Zie ook:
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar hobo

Resultaten van Windows Live® Search

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

hobo

Encyclopedieartikel
Multimedia
Mozarts Concert voor hobo en orkest in CMozarts Concert voor hobo en orkest in C
Artikeloverzicht

Introductie

hobo (Ital.: oboe; Fr.: hautbois; Duits: Oboe; Eng.: oboe), muziekinstrument, behorend tot de groep houten blaasinstrumenten, waarbij de luchtkolom in het instrument door middel van een dubbelrietblad in trilling wordt gebracht. De buis heeft een nauwe conische boring en aan het einde een enigszins trechtervormig verwijde klankbeker. Het instrument bestaat uit de delen: dubbelriet, stift (waarop het dubbelriet is geplaatst), bovenstuk, onderstuk en beker, en is gewoonlijk van grenadilhout. De toongaten in de 66,5 cm lange buis kunnen door middel van kleppen gesloten of geopend worden, waardoor de luchtkolom verkort kan worden. Het kleppenmechanisme is ingesteld op de toonsoort D. De toonomvang is b (of bes) tot g3. De tonen van cis2 tot g3 worden verkregen door overblazen (wijzigen van de lippenspanning).

1. Geschiedenis

De geschiedenis van de hobo is globaal in twee perioden te delen, van de middeleeuwen tot de 17de eeuw en daarna. Vóór de 17de eeuw kan de pommer (met conische boring en dubbelriet) als belangrijkste voorloper van de hobo beschouwd worden. Het instrument werd in vele afmetingen gebouwd, van contrabas tot sopraan. De kleinere waren vervaardigd uit één stuk, hadden zeven vingergaten en geen kleppen. De grotere bezaten één tot vier kleppen (voor de pink en de duim van de onderste hand). De belangrijkste verschillen van de pommer met het rond 1680 in Frankrijk ontwikkelde instrument (hobo) liggen in de boring, de meerdeligheid, de verfijnde rietconstructie en de embouchure van de laatstgenoemde. Men neemt aan dat de Franse familie Hotteterre een belangrijk aandeel in de ontwikkeling van de hobo heeft gehad. Ook verdere ontwikkelingen zijn sterk aan Frankrijk gebonden geweest. Vanaf 1700 werden verschillende technische verbeteringen aangebracht. Uitvindingen bij andere blaasinstrumenten (o.a. het Böhm-systeem bij de fluit) hadden ook invloed op de hobo-applicatuur (Buffet, Parijs 1844). Barret en Triébert ontwierpen midden 19de eeuw een hobo van een geheel nieuw type, met nauwe boring en verbetering van het kleppenmechanisme (het zgn. Parijse Conservatoriummodel). In Duitsland was tot in de eerste decennia van de 20ste eeuw een hobo met wijdere boring algemeen in gebruik; door deze boring was de toon donkerder getint. Dit type is grotendeels verdrongen door de Franse hobo met nauwe boring, die gelijkmatiger is in alle registers en waarbij de hoge en lage tonen gemakkelijker aanspreken. Ondanks de vele verbeteringen in technische uitvoering blijven vrije aanzetten in het hoge en vooral lage register, en bindingen van grote toonafstanden altijd min of meer gevaarlijk. In Nederland hebben Jaap en Haakon Stotijn veel bijgedragen tot verbetering van de prestaties op het instrument.

2. Etnomusicologie

In de volksmuziek van alle landen van Europa kwamen (primitieve) hobo's en hobo-achtige instrumenten veelvuldig voor. Thans is dit niet meer het geval in Noord-Europa (met uitzondering van Groot-Brittannië), daarentegen wel in Frankrijk, Midden- en Oost-Europa, de Balkan, Griekenland, Italië en Spanje, zij het onder diverse regionale namen en speeltechnieken: bombarde (Bretagne), gaita en gallega (Spanje), piffera en ciaramella (Abruzzen), tontarde (Vendée), zurna (Macedonië), pibcorn (Groot-Brittannië).

In de buiten-Europese muziek komt het instrument voor in Turkije (zoerna), de Arabische wereld (gaita), India (twee typen: shanai en nagasvaram), het Verre Oosten (China: kuan; Japan: hitsjiriki, charoemela; Achter-Indië) en Indonesië (tarompet, slompret). Kenmerkend bij al deze buiten-Europese hobo's is dat zij nimmer solistisch worden bespeeld, maar altijd in combinatie met andere instrumenten (bijv. zoerna + davoel-trommel in Turkije), voorts dat het riet geheel in de mond wordt gehouden, waarbij de wangen als luchtreservoir dienen.

3. Toepassing

De eerste werkelijk solistische toepassing van de hobo vindt men bij J.S. Bach, doch daar de hobotoon toen nog vrij scherp was, werden de soli vaak aan de oboe da caccia en de oboe d'amore (zie hierna) toevertrouwd. Händel componeerde al meer voor hobo; Telemann, Loeillet, Haydn en Mozart schreven vele werken voor dit instrument. Als solo-instrument is de hobo in de romantiek op de achtergrond geraakt, maar in het orkest is hij altijd zeer belangrijk gebleven. De toepassing in het orkest was geheel afhankelijk van het klankkarakter van de overige blaasinstrumenten. Vergelijkt men de toepassing bij Bach (Matthäus-Passion) en Gluck (Iphigenie in Aulis) met Mozart (Figaros Hochzeit) en Beethoven (6de symfonie) en in de 19de eeuw met Wagner, R. Strauss, tot in de 20ste eeuw Strawinsky en de contemporainen, dan valt een zich steeds wijzigende toepassing te bespeuren: van een melodische functie bij een aria tot een kleurschildering in het totale orkestpalet.

Vorige
|
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum