![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
hart, het orgaan dat het bloed door het bloedvatenstelsel pompt.
Bij lagere dieren is het hart een betrekkelijk eenvoudig orgaan, of geheel afwezig. Gewervelde dieren zonder vaste lichaamstemperatuur hebben een lage stofwisseling. Zij hebben een hart waarin gedeeltelijke vermenging van zuurstofrijk en zuurstofarm bloed mogelijk is. Bij de vogels en zoogdieren, die een een hoge stofwisseling en een vaste lichaamstemperatuur hebben, zijn de linker- en de rechterhelft van het hart volkomen gescheiden, zodat het uit de longen komende zuurstofrijke bloed zich niet met het zuurstofarme bloed uit het lichaam kan vermengen.
In het menselijk embryo ontstaat het hart al zeer vroeg en ontwikkelt zich op ingewikkelde wijze. Aan het begin van de vierde week na de bevruchting zijn de eerste ongecoördineerde samentrekkingen reeds waarneembaar; aan het eind van die week leiden voor het eerst gecoördineerde samentrekkingen tot een bloedstroom in één richting (bloedsomloop).
Bij de volwassen mens is het hart zo groot als een vuist. Het hart (gewicht: 300 gram) wordt omgeven door het hartzakje (= pericard) en ligt met de punt naar links, achter het borstbeen, boven het middenrif, in het onderste deel van het borsttussenschot (mediastinum) en gewoonlijk tegen het borstbeen aan. Een enkele maal is de punt naar rechts gericht en ligt het hart meer in de rechterborsthelft (dextrocardie). Het hart bestaat uit een holle spier (myocard) die van binnen bekleed is met een dun vlies, het endocard (endocardium; overeenkomend met en zich voortzettend als de binnenwand van de bloedvaten, het endotheel). Van buiten is het hart bekleed met het epicard (epicardium), een vlies dat deel uitmaakt van het hartzakje in ruimere zin. De hartholte is door een overlangs tussenschot volkomen gescheiden in een linker- en een rechterhelft, die elk door een dwars tussenschot (septum) verdeeld worden in een opvanggedeelte: boezem (atrium), en een persgedeelte: kamer (ventriculus), die met elkaar door een opening (ostium) in verbinding staan. Een stelsel van kleppen (valvae) – in feite plooien in de binnenbekleding van de hartholte, met een ventielwerking tussen boezems en kamers, of tussen kamers en de daaruit ontspringende grote slagaders – maakt dat de omloop van het bloed slechts in één richting kan plaatsvinden. Elke hartklep bestaat uit drie of twee flappen – elk slip (cuspis of valvula) genoemd – die tezamen als afsluitende klep fungeren. De rechterboezem ontvangt zuurstofarm bloed uit het hele lichaam via de bovenste en de onderste holle ader; ook mondt de ader die het bloed van de hartspier afvoert (sinus coronarius), in de rechterboezem uit. Dit mondingsgebied van de grote vaten wordt hartbasis genoemd. De rechterboezem bestaat uit een blinde ruimte, het rechterhartoor, met een door spierbalken geribd binnenoppervlak en een eigenlijke boezemruimte die gladwandig is. Het aderlijke bloed uit de rechterboezem bereikt de rechterkamer door de rechter atrioventriculaire opening die door de drieslippige klep = tricuspidalisklep kan worden afgesloten. Het bovenste deel van de rechterkamer, het infundibulum, leidt via de drieslippige pulmonalisklep naar de longslagader en is door een richel gescheiden van de rest van de kamer, waarvan de wand onregelmatige spierbundels bevat en waaruit drie papillairspieren ontspringen, die met peesjes naar de slippen van de atrioventriculaire klep leiden. Het schuin naar achteren gerichte kamertussenschot bestaat uit een dikke spierwand, behalve in het bovenste deel, waar het vliezig is. De linkerboezem heeft, evenals de rechter-, een gladwandig deel en een kleiner, van een spierwand voorzien linkerhartoor; hij ontvangt alle longaders, die zuurstofrijk bloed uit de longen aanvoeren. Via de linker atrioventriculaire opening mondt de linkerboezem in de linkerkamer. Deze opening kan worden afgesloten door de tweeslippige mitralisklep. De wand van de linkerkamer is gebouwd als die van de rechter-, alleen is het spiersysteem meer ontwikkeld en bevinden er zich twee groepen papillairspieren, een voorste en een achterste. Uit het bovendeel van de linkerkamer ontspringt de grote lichaamsslagader (aorta), die het zuurstofrijke bloed naar het lichaam vervoert. Juist boven twee van de drie slippen van de aortaklep, dus in de eerste centimeters van de aorta, ontspringen de beide kransslagaders, die zorgen voor de bloedvoorziening van de hartspier. De aorta is op dat punt verwijd; deze verwijding voorkomt dat bij het opengaan van de aortakleppen de kransvaten worden afgesloten. De takken van de kransvaten verzorgen elk een apart deel van de hartspier, zodat bij uitval van een kransslagader of van een van de takken daarvan de functie niet door andere delen van het kransslagadersysteem kan worden overgenomen. De eigenlijke hartwand (dus afgezien van de vliezige, bekledende binnenste en buitenste laag), de hartspier in engere zin, het myocard, bestaat in hoofdzaak uit onwillekeurig, dwarsgestreept spierweefsel. De spier is rijk voorzien van zenuwvezels van het autonoom zenuwstelsel, die het ritme en de hartkracht kunnen beïnvloeden; toch is het hart een automatisch orgaan, dwz. dat de impuls tot samentrekking in de hartspier zelf ontstaat, nl. in de sinusknoop.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |