![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 8 van 10
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-IerlandEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Prehistorie; 6. Geschiedenis; 7. De 21ste eeuw
Na de verwarring van de Burgeroorlog en de dictatuur van het Interregnum werd de restauratie van het Huis Stuart door de overgrote meerderheid van het volk met vreugde begroet. De afzonderlijke parlementen voor Engeland, Schotland en Ierland en het anglicanisme als staatsgodsdienst werden hersteld. Karel II (1660–1685) en zijn eerste-minister Clarendon namen maatregelen tegen de niet-anglicanen, de dissenters (Clarendon Code). De slechte afloop van de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog (brand van Londen, Tocht naar Chatham, 1667) was een van de oorzaken dat de bij het Hof gehate Clarendon moest heengaan. Hij werd opgevolgd door een groep ministers, het Cabal-ministerie. De koning sympathiseerde met het katholicisme. Het Tolerantie-edict (1672) moest hij onder druk van het parlement evenwel vervangen door de Test Act (1673), waarbij alle niet-anglicanen van de openbare ambten werden uitgesloten. In 1679 kreeg Engeland zijn bekende Habeas Corpus Act, gericht tegen willekeurige gevangenhouding. Naar aanleiding van de opvolgingskwestie ontstonden in deze periode de zgn. Tories en Whigs. De Tories steunde de door het erfrecht wettige troonopvolger van de broer van Karel II, de katholieke Jacobus. De Whigs (de exclusionisten) waren voor uitsluiting van katholieken. Het Lagerhuis nam de Exclusion-bill aan, het Hogerhuis niet. De Restauratie was vergeleken met de situatie rond 1640, in politiek opzicht, een stap terug: het harde optreden tegen de dissenters (zie dissidenten), de uitspattingen aan het hof, de geheime diplomatie van de koning (met Lodewijk XIV, Dover, 1670) getuigden allesbehalve van een door ervaring gerijpt bedachtzaam politiek inzicht en optreden. Voor wetenschap en kunst was het Restauratietijdvak van grote betekenis. De in 1662 opgerichte Royal Society vormde een belangrijk uitwisselingscentrum van allerlei wetenschappelijke ideeën. Isaac Newton en Robert Boyle brachten een revolutie in de natuurwetenschappen teweeg. In de architect Christopher Wren (de herbouwer van Londen na 1667) en de componist Henry Purcell bezat Engeland kunstenaars van grote vermaardheid. Het bewind van de katholieke Jacobus IIduurde slechts kort (1685–1688). Van meet af aan begon hij op ontactvolle wijze de katholieken te bevoordelen. De geboorte van ‘Jacobus III’ luidde een openlijk verzet in zowel van de kant van de Whigs als van de Tories. Men wendde zich tot stadhouder Willem IIIvan Holland, getrouwd met Jacobus’ dochter Maria, om het protestantisme en de vrijheid in Engeland te redden. Willem landde in Engeland op 5 november 1688, Jacobus vluchtte naar Frankrijk. De betekenis van deze paleisrevolutie ligt in de belangrijke wetten die de nationale conventie en later het parlement uitvaardigden: de Bill of Rights (1689, versterking van de positie van het parlement, zonder welks toestemming de koning geen belasting mocht heffen of een staand leger houden), het voor de dissenters gunstige Tolerantie-edict (1689, verzachting van de Clarendon Code), de Triennial Bill (1694) en de Act of Settlement (1701), welke de protestantse troonopvolging waarborgde. Het absolutisme had voor Engeland definitief afgedaan. Willem werd in 1702 opgevolgd door zijn schoonzuster Anna (1702–1714). Haar regeringsperiode werd in beslag genomen door de Spaanse Successieoorlog (Marlborough) en de strijd tussen de Whigs en de Tories (Bolingbroke). In 1707 werden door de Act of Union Engeland en Schotland verenigd tot één rijk met één parlement. De Schotten, van wie velen de unie betreurden, behielden in godsdienst- en onderwijszaken een grote zelfstandigheid. De unie betekende voor Schotland het begin van een economische en culturele opbloei. Engelands financiële, koloniale en commerciële expansie in de tweede helft van de 17de eeuw was van grote betekenis. Londen met zijn half miljoen inwoners begon Amsterdam langzamerhand voorbij te streven. De oprichting van de Bank of England (1694) en de Londense Beurs (1698) stimuleerden de ontwikkeling van het Engelse kapitalisme. In Voor-Indië en Noord-Amerika vestigde men in de 17de eeuw de eerste nederzettingen, die aan het eind van de eeuw van vitale betekenis werden. Een van de belangrijkste denkers van deze periode was John Locke. Zijn Two treatises on government (reeds voor 1688 geschreven) verschenen in 1690. Belangrijk voor de politieke bewustwording van het Engelse volk was de opkomst van de moderne pers en journalistiek onder Anna's regering (Steele, Addison, Defoe). Het Engelse koffiehuis droeg tevens in niet geringe mate bij tot de vorming van de publieke opinie.
In 1714 besteeg George I als eerste koning van het Huis Hannover de Engelse troon. Hij werd opgevolgd door zijn zoon George II (regeerde van 1727 tot 1760). In deze periode kregen de ministers een zekere mate van onafhankelijkheid en macht ten opzichte van het koningschap. Ook de status van het parlement was sinds de dagen van Willem III in betekenis toegenomen. Het behield echter een zeer aristocratisch karakter, wat aard en omvang van de vertegenwoordiging betrof. Tot ca. 1760 beheersten de Whigs de politiek, daarna de Tories. Van 1721 tot 1742 waren de binnen- en de buitenlandse politiek geheel in handen van Robert Walpole, die vóór alles naar behoud van de vrede en verhoging van de welvaart streefde. Op den duur werd Groot-Brittannië toch in de Europese oorlogen betrokken. Aan de Oostenrijkse Successieoorlog en de Zevenjarige Oorlog nam het vnl. deel om zijn commerciële en koloniale suprematie in de wereld te consolideren. Al spoedig werd William Pitt (de Oudere) de ziel van deze politiek. De Vrede van Parijs van 1763 deed Canada, Nova Scotia, Cape Breton Island en een aantal West-Indische eilanden aan Groot-Brittannië toevallen. Bovendien kreeg het de suprematie in Indië. De basis werd gelegd voor het Britse wereldrijk. In 1760 werd George III koning. Tussen 1775 en 1783 vochten de Amerikaanse kolonies, die de Verenigde Staten van Amerika zouden gaan vormen, zich vrij (zie Amerikaanse Vrijheidsoorlog). Veel ingrijpender veranderingen zou echter de Industriële Revolutie teweegbrengen, al begonnen de meest opmerkelijke gevolgen van deze omwenteling pas in het begin van de 19de eeuw aan de dag te treden. Van 1783 beheerste William Pitt de Jongere de Britse politiek. De Franse Revolutie kende aanvankelijk in Groot-Brittannië tal van bewonderaars. Naarmate zij zich meer in radicale richting ontwikkelde, verloor zij echter de sympathie van de Engelsen. Op 1 februari 1793 brak de oorlog tussen Frankrijk en Groot-Brittannië uit. Afgezien van Nelsons overwinningen boekten de Britten in de eerste jaren weinig successen. Ierland was in de laatste jaren van de 18de eeuw in opstand. Na de pacificatie bracht Pitt een parlementaire en (anglicaans-)kerkelijke unie met Groot-Brittannië tot stand (1800; United Kingdom). De koning weigerde echter zijn fiat te geven aan de concessies die Pitt de Ierse katholieken in het vooruitzicht had gesteld. In 1802 sloot Groot-Brittannië met Frankrijk de Vrede van Amiens. Pitt, die in 1801 was afgetreden, bleef echter als ‘adviseur’ van de regering op oorlog aansturen. De vijandelijkheden begonnen in 1803 opnieuw. Bij de definitieve vrede verwierf Groot-Brittannië o.a. de Kaapkolonie, Ceylon (Sri Lanka), Malta en de Ionische eilanden.
In de 19de eeuw bereikte Groot-Brittannië het toppunt van zijn politieke en economische macht. In de jaren onmiddellijk na 1815 leidden de naweeën van de oorlog en een zekere paniek bij de bewindslieden tot reactie in plaats van tot de zo nodige hervormingen. Hoge prijzen, lage lonen, opstootjes, sociale en politieke onrust (hetgeen o.m. leidde tot het Bloedbad van Peterloo), dit alles vroeg om radicale oplossingen. Pas in 1822 werden liberaal gezinden in het kabinet opgenomen en werd een eerste begin met progressieve maatregelen gemaakt. Reeds de zeer conservatieve Castlereagh had zich ter wille van het Britse belang verre gehouden van de politiek der Heilige Alliantie. Canning zette deze koers ook uit persoonlijke overtuiging voort door overal ter wereld het liberale en nationale verzet tegen de oude machten te steunen (vooral Zuid-Amerika, Spanje en Griekenland). Aan de Ierse en Engelse katholieken werd ten slotte recht gedaan door het afkondigen van de katholieke emancipatie in 1829 (Emancipation Act). Reeds in 1828 was de Test Act afgeschaft. De voortdurende roep om kiesrechthervorming vond in 1832 eindelijk gehoor (Reform Bill). De slavernij werd afgeschaft in 1833 (de slavenhandel reeds in 1807) en er werd een bescheiden begin gemaakt met arbeidswetgeving en armenzorg. Na de laatste mannelijke vorsten uit het Huis Hannover, George IV(1820–1830) en Willem IV(1830–1837), kwam koningin Victoria (1837–1901) aan de regering. De ontrechting en ongebreidelde exploitatie van de arbeidersklasse, die reeds eerder tot arbeidersorganisatie hadden geleid, deden de beweging van het chartisme ontstaan. De liberale actie voor afschaffing van de graanwetten (zie Anti-Corn-Law-League) en invoering van de vrijhandel werd in 1846 en volgende jaren met succes bekroond. Gedurende de tweede helft van de eeuw kwam het politieke en het economische liberalisme tot grote ontplooiing. In de oude Tory-partij was een scheuring ontstaan naar aanleiding van de kwestie van de graanwetten. De vleugel die de oude traditie voortzette en hiermee de Conservatieve Partij werd (zie Conservative Party), kwam onder leiding te staan van Disraeli; de vleugel die toenadering tot de liberalen zocht, onder Peel. Sinds de jaren zestig stonden conservatieven en liberalen echter als enig overgebleven, homogene groeperingen tegenover elkaar. In het midden van de eeuw leidde Palmerston de buitenlandse politiek, en wel op zeer provocerende wijze. De Krimoorlog, de Italiaanse en de Duitse politiek boden gelegenheid tot interventie en uitbreiding van de Engelse macht. De periode van 1868 tot 1894 werd beheerst door de twee grote staatslieden Disraeli (Conservatief) en Gladstone (liberaal). In 1867 had de tweede Reform Bill een nieuwe uitbreiding van het aantal kiesgerechtigden gebracht (voor het eerst ook arbeiders). In 1884 werden nagenoeg alle volwassen mannen kiesgerechtigd. Tijdens zijn tweede ministerie (1874–1880) maakte Disraeli een begin met de imperialistische politiek. In 1876 verschafte hij de koningin de titel keizerin van Indië. In het laatste decennium van de 19de eeuw kwam het tot de definitieve organisatie van politieke arbeiderspartijen, die ten slotte in 1906 in de Labour Party opgingen. Imperialisme en interventie, in de jaren tachtig op de achtergrond geraakt, namen in de jaren negentig weer in betekenis toe. Een tijdlang was Joseph Chamberlain de ziel van de imperialistische politiek van het Britse Rijk.
Aldus steeds meer in de strijd van de Europese mogendheden om de hegemonie in de wereld verwikkeld, moest Groot-Brittannië ten slotte wel met de ene of de andere partij tot een akkoord komen. In 1904 koos het de zijde van Frankrijk (Entente Cordiale ). Koningin Victoria was inmiddels opgevolgd door Eduard VII(1901–1910), met wie het Huis Saksen-Coburg op de troon kwam. Nadat de unionisten van 1885 tot 1905 aan het bewind was geweest, kwam de beurt aan de liberalen, die met Campbell-Bannerman en Asquith als premiers tot 1915 regeerden. In het eerste decennium van de 20ste eeuw kwam een uitgebreide sociale en arbeidswetgeving tot stand. Sinds 1910 was de Ierse kwestie weer acuut aan de orde. Midden in de hevige strijd om de toekomstige status van Ierland werd Groot-Brittannië meegesleept in de Eerste Wereldoorlog. In 1915 werd het kabinet in een coalitieregering veranderd, die in 1916 voor een oorlogskabinet plaats maakte (onder Lloyd George). Koning George V (regeerde van 1910 tot 1936) gaf zijn Duitse titels op en veranderde de naam van zijn dynastie van Saksen-Coburg in Windsor. De onafhankelijkheidsstrijd van de Ieren ging gedurende de oorlog voort. In 1918 werd het algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht ingevoerd. Na afloop van de oorlog had Groot-Brittannië niet alleen zware verliezen aan mensen en materiaal, maar kwam het bovendien voor talloze zeer ernstige politieke problemen te staan (Ierland, Indië, Palestina, Egypte, verhouding tot de dominions, houding ten opzichte van de Sovjet-Unie, grote moeilijkheden met Frankrijk naar aanleiding van de naoorlogse politiek tegenover Duitsland). Daarbij kwam een grote binnenlandse sociale onrust (arbeiderseisen, stakingen). De eerste Labour-kabinetten traden op (1924 en 1929–1931; MacDonald). De wereldcrisis dreef conservatieven, liberalen en deels de Labour Party tot elkaar in een poging de Britse economie te herstellen (nationale kabinetten-MacDonald, opgevolgd door resp. Stanley Baldwin en Austen Chamberlain). In 1931 werd de gouden standaard losgelaten. In 1932 werden beschermende tarieven ingevoerd, waarmee ook Groot-Brittannië afscheid nam van het systeem van de vrijhandel. Het Gemenebest van Naties werd in deze periode ingrijpend gereorganiseerd. Nauwelijks hadden zich de eerste tekenen van economisch herstel voorgedaan (1933), of de agressieve politiek van het fascistische Italië en het nationaal socialistische Duitsland dreef Groot-Brittannië weer in het nauw. Als alle westerse mogendheden dacht het door toegeven te kunnen winnen. In 1936 beleefde het daarbij een koningscrisis (zie Eduard VIII). Eduard werd opgevolgd door zijn broer George VI (regeerde van 1936 tot 1952). De stuurloze buitenlandse politiek van na 1935 bereikte haar dieptepunt in de overeenkomsten van München (1938; zie Conferentie van München). Pas op het allerlaatst vond een ommekeer plaats. Oorlogsvoorbereidingen werden getroffen. Polen, Griekenland en Roemenië kregen beloften van hulp in geval van oorlog. Groot-Brittannië was echter nog geheel onvoldoende voorbereid, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. In mei 1940 werd een coalitiekabinet onder Winston Churchill gevormd, dat de leiding van de oorlogvoering op zich nam. Ook uit deze oorlog kwam Groot-Brittannië zwaar gehavend te voorschijn.
De eerste verkiezingen na de oorlog brachten Labour met grote meerderheid aan de regering (1945, onder Attlee). Het verkeerswezen, de Bank of England, de gezondheidsdienst en de mijnen werden genationaliseerd. Groot-Brittannië trok zich terug uit India en Birma, het begin van een tot nu toe voortgezette dekolonisatiepolitiek. Als een van de bezettende mogendheden in Duitsland sloot Groot-Brittannië zich bij het Westerse blok aan, toen de verhouding tot de Sovjet-Unie slecht werd. Het distantieerde zich aanvankelijk van de Europese beweging. In 1951 kwamen de conservatieven weer aan de regering (Churchill, in 1955 opgevolgd door Anthony Eden, die naar aanleiding van de Suezcrisis in 1957 aftrad en werd opgevolgd door Harold Macmillan). Binnenslands bleef de economische toestand sinds 1945 zeer moeilijk. In 1949 devalueerde het pond sterling. Van de vele stakingen waren die in 1951 en 1955 de belangrijkste. In 1952 werd George VI opgevolgd door zijn dochter Elizabeth II. De regeringsperiode van Macmillan besloeg een kleine zeven jaar (januari 1957 – oktober 1963). Zijn bewind genoot aanvankelijk een vrij grote populariteit, getuige de voor de Conservatieven zeer gunstige verkiezingsuitslag in oktober 1959. Suez bleek vergeten. De economisch-financiële politiek was gericht op ‘expansie zonder inflatie’; zij miste evenwel een vaste beleidslijn. De aanvankelijke expansie stagneerde, de prijzen stegen en onrustbarend was vooral sinds 1962 de stijging van de werkloosheid. In 1961 besloot de regering tot toetreding van Groot-Brittannië tot de EEG; onderhandelingen hierover werden gevoerd in 1962 (onder leiding van Edward Heath), die evenwel in januari 1963 tot een abrupt einde kwamen. Het in 1962 met de Verenigde Staten gesloten akkoord over nucleaire samenwerking maakte in feite een einde aan de Britse onafhankelijkheid op het gebied van de kernbewapening. Sindsdien is het land voor zijn essentiële nucleaire wapensystemen (zie kernwapen) aangewezen op Amerikaanse leveranties. Voor de Franse president De Gaulle was het Akkoord van Nassau aanleiding om Britse toetreding tot de EEG met zijn veto tegen te houden: De Gaulle vreesde een Amerikaans ‘Paard van Troje’. Het dekolonisatieproces zette zich onder Macmillans bewind met rasse schreden voort. Het jaar 1963 zag het heengaan van Macmillan, die in oktober van dat jaar door Douglas-Home werd opgevolgd. Door de verkiezingen van oktober 1964 kwam voor het eerst sinds dertien jaar weer een Labourregering aan de macht onder Harold Wilson. De economische problemen bleven groot. Callaghan (Financiën) trachtte handel en export te bevorderen door tijdelijk extra invoerrechten te heffen. Na veel beraad besloot men in een later stadium tot een veel ingrijpender maatregel: devaluatie (november 1967), de tweede onder Labour na 1945. Callaghan moest plaats maken voor Roy Jenkins. Ook Labour wenste na enige aarzeling Engelands toetreding tot de EEG. Struikelblok was ook nu weer Frankrijks afwijzende houding. Handhaving van de Britse machtspositie ten oosten van Suez werd voor Engeland, gezien de economische situatie, steeds moeilijker (o.a. ontruiming van Aden). De eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Rhodesië door de blanke minderheid aldaar in 1965 veroorzaakte spanningen met de jonge Afrikaanse naties en vergrootte ook de moeilijkheden in eigen land. De regering trachtte enerzijds door wettelijke restricties de immigratie van kleurlingen uit de Commonwealth-gebieden af te remmen om rassentegenstellingen te vermijden, anderzijds nam zij wettelijke maatregelen om de rassendiscriminatie tegen te gaan. Het prestige van Wilson brokkelde op het eind van de jaren zestig af: de slechte economische toestand, de pro-Nigeriaanse houding in het Biafra-conflict (wapenleveranties), het mislukken van de onderhandelingen met de Europese Gemeenschappen en de behandeling van de kwestie Rhodesië wekten zowel in oppositionele als in eigen kring onbehagen.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |