![]() Zie ook:
Feiten en cijfers
Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 4 van 10
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-IerlandEncyclopedieartikel
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap, klimaat en natuur; 2. Bevolking; 3. Bestuur en samenleving; 4. Economie; 5. Prehistorie; 6. Geschiedenis; 7. De 21ste eeuw
Het Verenigd Koninkrijk behoort tot de oprichters van de Verenigde Naties en heeft een permanente zetel in de Veiligheidsraad. Voorts is het lid van een aantal suborganisaties van de Verenigde Naties. Sinds 1973 is het opgenomen in de Europese Unie (voorheen EEG). Tevens is het lid van het Gemenebest, de Raad van Europa, de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en het Colombo-Plan.
De belangrijkste politieke partijen zijn de Conservative Party en de (socialistische) Labour Party. Het districtenstelsel is nadelig voor kleinere partijen, zoals de Liberal Democrats en de Green Party, en bemoeilijkt de opkomst van nieuwe partijen. De leider van de Conservative Party (opgericht in 1870 als voortzetting van de Tory-factie) wordt gekozen uit de conservatieve fractie van het Lagerhuis. Formeel is de zgn. Central Council het hoogste orgaan van de partij: het wordt gevormd door de partijleider, de afgevaardigden in Lager- en Hogerhuis, potentiële kandidaten uit de diverse kieskringen, leden van het uitvoerend comité en uit vier vertegenwoordigers van elke kieskring. Feitelijk geldt het uitvoerend comité, bestaande uit 135 leden, als het hoogste orgaan. De leider van de Labour Party (opgericht in 1900) wordt gekozen door de drie organen binnen de partij, wier stemmen gelijk wegen: vakbonden, de Labour-fractie van het Lagerhuis en door de plaatselijke partijcomités. Het hoogste orgaan is de Party Conference, die jaarlijks een congres belegt waaraan ca. 1200 gedelegeerden deelnemen. De dagelijkse leiding is in handen van het National Executive Committee (NEC), dat uit 28 leden bestaat, van wie 26 op de jaarlijkse partijdagen worden gekozen. Ex-officio-leden zijn de partijvoorzitter en diens plaatsvervanger. The Liberal Democrats is een fusie tussen de Social Democratic Party (SDP) en de Liberal Party. The Social Democratic Party werd in 1981 opgericht door vier voormalige Labour-ministers van de rechtervleugel en programmatisch opgezet naar het model van de toenmalige Duitse SPD van Helmut Schmidt. Partijleider David Owen kon echter niet verhinderen dat zijn partij in 1988 een lijstverbinding met de Liberal Party onder de nieuwe naam Social and Liberal Democrats aanging. Onder zijn leiding zetten sedert 1988 de tegenstanders van de fusie de partij onder haar oude naam voort. In 1990 werd de SDP echter opgeheven. The Liberal Party bestaat nog steeds officieel als een zelfstandige partij. Opgericht in 1839 als voortzetting van de Whigs-factie, nam zij tot 1922 deel aan coalitieregeringen. Haar politieke lijn wordt jaarlijks bepaald op de Assembly. Het hoogste orgaan is het Executive Committee. De leider wordt gekozen door de parlementsleden van de Liberal Party. Tot de overige partijen behoren de nationalisten uit Schotland (Scottish Nationalist Party) en Wales (Plaid Cymru), een vijftal Noord-Ierse partijen en de Green Party. Hoezeer de kleine partijen slachtoffer zijn van het districtenkiesstelsel blijkt bijvoorbeeld uit de verkiezingsuitslag van 1983, toen de Alliantie tussen sociaal-democraten en liberalen 25,4% van de stemmen behaalde en Labour 27,6%. Deze uitslag leverde Labour echter 209 zetels in het Lagerhuis op, tegen 23 voor de Alliantie. Als voordeel van het stelsel wordt vaak de slagvaardige regering genoemd, die doorgaans over een absolute meerderheid beschikt in het Lagerhuis. Na de verkiezingen van 5 mei 2005 waren de zetels in het Lagerhuis als volgt verdeeld: Labour Party 356 (was 413 in 2001), Conservative Party 197 (was 166 in 2001), Liberal Democrats 62 (was 52 in 2001), Democratic Unionist Party (DUP) 9 (was 5 in 2001), Scottish National Party (SNP) 6 (was 4 in 2001), Sinn Féin 5 (was 4 in 2001), Plaid Cymru (nationalisten uit Wales) 3 (was 4 in 2001), Social Democratic and Labour Party (SDLP) 3 (was 3 in 2001), Ulster Unionist Party (UUP) 1 (was 6 in 2001), andere 3.
Overkoepelend vakbondsorgaan is het TUC (Trades Union Congress, opgericht in 1868), waarbij in 2002 zeventig bonden waren aangesloten met tezamen ca. 7 miljoen leden (in 1979 nog 12 miljoen). De bonden zijn per beroepsgroep of per bedrijfstak georganiseerd. Zij geven o.m. rechtskundige bijstand aan leden en soms aanvullende uitkeringen. Veel bonden zijn verbonden met de Labour Party. De onderhandelingen tussen de georganiseerde werkgevers en werknemers geschieden op basis van vrijwilligheid. Wanneer de besprekingen dreigen vast te lopen, biedt de overheid bemiddeling aan. Traditioneel is Groot-Brittannië een land met talrijke en vaak langdurige stakingen. Maar de angst voor het verlies van arbeidsplaatsen heeft vanaf het midden van de jaren tachtig geleid tot een duidelijke daling van de stakingsbereidheid. De werkgevers zijn voor het merendeel per bedrijfstak georganiseerd. Overkoepelend lichaam is de Confederation of British Industry (CBI), waarbij meer dan 250 000 verenigingen zijn aangesloten.
Naast de nabijgelegen Kanaaleilanden en het eiland Man zijn er dertien overseas territories, die staatsrechtelijk gezien niet tot het Verenigd Koninkrijk behoren, maar rechtstreeks onder de Kroon vallen. Het zijn: Anguilla, Bermuda, het British Antarctic Territory, het British Indian Ocean Territory, de Britse Maagdeneilanden, de Caymaneilanden, de Falklandeilanden, Gibraltar, Montserrat, Pitcairn, St. Helena, South Georgia en de South Sandwicheilanden, en de Turks- en Caicoseilanden.
Mede door de Industriële Revolutie werd Groot-Brittannië de eerste grote industriële natie. Het kwam tot grote bloei o.a. op het gebied van de handel, transport, industriële productie en van het bank- en verzekeringswezen. Omstreeks 1900 begon de concurrentie van de Verenigde Staten en van bepaalde landen op het Europese vasteland; na de Eerste Wereldoorlog bleken de Britse staalfabrieken, de mijnbouw, de scheepsbouw en de textielindustrie verouderd en verloor Groot-Brittannië geleidelijk aan zijn dominante positie. Door het (geleidelijke) verlies van de meeste koloniën na 1945 werd de economische basis smaller. Het herstel na de oorlogsjaren verliep met een economische groei van 2 à 3% per jaar (1945–1971) langzamer dan in de meeste andere West-Europese landen. De oliecrisis van 1973 leidde een ernstige recessie in, met hoge inflatie (bijna 22% in 1976) en oplopende werkloosheid (ruim 6% in 1977). In dat jaar trad Groot-Brittannië toe tot de EEG, hetgeen paste in de verschuiving van de handelsoriëntatie van de voormalige kolonië naar de Europese landen. De oliecrisis van 1973 leidde een ernstige recessie in, met hoge inflatie (bijna 22% in 1976) en oplopende werkloosheid (ruim 6% in 1977). In dat jaar trad Groot-Brittannië toe tot de EEG, hetgeen paste in de verschuiving van de handelsoriëntatie van de voormalige kolonië naar de Europese landen. In de jaren tachtig werd een ingrijpende herstructurering ingezet. Veel van de staatsbedrijven die na de Tweede Wereldoorlog genationaliseerd waren, werden door de conservatieve-regering van M. Thatcher geprivatiseerd: onder meer de sectoren petroleum, gas, lucht- en ruimtevaart, autoindustrie, scheepvaart, wapens, openbaar vervoer, telecommunicatie, spaarbanken en staal. Financieel-economisch was het beleid succesvol: een relatief snelle en stijgende groei van het bnp, een dalend tekort van de overheidsfinanciën en daarmee samenhangend een dalende inflatie (1980: 18%, over de periode 1985–1994 5,4%, in 2001 nog slechts 0,7%). De relatief lage lonen maakten het land aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. Daartegenover stonden de aanvankelijk snel oplopende werkloosheid (4% in 1979, 14% begin 1986, teruggelopen tot 5% in 2001), de grotere inkomenskloof (in 2001 leefde ca. 17% van de Britten onder de armoedegrens), een sinds 1982 steeds negatiever wordende handelsbalans en een sinds 1981 dalend overschot op de betalingsbalans (1981: US$ 17 501 miljoen, 1987: US$ 1178 miljoen). Belangrijke aardolievondsten en -exporten (sinds 1980) hebben een nog sterkere daling van de saldi voorkomen. Ca. 19% van de beroepsbevolking is werkzaam in de industrie, die 25% van het bnp levert; ruim 80% is actief in de dienstensector (73% van het bnp) en slechts 1% is werkzaam in de landbouw (2% van het bnp).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |