Resultaten van Windows Live® Search

  • IERLAND

    ... van Groot-Brittannië en is ongeveer twee keer zo groot als Nederland. Het eiland bestaat naast de Republiek Ierland ook uit Noord-Ierland of Ulster dat behoort tot het Verenigd ... Noord-Ierland of Ulster dat behoort tot het Verenigd Koninkrijk. Tussen Ierland en Groot-Brittannië ...

  • NOORD-IERLAND

    NOORD-IERLAND ... Geografie Algemeen Noord-Ierland is, naast Engeland, Schotland en Wales, een van de vier landstreken van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord ...

  • Groot-Brittannië

    Groot-Brittannië. Officiële naam: United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland (Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland)

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 7 van 10

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Encyclopedieartikel
Multimedia
Engelse pub op het plattelandEngelse pub op het platteland
Artikeloverzicht

6.1 De Normandische periode

Van 1066 tot 1204 waren Engeland en Normandië met slechts geringe onderbrekingen door een personele unie verbonden. Daardoor raakte Engeland bij continentale verwikkelingen betrokken. Willem de Veroveraar onderdrukte opstanden tegen zijn gezag met de hulp van de militairen die met hem meegekomen waren en zich in Engeland hadden gevestigd. Hij gaf alle verantwoordelijke posities in het rijk en in de kerk aan zijn continentale getrouwen. De boeren, die reeds tevoren onvrij waren geworden, werkten voor de nieuwe meesters. Buiten de oude Danelaw nam de onvrijheid van de boeren over de gehele linie toe. Willem de Veroveraar werd in Engeland in 1087 opgevolgd door zijn zoon Willem II Rufus, die regeerde tot 1100. In 1106 werd Robert III, oudste zoon van Willem de Veroveraar en diens opvolger in Normandië, door zijn jongste broer, Hendrik, koning van Engeland sinds 1100, verslagen in de Slag van Tinchebrai. Hierdoor werden Normandië en Engeland weer onder één kroon verenigd. Sinds 1120 zonder mannelijke opvolgers, trachtte Hendrik I de groten in het rijk door eden aan zijn dochter Mathilde te binden. Bij zijn dood (1135) eiste zijn neef, Stefanus van Blois, echter de troon op. De volgende negentien jaren worden gewoonlijk ‘de anarchie’ genoemd. Mathilde, gemalin van Geoffroy Plantagenet, graaf van Anjou, trachtte haar rechten op de Engelse troon te verwezenlijken. Het resultaat was een burgeroorlog. De daadwerkelijke regering van het land werd zeer bemoeilijkt, maar het staatsgezag ging niet totaal ten onder. De verwoestingen van de burgeroorlog teisterden bepaalde streken zeer, zoals de Fens, waar Geoffrey de Mandeville huishield. In 1148 gaf Mathilde de strijd op, maar in 1153 werd Stefanus gedwongen Mathildes zoon Hendrik Plantagenet, graaf van Anjou en hertog van Normandië, als opvolger te erkennen.

6.2 Engeland onder de Plantagenets (1154–1399)

In 1154 besteeg Hendrik II de troon. Orde herstellen na de ‘anarchie’ van de regering van Stefanus was Hendriks eerste taak. Zijn regeringsperiode was een tijdperk van toenemende koninklijke macht, van Engelse expansie in Ierland, Schotland en Wales, en verwikkelingen op het continent. Hendrik II werd opgevolgd door Richard I Leeuwenhart (regeerde van 1189 tot 1199). Deze bracht in het geheel slechts vier maanden van zijn regering door in Engeland, waar hij anderen aanstelde om in zijn naam te regeren. De strijd tegen de Saracenen hield hem volledig bezig. Zo was hij een van de leiders van de Derde Kruistocht. Door zijn afwezigheid verzwakte het koningschap opnieuw. Richard werd opgevolgd door zijn jongste broer, Jan zonder Land (regeerde van 1199 tot 1216). Onder deze koning ging Normandië definitief voor Engeland verloren. Later werden bijna al zijn overige bezittingen in Frankrijk ook door de Fransen veroverd. De regering van Jan zonder Land werd tot 1214 beheerst door de strijd met Filips II August van Frankrijk en met paus Innocentius III. Na 1214 was hij, gesteund door de paus, in een strijd verwikkeld met zijn onderdanen; een strijd die na Jans bezegeling van de Magna Charta (1215) de vorm van een burgeroorlog aannam.

Toen Jan in 1216 overleed, werd zijn negenjarige zoon Hendrik III (1216–1272) als koning aanvaard. De baronnen bleven in de oppositie. De regent, Hubert de Burgh, slaagde aanvankelijk erin hen in bedwang te houden. Hendrik koesterde plannen de verloren Franse gebieden te heroveren, maar slaagde daarin niet. In 1264 schoof Simon V van Montfort de koning opzij en oefende iets langer dan een jaar in feite de regering uit. In dat ene jaar werd de grondslag gelegd voor de officiële vertegenwoordiging van de Commons in het parlement.

Het Engelse koningschap werd hersteld en tot ongekende betekenis gebracht door Eduard I (regeerde van 1272 tot 1307), die Wales annexeerde (1284) en op het gebied van regering, bestuur en rechtsordening een groot hervormer en vernieuwer was. De bijeenkomst van het Model Parliament in 1295 (zie ook parlement) was een van de belangrijkste gebeurtenissen in de constitutionele geschiedenis van Engeland. Eduard voerde een verbitterde strijd met Schotland en werd opgevolgd door zijn zoon, Eduard II (regeerde van 1307 tot 1327). Veel van wat Eduard I tot stand had gebracht, ging verloren. Gunstelingenheerschappij, strijd tussen koning en baronnen en anarchie beheersten de eerste decennia van de 14de eeuw. De zware nederlaag bij Bannockburn (1314) maakte voorlopig een eind aan de Engelse invloed in Schotland.

De regering van Eduard III (1327–1377) stond bijna geheel in het teken van de Honderdjarige Oorlog. In Schotland werden successen behaald, maar dat land handhaafde ten slotte zijn onafhankelijkheid. In deze periode gingen stedelijke burgerij en lage adel eindelijk ten volle meetellen in het politieke en maatschappelijke leven, hetgeen in een verdere uitbreiding van de macht van het parlement tot uiting kwam. Handel en nijverheid (in het bijzonder de wolhandel en textielnijverheid) begonnen betekenis te krijgen. Het economische leven in Engeland werd echter door de vreselijke verwoestingen die de Zwarte Dood in 1348 aanrichtte, volkomen ontwricht. Ook de oorlog met Frankrijk bracht diepgaande sociaal-economische verschuivingen en veranderingen, waardoor het tot ernstige sociale onrust kwam. Daarbij kwam hevig verzet tegen de politiek van de pausen van Avignon, dat uitmondde in de activiteit van Wyclif, John Ball en de lollards. Eduard III, op het laatst opzij geschoven door zijn zoon Jan van Gent, werd opgevolgd door zijn kleinzoon, Richard II(regeerde van 1377 tot 1399), zoon van Eduard van Woodstock, de Zwarte Prins.

In het begin van Richards regering behield Jan van Gent nog een groot deel van zijn macht. De ongelukkig gevoerde oorlog met Frankrijk en de toenemende belastingdruk leidden ten slotte in 1381 tot de grote Engelse boerenopstand. Vooral door het beleid van de koning werd hij onderdrukt. Na de opstand ontstond een strijd om de macht tussen Richard en zijn ooms, waarin de koning eerst de nederlaag leed. In 1389 nam Richard zelf de regering in handen. In 1397 voerde hij een soort staatsgreep uit, waardoor hij zich grote macht verschafte. Aan het bijna despotisch bewind dat nu begon, werd een eind gemaakt door de samenzwering van een zoon van Jan van Gent, Henry Bolingbroke, die in 1399 zelf koning werd (Hendrik IV).

6.3 De Huizen van Lancaster en York

Bolingbrokes aanspraken op de troon waren zeer zwak gefundeerd, maar het parlement koos hem tot koning en legaliseerde aldus zijn positie. Als eerste koning van het Huis Lancaster regeerde hij van 1399 tot 1413. Hij zette de oorlog met Frankrijk voort. De regering van Hendrik V (1413–1422) werd geheel beheerst door de oorlog met Frankrijk en de bestrijding van de lollards. Hendrik behaalde de grote overwinning van Azincourt (1415), heroverde Normandië en werd ten slotte als opvolger van de Franse koning Karel VIaangewezen (zie Honderdjarige Oorlog). Hendrik V stierf voordat hij de verovering van Frankrijk had kunnen voltooien. Hij werd opgevolgd door zijn zoon, Hendrik VI(regeerde van 1422 tot 1461), die aanvankelijk onder regentschap stond. Onder deze regering werd de Honderdjarige Oorlog beëindigd en begonnen de Rozenoorlogen, d.w.z. de bloedige strijd tussen de Huizen Lancaster en York, die werd voorafgegaan door de opstand van Cade, waarbij het Huis York reeds betrokken was. Een zekere stabilisering trad op na de Slag bij Tewkesbury (1471), waarin Eduard IV, eerste koning uit het Huis York, de laatste Lancasters versloeg, nadat hij reeds in 1461 de troon had bestegen. Het kwam echter nog eenmaal tot strijd. Bij Eduards dood (1483) deed zijn broer Richard, aangesteld tot voogd over de jonge Eduard V, een greep naar de macht. Weldra maakte hij zichzelf tot koning (Richard III, regeerde van 1483–1485), maar zijn gezag werd van diverse zijden betwist. Ten slotte werd hij ten val gebracht door Hendrik Tudor. De Slag bij Bosworth (22 augustus 1485) maakte een eind aan de Rozenoorlogen. Tudor werd koning (Hendrik VII) en verzoende de tegenstelling tussen Lancaster en York door Elizabeth, de dochter van Eduard IV, te huwen. Met de oude adelsgeslachten, die elkaar hadden uitgeroeid, was ook het feodale stelsel (zie feodaliteit) te gronde gegaan. De gegoede boeren, de gentry, de stedelijke kooplieden en ondernemers, die zich weinig om de dynastieke twisten hadden bekommerd, traden eindelijk als politieke, sociale en economische macht op de voorgrond.

6.4 De Tudors en de Engelse reformatie

Tijdens de regeringsperiode van het Huis Tudor onderging Engeland vele veranderingen van godsdienstige, politieke en economische aard. De Engelse maatschappij telde in 1500 ca. 3 miljoen zielen en droeg tot de Industriële Revolutie een overwegend agrarische signatuur. De steden waren op Londen, Bristol en enkele andere na nog klein van omvang. De groei van Londen is tekenend (1500: 75 000, 1600: 200 000). Opvallend is een toenemende sociale mobiliteit, een trek van mensen en kapitaal van stad naar platteland en omgekeerd, waardoor een sterke assimilatie plaatsvond tussen gentry en koopliedenstand. Onder Hendrik VII (1489–1509) traden deze standen langzamerhand meer op de voorgrond in het lokale en centrale bestuursapparaat. Het bestuur was erop gericht het sociale evenwicht tussen de groepen te herstellen of te handhaven. Onder Hendrik VIII(1509–1547) voltrok zich de ‘eerste’ Engelse reformatie, de breuk met Rome (1534). Een daad van de koning, die onder brede lagen van de anti-Rome gezinde bevolking met instemming begroet werd. Het protestantisme, door de koning zelf afgekeurd en dat aanvankelijk slechts binnen een minderheid van de hogere klasse aanvaard werd, won geleidelijk meer terrein en consolideerde zich onder Eduard VI(1547–1553). De tegenactie van Hendrik VIII (1539, de bloedartikelen) kwam te laat en de katholieke reactie onder Maria de Katholieke (1553–1558) had door het harde optreden een averechts effect: de haat tegen Rome werd erdoor versterkt.

Thomas Cromwell voerde onder Hendrik VIII belangrijke administratieve hervormingen door (grotere centralisatie). Hij was het ook die door tactvol manipuleren met het parlement de maatregelen tot ontbinding van de kloosters ten uitvoer bracht (1536–1539), waardoor veel grond in handen van leken kwam. Deze herverdeling van het land (de grootste sinds 1066) kwam mede de gentry ten goede, die zich toelegde op effectieve landbouw of overging tot de goedkopere en meer lonende schapenteelt. De enclosure-beweging en de prijsstijging drukten zwaar op de arme boeren en de arbeiders van de plattelandsindustrie. Boerenopstanden kwamen regelmatig voor; de grootste, de Norfolk-rebellie van 1549, werd met de hulp van buitenlandse huursoldaten door Northumberland neergeslagen.

De lange regeringsperiode van de zeer begaafde Elizabeth I (1558–1603) vormt de apotheose van het Tudortijdvak. Zij bevestigde na het korte bewind van Maria de Katholieke definitief de Engelse hervorming door stichting van de Anglicaanse Kerk. Onder haar regering bereikte Engeland een ongekende economische en culturele bloei en speelde het in de internationale politiek een hoofdrol.

6.5 De Stuarts en de Burgeroorlog

Bij de dood van Elizabeth (1603) was de Tudordynastie uitgestorven. Zij werd opgevolgd door een overtuigd absolutist, Jacobus I Stuart (1603–1625), die reeds koning van Schotland was. Tijdens zijn bewind groeide de spanning tussen het Hof en de Country door godsdienstige, financiële en politieke conflicten. Het gunstelingenbewind (Buckingham) deed afbreuk aan het respect voor de kroon. Onder Karel I (1625–1649) kwam het tot een openlijk conflict: de Engelse Burgeroorlog, waarin Oliver Cromwell voorlopig aan het langste eind trok.

De scheidslijn tussen de twee partijen in de burgeroorlog is moeilijk te trekken. De oorlog verdeelde eerder de sociale groeperingen dan dat hij ze tegenover elkaar stelde. De economische opkomst van de gentry in de laatste eeuw was niet zonder betekenis. Haar toenemende politieke macht weerspiegelde zich in het grote aantal zetels in het Lagerhuis. De gentry maakte in deze periode, in samenwerking met de juristen (de common lawyers), het Lagerhuis politiek belangrijker dan het Hogerhuis. De ‘crisis’ van de aristocratie, de hoge adel, hield meer een politieke dan economische achteruitgang in: oude machtsposities en bestuursfuncties waren reeds tijdens de Tudors ten dele in handen van de gentry overgegaan. De zege van Cromwell over de koning, die terechtgesteld werd, bracht na een strijd tussen leger en parlement (independenten-presbyterianen) voor Engeland de militaire dictatuur. Engeland kreeg onder Cromwell voor het eerst, maar ook voor het laatst een geschreven grondwet. Slechts één parlement voor Engeland, Schotland en Ierland oefende de wetgevende macht uit (het zgn. Unie-parlement). Na Cromwells dood (1658) regeerde zijn onbekwame zoon Richard nog twee jaar.

Vorige
| | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum