Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar hoorn [muziek]

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

hoorn [muziek]

Encyclopedieartikel
Multimedia
HoornHoorn
Artikeloverzicht

Introductie

hoorn [muziek], ook waldhoorn (It.: corno; Fr.: cor; Duits: Horn; Eng.: French horn), koperen blaasinstrument met conische, nauwe boring. De lengte van de buis bepaalt de grondtoon, waarop door middel van embouchurewijziging een reeks natuurtonen geblazen kan worden. Aan de smalle zijde wordt een trechtervormig mondstuk geplaatst en aan de brede zijde bevindt zich een wijduitlopende klankbeker. Bij de bespeling wordt de rechterhand in de klankbeker gehouden (waardoor de toonvorming beïnvloed kan worden) en bedient de linkerhand de ventielen.

1. Geschiedenis

Vanaf de oudste tijden hebben volkeren over de hele wereld door de natuur verschafte materialen (o.a. horens van dieren) benut als blaasinstrumenten. Van de enigszins complexere houten hoorn is de alpenhoorn het meest bekend geworden. Van metaal vervaardigde instrumenten werden bij de Assyriërs, Etrusken en Egyptenaren gebruikt voor intochten, religieuze bijeenkomsten, enz. De Romeinen ontwikkelden voor een verder dragende toon een klankbeker, en een omgebogen buis opdat het instrument handzamer was. De Romeinse signaalhoorn heette buccina. Uit de buccina groeide in de middeleeuwen de rondgebogen jachthoorn. Men boog de buis rond, opdat men het instrument over de schouder kon dragen wanneer men te paard zat. Een van ca. 800 tot 1200 uit de slagtand van een olifant fraai vervaardigd hoornachtig instrument noemde men Oliphant. De jachthoorn (It.: corno da caccia; Fr.: cor de chasse; Duits: Jagdhorn; Eng.: hunting horn) was een metalen natuurhoorn (dwz. zonder ventielen); de klankbeker werd naar boven gericht om een groot klankvolume te krijgen. De boring was berekend op een schetterende toon. Vooral in Frankrijk ontwikkelde dit instrument zich. Een zeer grote jachthoorn, die (over het grote hoofddeksel heen) op de schouder gebracht kon worden, heette parforce-hoorn. De beperking van de voort te brengen tonen leidde tot het ontstaan van speciale hoornmelodieën en intervallen. Uit de jachthoorn ontwikkelde zich het instrument met kunstzinnige waarde. Het apart opgezette mondstuk, trechtervormig aan de binnenzijde, veroorzaakte een weke klank. Om de mogelijkheden van het instrument uit te breiden, verlengde men de buis met een zgn. beugel, waardoor de grondtoon lager werd. Op deze nieuwe grondtoon kon weer de reeks natuurtonen gespeeld worden. Voor iedere nieuwe grondtoon had men echter een andere (grotere of kleinere) beugel nodig. Het steeds weer inzetten van deze beugels vergde tijd; hoorncomposities uit die periode tonen duidelijk dat men hiermee rekening hield. De ventielen of pistons brachten hierin uiteindelijk verandering. Na verschillende experimenten (in de 19de eeuw) werden ventielen met nevenbuizen aangebracht, waardoor de hoorn een volwaardig muziekinstrument kon worden. Deze draaiventielen openen of sluiten de toegang naar de nevenbuizen voor de ingeblazen lucht, waardoor de buis meer of minder verlengd wordt. Drie ventielen verlengen de buis resp. met y, 1 en 1y toon (met de combinaties van 2, 2y en 3 tonen). Door deze systematische verlenging van de buis kan een aantal nieuwe grondtonen gevormd worden, met hun reeksen (de grondtoon zelf wordt niet gebruikt). Hierdoor werd de hoorn een chromatisch instrument.

2. Toepassing

Tegenwoordig wordt hoofdzakelijk de hoorn in Bes gebruikt (de grondtoon zonder gebruik van ventielen), met een buislengte van 2,75 m; de buislengte van de F-hoorn bedraagt 3,73 m. De klinkende toonomvang van de (transponerende) Bes-hoorn is: E tot bes2 (F-hoorn: B1 tot f2). Een combinatie van beide hoorns is de dubbelhoorn. Hierbij kan door middel van een extra ventiel de Bes- tot F-hoorn verstemd worden. Door het grotere aantal nevenbuizen is het instrument nogal zwaar. Effecten als tongslag (onderbreking van de luchtstroom d.m.v. de tong) zijn ook bij de hoorn mogelijk. Het 'en sourdine' (gedempt) spelen kan geschieden door de hand verder in de klankbeker te brengen, of door gebruik van een speciale sourdine. Aan sommige hoorns is een stopventiel aangebracht waarmee de onzuiverheid gecorrigeerd wordt die ontstaat door het stoppen met de hand. Behalve voor het en sourdine spelen wordt het inbrengen van de hand in de klankbeker ook benut voor nuancewijzigingen. Een tegenovergesteld effect is het 'schetterend' spelen (Fr.: cuivré; Duits: schmetterend; Eng.: brassed).

In het symfonieorkest bestaat de hoorngroep (vier tot acht hoorns) uit hoge en lage blazers, zodat iedere hoornist gewend raakt aan de embouchure van een bepaald register.

Uit de geschiedenis blijkt ook een voortdurende wijziging van de aard van het instrument. Zo is ook de orkesttoepassing de weg gegaan van eenvoudige signalen tot melodievoerend instrument. Een vergelijking van het eenvoudige hoornthema in Beethovens Eroïca met de hoornsolo in R. Strauss Till Eulenspiegel tekent die ontwikkeling duidelijk. Bij de eigentijdse composities wordt meer gebruik gemaakt van effecten als glissando, en sourdine, met de hand op het mondstuk slaan, gebruik van het hoge register, enz. Door de uitbreiding van de mogelijkheden is de hoorn ook meer een solo-instrument geworden. Hoornconcerten schreven o.a. Chevreuille, Flothuis, Joseph Haydn en Michael Haydn, Hindemith, K. Mengelberg, Meulemans, W.A. Mozart, Schuller, R. Strauss, Tomasi en Weber.

3. Andere typen hoorn

Althoorn, een speciaal in harmonie- en fanfarekorpsen gebruikt instrument (buislengte 1,77 m) gestemd in Es en met klinkende toonomvang a–a2. Het is geen eigenlijke hoorn, doch behoort tot de saxhoorns. De althoorn gelijkt op de tuba, heeft drukpistons (rechtstandige drukventielen), die voor rechtshandige bespeling zijn aangebracht. De klank is een sext lager dan de notatie. De bezetting is meestal vierstemmig, waarbij althoorn I als solo kan fungeren. De klank is vrij dik, zodat er een streven is de althoorn te vervangen door de (wald)hoorn. Deze is echter moeilijker te bespelen.

Bachhoorn, een kleine hoorn voor het spelen in het hoge register. Bach schreef een corno da caccia voor in zijn Hohe Messe en in het eerste Brandenburgs concert (twee hoorns). Ook Händel maakte gebruik van dit instrument.

Hoorntuba, zie Wagnertuba.

Posthoorn, een natuurinstrument met conisch geboorde buis van ca. 75 cm lengte, zonder pistons of ventielen, waarop de 2de tot de 6de toon van de natuurtoonreeks gespeeld kunnen worden. De windingen zijn meestal rondgebogen. Men gebruikte vroeger de posthoorn op de postkoets en diligence. Mozart componeerde een Serenade, waarin een posthoorn voorkomt.

Stella-hoorn, een hoorn die in fanfare- en harmonieorkest gebruikt wordt, met dezelfde vorm als de gewone hoorn, echter met pistons voor rechtshandig gebruik.

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum