![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Hindemith, PaulEncyclopedieartikel
Hindemith, Paul (Hanau 16 nov. 1895 – Frankfurt am Main 28 dec. 1963), Duits componist, dirigent en pedagoog, studeerde viool bij A. Hegner en had al een niet onaanzienlijk aantal kamermuziekstukken geschreven, toen hij in 1909 zijn studie aan het Dr. Hochs Konservatorium te Frankfurt am Main begon, waar hij les kreeg van A. Mendelssohn (compositie en contrapunt), B. Sekles (compositie) en A. Rebner (viool). In 1915 werd hij eerste concertmeester van het opera-orkest te Frankfurt, terwijl hij in die tijd ook lid was van het Rebner-Quartett. Van 1922 tot 1929 was hij altviolist in het Amar-Quartett. Verder had hij een belangrijk aandeel in de festivals voor moderne muziek van Donaueschingen en Baden-Baden. In 1927 werd hij compositieleraar aan de Berliner Musikhochschule. Vooral in deze periode kreeg hij grote belangstelling voor pedagogische en theoretische onderwerpen: hij componeerde vele werken voor uitvoering door amateurs – Gebrauchsmusik – en schreef diverse boeken op pedagogisch en theoretisch terrein, die mede zijn invloed bepaalden. Toen tijdens het Hitler-bewind zijn muziek werd geboycot, vestigde hij zich in 1934 in Zwitserland. Van 1934 tot 1937 ging hij elk jaar naar Ankara, om de Turkse regering advies te geven inzake de opbouw van het muziekleven aldaar. Na 1937 maakte hij enkele tournees door de Verenigde Staten, waar hij zich in 1940 vestigde en van 1940 tot 1953 docent aan de School of Music van Yale University en van 1949 tot 1950 lecturer aan Harvard University was. Vanaf 1951 verdeelde hij zijn pedagogische werkzaamheden tussen Yale University en de universiteit van Zürich, waar hij zich in 1953 voorgoed vestigde, terwijl hij zich tevens steeds meer wijdde aan het dirigeren. Hindemith stond als componist aanvankelijk onder invloed van Brahms en Reger. De eerste pogingen tot vernieuwing – vanaf de strijksonates opus 11 – openbaren zich in een streven naar bevrijding uit de traditionele harmonische wetten en een zoeken naar een nieuw beginsel voor een autonome melodie. De drieklank wordt vier- en meerklank, het begrip consonant verdwijnt, tonaliteit wordt polytonaliteit, enz. Aangezien de tonaliteit volgens Hindemith een natuurwet is, blijft de samenklank, ondanks de door een sterk polyfoon stemmenweefsel veroorzaakte dissonanten, ook in latere werken steeds tonaal. In 1934–1935 ontstond, na een reeks in de jaren twintig geschreven eenakters, alsmede na de opera Cardillac (1926; tweede versie 1952), de met traditionele middelen gecomponeerde opera Mathis der Maler (première 1958). Taal en compositietechniek van dit werk zouden voortaan een bepalende invloed hebben op het gehele oeuvre van Hindemith. Tussen de pianocomposities neemt het magistrale, polyfone Ludus tonalis (1942) een speciale plaats in. Zijn theoretisch hoofdwerk, Unterweisung im Tonsatz, is, evenals zijn vele school- en gebruiksmuziek, van grote betekenis voor de muziekpedagogie. In Frankfurt is in 1974 het Hindemith-Institut geopend, dat zijn nalatenschap beheert en Frankfurter Studien uitgeeft. WERK: (behalve de genoemde): Orkest: Konzert für Orchester (1925); Sinfonie Mathis der Maler (1934); Symfonie in Es (1940); Symphonische Metamorfosen über Themen von C.M. von Weber (1943); Symphonia serena (1946); Sinfonietta in E (1950); Sinfonie Die Harmonie der Welt (1951). – Concerten: Kammermusik I–VII (1922–1927; concertmuziek voor versch. instrumentencombinaties); pianoconc. (1945); celloconc. (1940); Konzertmusik (1930; altviool en ork.); orgelconc. (1962–1963); Der Schwanendreher (1935; altviool en klein ork., n. volksliederen); Trauermusik (1936; altviool en strijkers); klarinetconc. (1947); conc. v. houtblazers, harp en ork. (1949); conc. v. trompet, fagot en strijkers (1949). – Kamermuziek: 6 strijkkwartetten (1920–1945); 2 strijktrio's (1924; 1933); Kleine Kammermusik (1922; v. 5 blazers); klarinetkwintet (1923); 3 Stücke (1925; v. 5 instr.); trio v. heckelphon, altviool en piano (1929); kwartet v. piano, klarinet, viool en cello (1938); blaasseptet (1948); sonate v. 4 hoorns (1952); oktet (1958); sonates v. versch. bez. – Piano: Tanzstücke (1920); Suite 1922 (1922); Klaviermusik I (1925) en II (1926); sonates, ook 4-h. en v. 2 piano's. – Opera: Mörder, Hoffnung der Frauen (1919); Das Nusch-Nuschi (1920; marionettenspel); Sancta Susanna (1921); Neues vom Tage (1928–1929; 2de versie 1953); Wir bauen eine Stadt (1930; kinderopera); Die Harmonie der Welt (1957); The long christmas dinner (1960). – Balletten: Der Dämon (1922); Nobilissima visione (1938); The four temperaments (1940–1946); Hérodiade (1944). – Geestelijke muziek: Das Unaufhörliche (1931; oratorium n. G. Benn); Apparebit repentina dies (1947); Ite, angeli veloces (1954–1955; cantate-trilogie n. P. Claudel). – Koorwrk. a capp.: Liederen, o.a. Das Marienleben (1923, 2de versie 1936–1948). – Geschriften: Unterweisung im Tonsatz (1937), met deel II Übungsbuch für den zweistimmigen Satz (1939) en III Übungsbuch für den dreistimmigen Satz (post. uitg. 1970); A concentrated course in traditional Harmony (1943; 21944); J.S. Bach (1952); A composer's world: horizons and limitations (1952).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |