![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Israël [land] |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 6 van 7
Israël [land]Encyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Toeristische gegevens; 6. Geschiedenis; 7. De 21ste eeuw
Israëls eerste minister-president en jarenlang de dominerende figuur was David Ben-Goerion (1948–1953; 1955–1963). Hij was de leider van de grootste partij, de socialistische Mapai, die bij verscheidene verkiezingen voor het parlement 40 tot 47 zetels (van de 120) behaalde. Verder waren er nog 10 tot 13 middelgrote en kleine partijen: uiterst linkse, liberale, nationalistische en religieuze. Ondanks de grote verscheidenheid van partijen was er een politieke stabiliteit, daar er bij de verkiezingen weinig verschuivingen optraden. Er werden pogingen gedaan tot het vormen van grotere groeperingen, welke pogingen resulteerden in een socialistisch blok en een liberaal-nationalistisch blok. Mettertijd werden ook enkele Arabieren in het parlement opgenomen; sommigen ter vertegenwoordiging van specifiek Arabische partijen. De religieuze partijen kregen veel invloed. In ruil voor hun regeringsdeelname werd een religieuze institutionalisering van het openbare leven bewerkstelligd. In deze eerste fase van de nieuwe staat was de immigratie van honderdduizenden joden een belangrijk fenomeen. De door de Palestijnen achtergelaten woningen en boerderijen kregen nieuwe bewoners. Onder Ben-Goerion begon de staatsvorming. Industrialisatie en mechanisatie van de landbouw zorgden voor een welvaartsstaat naar westers voorbeeld.
Het belangrijkste probleem dat Israël bleef bezighouden, was de verhouding tot de Arabische staten. Vooral na de revolutie in Egypte (1952) begon de situatie dreigend te worden, omdat de Egyptische president Nasser ernaar streefde de nederlaag van 1948 ongedaan te maken. In 1955 nam de spanning toe, doordat Egypte wapens geleverd kreeg uit communistische landen. Het toenemen van Palestijnse infiltraties in Israël, de militaire verbonden tussen Egypte en Arabische landen, het sluiten van het Suezkanaal en de Straat van Tiran (toegang tot de Golf van Akaba) voor Israëlische schepen, waartegen Israël al jarenlang geprotesteerd had, waren de oorzaak van grote bezorgdheid. Toen Nasser het Suezkanaal nationaliseerde en in conflict raakte met de Westerse mogendheden, besloot Israël tot de aanval over te gaan (zie ook Suezcrisis). In zes dagen veroverde het leger onder bevel van Mosje Dajan het schiereiland Sinaï (29 oktober 1956). Onder druk van de Verenigde Naties, waarin de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie samenwerkten en met sancties dreigden, trok Israël in maart 1957 zijn troepen terug, waarbij het echter bedong dat de Straat van Tiran voor de scheepvaart vanuit Eilat open zou blijven en dat daar en in de Gazastrook troepen van de Verenigde Naties gelegerd zouden worden om de status quo te handhaven (zie ook Midden-Oosten 3. Periode 1949–1967). In 1960 raakte premier Ben-Goerion in conflict met een groot aantal partijgenoten, hetgeen in 1963 leidde tot zijn aftreden. Hij werd opgevolgd door de minister van Financiën Levi Esjkol (1963–1969).
In mei 1967 werd de situatie voor Israël kritiek. De troepen van Egypte, Syrië, Jordanië, Irak en Koeweit werden in paraatheid gebracht en Nasser eiste en verkreeg de aftocht van de troepen van de Verenigde Naties. Hij verklaarde tevens geen schepen meer door te zullen laten. De Jordaanse koning, Hoessein, sloot vervolgens een verbond met Nasser. Pogingen op internationaal niveau een oplossing van de crisis te bereiken, mislukten. Het inmiddels gevormde nationale kabinet (waarin Mosje Dajan minister van Defensie was geworden) besloot daarop de aanval op Egypte en Syrië te openen (5 juni 1967). Hierop verklaarden de Arabische staten zich solidair met Egypte en Jordanië. Het Israëlische leger onder opperbevelhebber Jitschak Rabin bleek verreweg superieur; in zes dagen werden de Sinaï, het gehele gebied ten westen van de Jordaan met inbegrip van het gedeelte van Jeruzalem dat nog in Arabische handen was, en de Hoogvlakte van Golan veroverd. Op 10 juni 1967 werd door bemiddeling van de Veiligheidsraad (zie Verenigde Naties) het vuren gestaakt, waarmee een eind kwam aan de Zesdaagse Oorlog (ook wel Juni-oorlog).
Op 22 november 1967 nam de Veiligheidsraad een resolutie aan (nr. 242) die uitging van terugtrekking door Israël uit de door dit land bezette gebieden en van de soevereiniteit en territoriale onschendbaarheid van elke staat in het Midden-Oosten. Verscheidene vredespogingen liepen stuk. Israël weigerde zich uit de Bezette Gebieden terug te trekken en installeerde een militair bestuur. De Arabische staten weigerden Israël te erkennen. Na 1967 kreeg Israël in toenemende mate te maken met gewelddadige invallen van verschillende Palestijnse bevrijdingsorganisaties vanuit Jordanië en na 1970 vanuit Libanon. Israël reageerde met keiharde vergeldingsacties. In de Bezette Gebieden was het Palestijns verzet in militaire zin geen bedreiging. Hoewel zeker linkse Israëlische kringen terugtrekking uit de Bezette Gebieden voorstonden in ruil voor vrede, werden de Bezette Gebieden door kolonisatie en infrastructuur steeds meer vervlochten met de Israëlische maatschappij en economie.
Om de impasse inzake de bezette gebieden te doorbreken, gingen Syrië en Egypte op 6 oktober 1973 (de joodse feestdag Jom Kippoer) over tot een gecombineerde aanval op Israël. Na aanvankelijk Arabisch succes slaagde het Israëlische leger er in de Syrische troepen terug te drijven tot achter de bestandslijn van 1967 en een bruggenhoofd in Egypte te vormen op de westelijke oever van het Suezkanaal. Op 22 oktober nam de Veiligheidsraad een resolutie aan inzake een bestand, waarna het vuren werd gestaakt. Deze Oktoberoorlog of Jom Kippoer-oorlog had intussen binnen Israël zelf grote politieke beroering teweeggebracht: onmiddellijk na het staakt-het-vuren werd heftige kritiek geleverd op de regering. In maart 1974 vormde mevrouw Golda Meir, die in februari 1969 de overleden premier Esjkol was opgevolgd, een nieuwe coalitieregering; in april echter kondigde zij haar aftreden aan. Generaal Rabin werd premier van een nieuw coalitiekabinet, waarin Mosje Dajan en de minister van Buitenlandse Zaken Abba Eban niet terugkeerden: zij werden vervangen door resp. Shimon Peres en Jigal Allon (vice-premier onder Meir). In de loop van 1974 werden met Egypte en Syrië troepenscheidingsakkoorden gesloten, waarbij Israël zich terugtrok uit de gebieden die het in de Oktoberoorlog had bezet. Na Amerikaanse bemiddeling werd ten aanzien van de Sinaï in september 1975 een nieuwe overeenkomst bereikt: Israël trok zijn troepen verder terug naar het oosten, waarbij het o.m. de olievelden bij Aboe Rodeis prijsgaf. Intussen geraakte Israël, vooral door de hantering van het ‘oliewapen’ door de Arabische landen (zie aardolie §1.2 Strategische betekenis van aardolie), in toenemende mate geïsoleerd. Ook werd het betrokken in de Libanese burgeroorlog; Israël voerde vergeldings- en preventieve acties tegen de Palestijnen uit op Libanees grondgebied.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |