracht. In Israël zelf boette Netanyahu's prestige in door onder meer een beschuldiging jegens corruptie, een mislukte moordaanslag op een Hamas-leider door de Israëlische geheime dienst en door een eigenzinnige poging van Netanyahu het verkiezingsreglement van Likud naar zijn hand te zetten. Ook binnenslands groeide het verzet tegen de Israëlische aanwezigheid in Libanon, waar het leger verschillende aanvallen uitvoerde op de pro-Iraanse Hezbollah. In juni 1997 koos de Arbeiderspartij de voormalige chef-staf Ehud Barak tot partijleider, als opvolger van Shimon Peres. In de Palestijnse Autonome Gebieden (Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook) verslechterde de algemene leefsituatie aanzienlijk door de collectieve strafmaatregelen van Israël naar aanleiding van de bomaanslagen door Hamas. 70 000 Palestijnen konden door de grenssluitingen niet naar hun werk. Ook de Palestijnse leider Arafat verloor aan prestige door het vastlopen van het vredesproces en de toenemende corruptie in Palestijnse kring. Hamas-leider Ahmed Yassin kwam in oktober 1997 vrij bij een gevangenenruil, waarbij ook de Mossadagenten betrokken waren die eerder dat jaar een mislukte aanslag hadden gepleegd op een Hamas-leider in Amman. Amerikaanse druk op Netanyahu leidde uiteindelijk tot het akkoord van Wye Plantation dat onder leiding van de Amerikaanse president Clinton in oktober 1998 werd gesloten door Arafat en Netanyahu. De Jordaanse koning Hoessein, die ter behandeling van kanker in de Verenigde Staten verbleef, had zich actief bemoeid met de totstandkoming van het akkoord. Het akkoord bepaalde dat Israël zich uit 13,1 procent van de Westelijke Jordaanoever zou terugtrekken. Arafat beloofde op zijn beurt harder op te treden tegen terroristische aanslagen van Hamas en voorts om het Palestijns Handvest te herzien. Het Israëlische nederzettingenbeleid bleek de uitvoering van Wye Plantation in de weg te staan. Eind 1998 viel Netanyahu’s kabinet. Er werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven voor parlement en premier in mei 1999. Likud koos Netanyahu opnieuw tot kandidaat-premier en lijsttrekker. De parlementsverkiezingen van medio mei 1999 gaven een sterk verlies voor de Likud-partij te zien; deze zakte van 32 zetels teug naar 19. Een grote winnaar was de ultra–orthodoxe Shaspartij, die 10 zetels won. De Arbeiderspartij bleef de grootste, al liep haar zetelaantal terug van 34 naar 27. Netanyahu trok zich onmiddellijk terug als premier. De nieuwe premier werd Ehud Barak van de Arbeiderspartij. Netanyahu trad ook af als partijleider en werd opgevolgd door oudgediende Ariel Sharon. Tijdens zijn campagne had Barak beloofd het vredesproces met Syrië en de Palestijnen uit het slop te trekken. Hij baarde opzien met zijn concrete toezegging dat onder zijn bewind het Israëlische leger binnen één jaar Libanon verlaten zou hebben. Barak beloofde voorts dat over de teruggave van de Golan aan Syrië en terugtrekking van het Israëlische leger uit Zuid-Libanon een referendum de doorslag zou geven. In Baraks brede regeringscoalitie, die op 6 juli 1999 werd beëdigd, werden samen met Israël-Eén religieus-orthodoxe partijen als Shas, de Thorapartij en de Nationale Religieuze Partij, en de seculier linkse Burgerrechtenpartij van Sarid opgenomen. Na interventies van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Albright, en de Egyptische president, Mubarak, sloten Barak en Arafat op 4 september 1999 een nieuw akkoord. In dit ‘Wye-2’ verplichtte Israël zich er o.m. toe dat 18,1% van bezet land op de Westelijke Jordaanoever in drie fases onder Palestijns gezag zou komen en dat ten minste 350 Palestijnse gevangenen zouden worden vrijgelaten. Op 1 oktober 2000 moest de bouw van een nieuwe haven in Gaza beginnen en een nieuwe zuidelijke verbindingsweg tussen Gaza en de Westelijke Jordaanoever worden geopend. Een noordelijke verbindingsweg zou in februari 2000 gereed moeten zijn. De belangrijkste toevoeging in Wye-2 was een blauwdruk voor een alomvattende vrede tussen Israël en de Palestijnen, die op 13 februari 2000 afgerond zou moeten zijn en de basis moest vormen van een definitieve vredesregeling in september 2000. Hierna begon Israël met de uitvoering van het akkoord. In twee fases werden 350 Palestijnse gevangenen vrijgelaten en op 4 oktober 1999 werden protocollen voor de verbindingsweg tussen Gaza en Hebron ondertekend. In januari 2000 werd tussen Israël en de Palestijnen een akkoord gesloten over de overdracht van land op de Westelijke Jordaanoever. De onderhandelingen over de blauwdruk voor vrede, die in september 1999 waren begonnen, verliepen slecht. Vooral de status van Jeruzalem was een heikel punt. Uit protest tegen de voortgaande bouw van joodse nederzettingen staakten de Palestijnen de onderhandelingen begin december. Een geheime topontmoeting tussen Barak en Arafat, op 22 december 1999 in het Palestijnse Ramallah, bracht het vastgelopen vredesproces weer op gang.
Israël trok zich in 2000 terug uit Zuid-Libanon, dat het sinds 1982 bezet had gehouden. De Verenigde Naties installeerden troepen langs de grens. Hezbollah vatte de terugtrekking op als een overwinning, vooral omdat haar aanvallen op het aan Israël gelieerde Zuid-Libanese Leger succesvol waren geweest. Eind september 2000 brak een nieuwe Palestijnse opstand uit, de tweede Intifadah. Directe aanleiding tot de gewelddadigheden vormde een bezoek van de rechtse Israëlische oppositieleider Ariel Sharon aan de Tempelberg in Jeruzalem op 28 september. Aan de vredesonderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen kwam een voorlopig einde. Mede door de Intifadah werd de toch al wankele positie van premier Ehud Barak onhoudbaar; hij trad in december af. De daarop volgende premiersverkiezingen in februari 2001 werden gewonnen door Sharon, die een kabinet vormde van nationale eenheid van Likud, de Arbeidspartij, de ultraorthodoxe Shas en vijf kleinere religieuze partijen. De strijd escaleerde na de verkiezing van Sharon. Israël bestookte gebouwen van veiligheidsdiensten van de Palestijnse leider Yasser Arafat. Onderhandelingspogingen liepen vast op het geweld en Israëlische aankondigingen van nieuwe nederzettingen. Palestijnse zelfmoordaanslagen door vooral Hamas en de Israëlische inzet van F-16’s, helikopters en tanks en de liquidaties van Palestijnse leiders maakten een oplossing onwaarschijnlijk. Na 11 september 2001 kregen de Palestijnen steun uit onverwachte hoek toen de Amerikaanse president Bush sprak over een Palestijnse staat naast Israël, zeer tot ongenoegen van Sharon. Amerikaanse en Europese druk leidden tot Israëlische terugtrekking uit de door de Palestijnse Autoriteit bestuurde gebieden; Arafat gaf instructies de gevechten te staken, maar Hamas en de Islamitische Jihad gaven hieraan geen gehoor. Eind september kwamen Arafat en de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Shimon Peres een staakt-het-vuren overeen, dat echter nog geen maand stand hield. In december begon Israël met de belegering van Arafats hoofdkwartier in Ramallah op de Westelijke Jordaanoever. Het geweld duurde in 2002 voort, met vele Palestijnse aanslagen en Israëlische legeracties. Sharon verklaarde dat het offensief zou voortduren tot de vernietiging van Arafats ‘terreurinfrastructuur’. Palestijnen benadrukten dat de civiele infrastructuur werd vernietigd, waarmee een eind kwam aan de Palestijnse staat-in-opbouw en daarmee aan het vredesproces. Vooral in Nabloes en Jenin vonden zware gevechten plaats, waarbij enorme schade werd aangericht. Onder buitengewoon zware Amerikaanse druk besloot Sharon uiteindelijk toch Arafats omsingeling op te geven in ruil voor de opsluiting in Palestijnse gevangenissen van de zes van moord op een Israëlische minister verdachte Palestijnen. Op 2 mei kwam Arafat als triomfator naar buiten. Mede omdat Hamas doorging met het organiseren van zelfmoordaanslagen, werd alom getwijfeld aan Arafats leiderschap. Israël omsingelde opnieuw zijn hoofdkwartier om Arafat tot vertrek te bewegen, maar staakte die actie opnieuw na internationale druk. De Arbeidspartij trok zich in oktober 2002 terug uit de regering, uit protest tegen de financiële steun aan nieuwe nederzettingen in bezet gebied. Vlak voor de verkiezingen in 2003 werden Israëlische plaatsen vanuit de Gazastrook door aanhangers van Hamas beschoten met raketten. Daarop volgde in de nacht van 25 op 26 januari de grootste Israëlische militaire inval sinds het begin van de tweede Intifadah, waarbij 13 Palestijnen werden gedood. De Palestijnse gebieden werden volledig afgesloten. Likud won de verkiezingen en vormde een coalitie met twee kleinere rechtse partijen. Het Palestijnse parlement stemde in maart 2003 voor de aanstelling van een premier, die de almacht van Arafat over het Palestijnse bestuur moest beknotten. De als gematigd bekendstaande Mahmoud Abbas werd kort daarop benoemd. Eind april 2003 presenteerden de Verenigde Staten de zgn. ‘routekaart’: het ‘stappenplan naar vrede’, die moest leiden tot een Palestijnse staat in 2005. De ‘routekaart’ bestond uit drie fasen. In de eerste fase moest het Palestijnse geweld beëindigd worden en moest Israël zich terugtrekken uit de Palestijnse steden en het gebied van de Palestijnse Nationale Autoriteit (PNA) en een aantal nederzettingen ontruimen. De Palestijnse Nationale Autoriteit accepteerde het plan, het Israëlische kabinet stelde voorwaarden. Zo moesten de Palestijnen het recht op terugkeer van Palestijnse vluchtelingen naar Israël afzweren. De cyclus van liquidaties en zelfmoordaanslagen kwam snel weer op gang en het vredesproces raakte op de achtergrond. Israël zette de aanleg voort van de afscheidingslinie, een door premier Barak gestart bouwproject. De 600 km lange ‘muur’ bestond grotendeels uit een metershoog hekwerk; vooral in stedelijke gebieden was het daadwerkelijk een hoge betonnen muur, volgens Israël noodzakelijk om beschietingen te voorkomen. De afscheiding week op veel plekken af van de Groene Lijn uit 1967 en doorkliefde zo bezet Palestijns gebied, wat volgens een VN-rapport ernstige humanitaire gevolgen had voor een derde van de Palestijnse bevolking, omdat zij werden afgesneden van de buitenwereld en soms van hun eigen landerijen. Het afscheidingshek en de acties van het leger leidden in 2004 en 2005 tot een aanzienlijke daling van het aantal Palestijnse aanslagen. Wel slaagde Hamas er in enkele zelfmoordaanslagen te plegen. De spirituele leider van Hamas, sjeik Ahmed Yassin, werd in maart 2004 door een Israëlische raketaanval gedood. Het aantal Palestijnse beschietingen vanuit Gaza op doelen in Israël nam wel toe.
Premier Sharon presenteerde in februari 2004 een plan tot terugtrekking uit de Gazastrook en ontmanteling van de joodse nederzettingen aldaar. Ondanks veel protest van vooral orthodoxe joden en binnen zijn eigen Likudpartij zette Sharon door. Zijn oorspronkelijke regeringscoalitie viel uiteen en er werden in de daaropvolgende maanden en in 2005 geregeld nieuwe coalities gevormd. In augustus 2005 begon het leger met de gedwongen verwijdering van de overgebleven Israëlische burgers uit de Gazastrook. Na een week werd het gebied overgedragen aan de Palestijnen. Binnen Likud nam de steun voor Sharon alsmaar verder af. Hij stapte hierop in november 2005 uit de partij en richtte een nieuwe partij op, Kadima. Diverse Likudleden volgden Sharon, en ook leden van de Arbeidspartij stapten over naar de nieuwe partij. Sharon zelf werd echter getroffen door een reeks hersenbloedingen, die hem het werken onmogelijk maakten. Vice-premier Ehud Olmert nam zijn taken over en leidde Kadima naar een zege bij de parlementsverkiezingen in maart 2006. Olmert vormde een coalitie van zijn centrumrechtse Kadima, de Arbeidspartij, de Gepensioneerdenpartij en de joods-fundamentalistische Shaspartij. De nieuwe regering was ondermeer van plan tientallen nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever te ontruimen, maar draaide dat plan terug na Palestijnse acties vanuit de Gazastrook.
De ontvoering van twee Israëlische militairen vormde in juli 2006 de directe aanleiding voor een grootschalig offensief tegen Hezbollah, de beweging die Zuid-Libanon feitelijk controleerde. Met luchtaanvallen werden Hezbollahdoelen in ondermeer Beiroet bestookt, terwijl grondtroepen Zuid-Libanon binnentrokken om jacht te maken op Hezbollahstrijders. Op haar beurt bestookte Hezbollah doelen in Noord-Israël. Na vijf weken werd een staakt-het-vuren overeengekomen en trok Israël zich onverrichterzake terug.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |