![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Israël [land] |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 3 van 7
Israël [land]Encyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Toeristische gegevens; 6. Geschiedenis; 7. De 21ste eeuw
Het land is ingedeeld in zes districten (mehozot), die ieder weer in onderdistricten zijn opgedeeld. De gemeenteraden worden voor vier jaar gekozen. De bezette gebieden staan onder militair bestuur, dat door burgerbeambten wordt geadviseerd.
Israël is lid van de Verenigde Naties en van de meeste suborganisaties van de VN.
Tot de belangrijkste politieke groeperingen behoort het Likud-blok, waarin de Heroet-partij (Cheroet, opgericht in 1948; conservatief) en kleinere liberale en nationalistische partijen (zoals de Tsomet- en de Gescher-partij) samenwerken. Het Likud-blok is o.m. voorstander van een grotere overheidsinvloed in de ‘bevrijde’ (bezette) gebieden en een liberale markteconomie. Zij is tegen een soevereine Palestijnse staat, alsook tegen de ontruiming van de Golanhoogte en de Westelijke Jordaanoever. Likudleider en premier Ariel Sharon verliet in 2005 Likud om een eigen partij op te richten, Kadima (‘Voorwaarts’). Politiek nauw verbonden met de Likud zijn de Nationale Religieuze Partij (1956; voorstander van o.a. terugkeer naar de oude historische grenzen en van religieus geïnspireerd onderwijs) en de beide eveneens religieuze partijen Agoedat Israël (1921) en Poalei Agoedat Israël (1924). Sefardische dissidenten uit de Agoedat richtten in 1987 de Shaspartij op, die evenals de fundamentalistische Degel Hathorah, geen territoriale ambities koestert maar vooral religieuze programmapunten benadrukt. Ter rechterzijde bevindt zich voorts de ultra-nationalistische Moledet-partij, die annexatie van de bezette gebieden bepleit. De buiten de wet gestelde Kach-partij is nog extremer en voorstander van ‘transfer’ van de Palestijnse bevolking. Tweede grote partij is de sociaal-democratische Ma’arach (de Israëlische Arbeiderspartij). Kern hiervan is de Mapai (1930) die in 1968 fuseerde met de Ahdut Haavoda-Poalei Zion (1944; Arbeiderszionisten) en de Rafi (1965). Laatstgenoemde partij ging in 1969 samen met de linkse MAPAM. Uit het samengaan van al deze partijen ontstond in 1968 de Ma’arach, die in de verkiezingen ook uitkomt met een zgn. Arabische lijst. MAPAM trad later weer uit de Arbeiderspartij en sloot zich met de Burgerrechtenbeweging Rats en de Sjinoei aan tot het Meretsblok. Andere kleine partijen ter linkerzijde zijn: de communistische Rekah-partij en de joods-Arabische Progressieve Lijst voor de Vrede. Exclusief Arabisch is de Arabische Democratische Partij. Nieuwe partijen zijn de Israel Ba’Aliya van N. Sjaransky, die de Sovjetemigranten representeert, en de Haderech ha-Shlishit (Derde Weg), een afsplitsing van de Arbeiderspartij, die tegen de teruggave van de Golanhoogte is. Van politiek gewicht waren voorts vanaf het einde van de jaren zeventig de Vrede Nu-beweging (Sjalom Achsjav) en de ultranationalistische Goesh Emoniem-beweging (het Blok der Getrouwen). Eerstgenoemde keerde zich krachtig tegen het overheidsbeleid in de bezette gebieden en wilde een soepele houding betonen tegenover de Arabische buren en de Palestijnse bevrijdingsbewegingen. Laatstgenoemde beweging stond het vestigen van nieuwe joodse nederzettingen in bezet gebied voor. Na de verkiezingen van 28 maart 2006 waren de in totaal 120 zetels in het parlement (Knesset) als volgt verdeeld: Kadima 29, Arbeidspartij 19, Shas 12, Likud 12, Yisrael Beiteinu 11, Nationale Unie 9, Gil 7, Verenigd Thora-Jodendom 6, Merets 5, Verenigde Arabische Lijst 4, Hadash 3, Balad 3. Een merkwaardige positie bekleedt de in 1920 opgerichte vakbond Histadroet die met ruim 1,65 miljoen leden (ca. 85% van de beroepsbevolking) en ca. 40 aangesloten vakverenigingen zowel de grootste vakbond is als een van de grootste werkgevers. In deze laatste hoedanigheid beheert de Histadroet via de overkoepelende organisatie Hevrat Ovdim (Algemene Coöperatieve Bond) een groot aantal ondernemingen op het gebied van de landbouw, industrie, handel, vervoer en bankwezen. In enkele ondernemingen nemen Histadroet en overheid samen deel.
De periode van 1950 tot 1973 werd gekenmerkt door een snelle expansie van de economie: jaarlijks nam het bruto nationaal product (bnp) met ca. 9% toe. Deze ontwikkeling was slechts mogelijk door grote kapitaalimport in de vorm van buitenlandse hulp en leningen, grote giften van joden buiten Israël, betalingen en leveranties in het kader van de Duitse herstelbetalingen en een verhoogde productiviteit. Na 1973 is de economische situatie echter in snel tempo verslechterd: in 1977 bedroeg de economische groei nog slechts 0,5%. Omstreeks 1982 was de economische groei vrijwel tot stilstand gekomen, daarna trad er een geleidelijk herstel in tot een groei van 5,2% in 1987, waarna de groei zakte tot nog maar 1% in 1989. Tot de belangrijkste economische problemen behoorden de hoge inflatie (58% in 1974, 440% in 1984, door een zeer strak bezuinigingsbeleid werd de inflatie daarna drastisch teruggedrongen tot 16% in 1987, in 1989 weer opgelopen tot bijna 21% over de periode 1985 tot 1994 gemiddeld 18%, over 1995–1996 8,3%, in 2002 5,7%), het chronische en grote tekort op de betalingsbalans (in 1995 ruim $ 11 miljard, in 2002 gedaald tot $ 3 miljard), de hoge defensielasten, de sterk gestegen schuld aan het buitenland (in 2001 opgelopen tot $ 42,8 miljard) en de werkloosheid (in 1995 6,4%, in 2002 10%, onder de Palestijnse Israëli’s oplopend tot 20%). Had men aanvankelijk bewust ernaar gestreefd inkomensverschillen zoveel mogelijk te beperken, vanaf ca. 1955 valt in de overheids- en andere publieke sectoren een toenemende ongelijkheid van inkomens te constateren. Dit leidde in de jaren zeventig, tezamen met de sterk gestegen kosten van levensonderhoud tot groeiende sociale onrust, wat o.a. tot uiting kwam in een groot aantal stakingen. In het begin van de jaren tachtig kreeg Israël te maken met een hollende inflatie en een snel stijgende werkloosheid. De in 1980 ingevoerde nieuwe munt (de sjekel) verminderde zo snel in waarde dat zij in 1986 moest worden vervangen door een nieuwe sjekel, die duizendmaal de waarde van de oude had. Krachtige bezuinigingen op overheidsuitgaven (defensie, beperking subsidies op voedsel, transport en energie, privatisering), ingrijpende devaluaties, belastingverhogingen en omvangrijke financiële bijstand van de Verenigde Staten zorgden sinds 1985 voor een snel economisch herstel. In 1988 en 1989 kwamen er echter nieuwe economische tegenslagen ten gevolge van de Intifadahh (verhoging defensielasten, verlies van afzet, tekort aan Palestijnse arbeid, teruggang van toerisme). Sinds het begin van de jaren negentig gaat de ontwikkeling weer opwaarts. De werkloosheid daalde van 11% in 1992 tot 6,5% in 1996, terwijl het bbp jaarlijks met 6 a 7% steeg, vooral dankzij de bouwsector. Deze gunstige economische cijfers zetten zich voort tot het uitbreken van de tweede Intifadah in september 2000. Daarna tekende de contouren zich af van een zware economische crisis. De hoge defensielasten, en de terugvallende inkomsten uit de toeristenindustrie drukten zwaar op de Israëlische begroting. Daarbij kreeg Israël, als high tech economie te maken met de internationale ineenstorting van de informatie-economie. De economische groei werd gestuit en in 2002 kromp de economie met een procent. De import nam af met bijna 18% en de export met ruim 14%; de investeringen zakten ruim 21%. De economische crisis bracht een aantal problemen aan het licht. Ten eerste de gapende kloof tussen rijk en arm, waarbij een kwart van de Israëlische kinderen benden de armoedegrens van 20 dollar per dag leeft. Ten tweede de financiële steun aan de nederzettingen die ten koste gaat aan de ontwikkelingssteden in Israël. Het saneren van de Israëlische economie betekende een scherpe aanval op de welvaartsstaat. De samenstelling van het bnp was in 1994 als volgt (tussen haakjes de verdeling van de beroepsbevolking): landbouw 4% (3%), industrie, mijnbouw en bouwnijverheid 30% (28%), overheid, dienstverlening en transport 67% (69%). Bijna 40% van de beroepsbevolking wordt gevormd door vrouwen. In handel, ambacht en kleinbedrijf domineert het particulier eigendom.
De mosjaviem en de kibboetziem zijn de belangrijkste bedrijfsvorm in de landbouw. Veel van deze coöperatieve ondernemingen verkeerden echter in financiële moeilijkheden. Gezien de geringe jaarlijkse regenval is irrigatie van essentieel belang. Citrusvruchten zijn de voornaamste landbouwproducten. Van belang zijn ook tuinbouwgewassen als groenten en bloemen en voorts katoen, dadels, olijven, amandelen, druiven, avocado's (sterke productiestijging) en bananen. Graan wordt vooral verbouwd in de valleien van Jizreël en Harod. De veehouderij omvat vooral schapen, geiten, rundvee en pluimvee (m.n. kippen). Bosbouw is, gezien de grote hydrologische waarde van de bossen, van uitzonderlijke betekenis. Ruim 600 km2 wordt door bos ingenomen. De visserij wordt in de Middellandse Zee en op de Atlantische Oceaan beoefend. Zoetwatervissen levert het Meer van Kinneret en de viskweekvijvers (karpers) in het vroegere Choelemeergebied.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |