Resultaten van Windows Live® Search

  • IERLAND

    ... van Groot-Brittannië en is ongeveer twee keer zo groot als Nederland. Het eiland bestaat naast de Republiek Ierland ook uit Noord-Ierland of Ulster dat behoort tot het Verenigd ... Noord-Ierland of Ulster dat behoort tot het Verenigd Koninkrijk. Tussen Ierland en Groot-Brittannië ...

  • Intro

  • Autohuur Ierland - Vergelijk de prijzen van autoverhuur in Ierland

    ... en Ierland officieel samengevoegd en "Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en ... provincies bleven een deel van het Verenigd Koninkrijk onder de naam Noord-Ierland. Noord ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search
Pagina 3 van 10

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Encyclopedieartikel
Multimedia
Engelse pub op het plattelandEngelse pub op het platteland
Artikeloverzicht

2.2 Spreiding

Het leeuwendeel van de Britse bevolking is woonachtig in Engeland (82%), 9% in Schotland, 3% in Noord-Ierland en 5% in Wales. De Britse bevolking is voor 89% woonachtig in steden en voorsteden. Om stedelijke congestie tegen te gaan, is een aantal new towns gebouwd resp. gepland. Meer dan een derde van de bevolking is geconcentreerd in acht Metropolitan areas, waarvan Greater London met 7,2 miljoen inwoners (2002) de grootste is.

2.3 Taal

In alle delen van het land wordt hoofdzakelijk Engels (zie Engelse taal), de officiële taal, gesproken. In Wales wordt het Welsh door bijna 19% van de bevolking gesproken. Het Scottish Gaelic wordt nog slechts door 1,8% van de bevolking gesproken, vnl. op de Hebriden, en ook in Noord-Ierland is het Gaelic vrijwel verdwenen. Het Manx op het eiland Man en het Kornisch in Cornwall zijn vrijwel uitgestorven talen.

2.4 Religie

Van de bevolking behoort ca. 72% tot een staatskerk of een vrije kerk, ca. 8% is rooms-katholiek en ruim 2,5% is islamitisch. Voorts zijn er 400 000 sikhs, 350 000 hindoes, 300 000 joden en 25 000 boeddhisten.

Staatskerken zijn de Church of England (zie Anglicaanse Kerk) en de presbyteriaanse Church of Scotland (zie Schotse Kerk). In Wales is de Anglicaanse Kerk sinds 1920 geen geprivilegieerde staatskerk meer. Er bestaat volledige vrijheid van godsdienst. De Koning(in) moet lidmaat zijn van de Church of England en moet bij de troonsbestijging beloven de kerk te beschermen. Wanneer hij (zij) in Schotland vertoeft, is hij (zij) lid van de Schotse Kerk. Met de Church of England verbonden is de zgn. Anglican Communion.

De Vrije Kerken (Free Churches) zijn ontstaan vnl. uit verzet tegen staatsinmenging in kerkelijke zaken. De belangrijkste ervan zijn de Methodistische Kerk, de United Reformed Church en de Baptistenkerken. Naast de Schotse presbyteriaanse staatskerk zijn er diverse presbyteriaanse kerken (vooral in Schotland en Noord-Ierland). Andere protestantse denominaties zijn o.m.: de unitarische en vrije christelijke kerken, de Churches of Christ (in de Verenigde Staten bekend als Disciples of Christ), de Free Church of England (of Reformed Episcopal Church), gevormd in 1844 als een direct gevolg van de Oxford Beweging, de Society of Friends (Quakers) en de Salvation Army (Leger des Heils).

Rooms-Katholieke Kerk. De kerkelijke hiërarchie werd in Engeland en Wales hersteld in 1850, in Schotland in 1878; de meeste hier gevestigde rooms-katholieken zijn uit Ierland afkomstig. Er zijn in Engeland en Wales vijf aartsbisdommen en vijftien bisdommen; Schotland telt twee aartsbisdommen en zes bisdommen; Noord-Ierland maakt deel uit van de kerkprovincie Armagh en heeft op zijn grondgebied de zetels van een aartsbisdom (Armagh) en vier bisdommen.

In Noord-Ierland is 35% van de bevolking rooms-katholiek, 29% presbyteriaans en 24% lid van de staatskerk, de Church of Ireland. Londonderry is overwegend katholiek, Belfast protestants.

3. Bestuur en samenleving

3.1 Staatsinrichting

Het Verenigd Koninkrijk is een constitutionele monarchie, welker staatsbestel echter niet in een grondwet verankerd is. Een belangrijk onderdeel van het Britse staatsrecht is de common law, rechtsregels die historisch gezien in eerste instantie teruggaan op gewoonterecht. Een voorbeeld is de erkenning van het parlement als wetgevend orgaan. Iets dergelijks geldt voor de speciale voorrechten van de beide huizen van het parlement (privileges). De zgn. grondrechten zijn volgens het Engelse systeem een uitvloeisel van de common law; het Habeas Corpus, een rechterlijk bevel om een bepaald persoon voor de rechter te doen verschijnen, is een voorbeeld daarvan. Ook de speciale bevoegdheden van de Kroon (the royal prerogative) vinden hun erkenning in de common law. In deze samenhang is wetgeving ook van belang. De lange rij van documenten in deze categorie begint met de Magna Charta (1215); dan volgen de Petition of Rights (1628), de Bill of Rights (1689), de Act of Settlement (1701), de Act of Union of Scotland, waarbij Schotland en Engeland (Wales inbegrepen) tot een constitutionele eenheid werden gemaakt, de Reform Act (1832), die het proces van rationalisering en democratisering van het kiesstelsel inluidde, en de Parliament Act (1911), welke de wetgeving-remmende bevoegdheid van het Hogerhuis inperkte (maximaal tot twee jaar, later gereduceerd tot één jaar). Bij de Parliamentary Commissioner Act 1967 werd het instituut van de Ombudsman ingevoerd, zij het met beperkte draagwijdte. Zie ook parlement.

Eind jaren tachtig werd het ontbreken van een geschreven grondwet steeds meer als een gemis en een bedreiging van bepaalde burgerrechten ervaren. De hervormingsbeweging Charter 88 pleit sinds 1988 behalve voor een geschreven grondwet tevens voor een hervorming van het Britse kiesstelsel en voor een grotere vrijheid van informatie.

Uit het bovenstaande blijkt dat de gewone wetgever en de gewone rechter de ontwikkeling van het constitutionele recht in Groot-Brittannië bepalen. De rechter kan de wet niet toetsen op haar grondwettigheid, daar alle wetten gelijke gelding hebben. Wel bestaat tot op de huidige dag het vermoeden – van belang bij de uitleg van wetten – dat de wetgever de bedoeling niet heeft de common law te veranderen.

Uit de twee tot dusverre besproken bronnen (common law en wetten) kan men echter het huidige Engelse staatsrecht slechts ten dele leren kennen. Het is de derde rechtsbron, de conventions, die het eigenlijke karakter van het huidige staatsrecht van Groot-Brittannië bepaalt.

De Kroon is erfelijk in de mannelijke en vrouwelijke lijn. De bevoegdheden van de Kroon worden weliswaar formeel door de drager van de koninklijke waardigheid uitgeoefend, maar dit geschiedtin feite door het Kabinet, dat tegenover de volksvertegenwoordiging, het Lagerhuis, verantwoordelijk is. De koning oefent ceremoniële en representatieve functies uit; daarnaast heeft hij van tijd tot tijd een aanwijsbare invloed op staatszaken. Hij staat in nauw contact met de premier (Prime Minister, officieel First Lord of the Treasury geheten); hij heeft nl. het recht om over meer belangrijke vraagstukken geraadpleegd te worden en kan adviseren en waarschuwen. Bovendien benoemt hij de premier na algemene verkiezingen en in andere gevallen waarin aan een nieuwe benoeming behoefte bestaat. Krachtens een ‘convention’ wordt altijd de leider van de partij die de meerderheid van de zetels in het Lagerhuis bezit, tot premier benoemd.

Het kabinet is het centrale, uitvoerende gezagsorgaan van de staat. Het begrip ‘regering’ is ruimer: het omvat alle ministers, ook die welke geen zitting hebben in het kabinet, en ook meer ondergeschikte regeringsfunctionarissen. De premier wijst de leden van het kabinet en verdere personen aan die regeringsfuncties gedurende de ambtsperiode van zijn kabinet zullen bekleden. De kabinetsleden moeten zitting hebben in het Lagerhuis of het Hogerhuis (voor de posten: premier, minister van Buitenlandse Zaken en minister van Financiën is het Lagerhuis vereist). De premier heeft het recht een lid van zijn regering tot aftreden te dwingen. Verantwoordelijkheid voor de daden van de regering tegenover het parlement is collectief. Het Lagerhuis kan, door zijn afkeuring tegenover de regering uit te spreken, deze dwingen tot aftreden óf, na ontbinding van het huis, nieuwe verkiezingen te houden.

De Privy Council (de particuliere raad van de koning, bestaande uit ca. 330 leden) heeft – behalve voor zover het de Judicial Committee betreft – nog slechts ceremoniële betekenis. Leden van het kabinet worden nog steeds tot leden van dit lichaam benoemd. Het kabinet heeft zich – historisch gezien – uit een groepering binnen de Privy Council ontwikkeld. Tot 1931 dienden kolonies en Gemenebestlanden wetsvoorstellen bij de Privy Council ter goedkeuring aan te bieden. Canada was in 1939 het eerste land dat van het recht op wetgeving zonder inmenging van de Privy Council gebruik maakte. Nadien gingen ook de meeste (ex-)kolonies tot deze vorm van ‘autonome’ rechtgeving over. De Judicial Committee zit verder als hoogste instantie zaken voor die aanhangig waren voor het Prijzenhof, en voor het Medisch Tuchtcollege.

Het Hogerhuis (House of Lords) stemde in 1999 in met een ingrijpende hervorming, die een einde moest maken aan de traditionele overmacht van de Conservatieve leden. Tot dan hadden leden van de erfelijke adel (peers) automatisch recht op een zetel. De meesten van hen moesten nu hun zetel afstaan; in 2002 resteerden 92 zetels voor de erfelijke adel, tegenover ruim 700 in 1999. Tegelijk werd het aantal zetels voor de life peers uitgebreid: deze personen die door de regering op grond van hun maatschappelijke verdiensten voor het leven in de adelstand zijn verheven, vormen nu verreweg de grootste groep in het Hogerhuis. In 2001 werden de eerste vijftien people’s peers benoemd: personen die zich hiertoe hadden aangemeld en die geselecteerd waren door een door de premier benoemde commissie. Voorts hebben er zitting 24 bisschoppen en 2 aartsbisschoppen van de Anglicaanse Kerk, de leden van het hoogste gerecht van Groot-Brittannië, dat formeel een commissie van het Hogerhuis is en bekend staat onder de naam Appelate Committee of the House of Lords, en twee andere hoge rechterlijke functionarissen aan wie niet-erfelijke adeldom wordt verleend. Deze rechterlijke leden van het Huis plegen niet deel te nemen aan politieke debatten van het Huis. In totaal telt het Hogerhuis 618 leden (2007). De bevoegdheden van het Hogerhuis beperken zich in wezen tot vier taken: initiëren van wetsvoorstellen; nazien van die wetsontwerpen die aan het Hogerhuis worden voorgelegd; het recht wetsontwerpen tot een jaar te blokkeren; discussie over belangrijke politieke problemen, waarmee het Lagerhuis zich, uit tijdgebrek, niet kan bezighouden.

Het Lagerhuis (House of Commons), de eigenlijke volksvertegenwoordiging, wordt gekozen volgens een districtenkiesstelsel. Kiesgerechtigd zijn alle Britse onderdanen vanaf 18 jaar. Met uitzondering van enkele groepen (o.a. rooms-katholieke geestelijken, hun collega's van de Church of England, militairen, politiebeambten en de ambtenaren van de verschillende ministeries, de zgn. ‘civil servants’) bestaat voor elke Brit vanaf 21 jaar de mogelijkheid gekozen te worden tot lid van het Lagerhuis. In elk district wordt één Lagerhuislid gekozen. Kiesdistricten worden zo begrensd dat ze elk ca. 50 000 personen omvatten. Bij de verkiezingen in 2005 waren er 646 districten, verdeeld over Engeland (529), Schotland (59), Wales (40) en Noord-Ierland (18). Het systeem begunstigt het tweepartijenstelsel en brengt met zich dat betrekkelijk geringe schommelingen in de sympathie van de kiezers grote veranderingen kunnen registreren. De leider van de officiële oppositie ontvangt een door de staat betaald salaris voor het bekleden van deze functie. Hij is de belangrijkste tegenspeler van de eerste-minister en leidt het schaduwkabinet. De maximale zittingsduur van het Lagerhuis is vijf jaar; de regering kan echter eerder tot ontbinding besluiten en zo algemene verkiezingen forceren op een ogenblik dat haar gunstig lijkt. Verlenging van deze periode is slechts mogelijk bij een wet, voor welke de beperking van de bevoegdheden van het Hogerhuis bij wijze van uitzondering niet geldt. Het Lagerhuis benoemt zijn voorzitter, de speaker, die, zolang hij in functie is, een van zijn eigen partij onafhankelijke, onpartijdige positie inneemt. De regeringspartij en de officiële oppositiepartij kennen whips, personen die het onderling overleg tussen die partijen behartigen en zorg dragen voor de fractiediscipline.

Regionaal bestuur. De onderdelen van het Verenigd Koninkrijk –- met uitzondering van Engeland – kregen in 1999 eigen volksvertegenwoordigingen. Daarvoor al hadden zij – ook politiek en staatsrechtelijk – een eigen identiteit. In Noord-Ierland, dat sedert 1920 een zekere vorm van autonomie kent (o.m. een eigen parlement), werden de mogelijkheden tot uitoefening daarvan echter door de burgeroorlog beperkt tussen 1972 en 1982. In die periode stelde Londen via een minister voor Noord-Ierland direct bestuur in. Op grond van de in 1982 aangenomen Northern Ireland Act werd in oktober 1982 een nieuw parlement gekozen (‘Northern Ireland Assembly’), dat geen werkelijke machtsbevoegdheden had maar vnl. raadgevende taken uitoefende. Daar het parlement niet in zijn opdracht slaagde – nl. voorstellen te doen betreffende de overdracht van meer bevoegdheden, die op brede steun binnen de gemeenschap konden rekenen – werd het in juni 1986 ontbonden. Tot juli 1998 had Noord-Ierland alleen stem via de 17 afgevaardigden in het Westminster-parlement in Londen. Na de verkiezingen van 25 juni 1998, voortgekomen uit het Goede Vrijdag Akkoord, werd de Assembly weer geïnstalleerd. Het kent beperkte bevoegdheden.

Schotland en Wales hebben sinds 1999 beperkt zelfbestuur, waarbij het Schotse parlement te Edinburgh meer bevoegdheden heeft dan de Assemblée in Cardiff. Beide hebben zeggenschap over landbouw, economie, onderwijs en volkshuisvesting; het Schotse parlement heeft daarnaast bevoegdheden op het gebied van gezondheidszorg en milieu, en heeft de vrijheid om binnen een bepaalde marge af te wijken van het landelijke inkomstenbelastingspercentage.

3.2 Bestuurlijke indeling

Engeland kent drie bestuurniveaus. Het hoogste niveau wordt gevormd door de graafschapen (counties), waarvan drie varianten bestaan: de 39 historic counties, zonder bestuurlijke functie maar met een identificerende, cultuur-historische rol; de 47 geographic counties, die vnl. voor statistische doeleinden dienen omdat ze net als de historic counties het gehele land dekken, en waartoe ook zes metropolitan counties behoren; en 34 administrative counties met verantwoordelijkheden op het gebied van verkeer en infrastructuur, ruimtelijke ordening, onderwijs en afvalverwerking. Het middelste bestuursniveau wordt gevormd door districten, waaronder enkele de status van borough of city bezitten: eenheden met taken op onder meer de gebieden gezondheidszorg, afvalverzameling en recreatie. De councillers (gekozen voor vier jaar) kiezen eens per jaar uit hun midden een voorzitter, die in de ca. 190 districten met ‘borough’-status de titel Mayor mag voeren. Er zijn negentien steden waar de voorzitter van de council zich Lord Mayor mag noemen. De 46 unitary authorities hebben verantwoordelijkheden op zowel het hoogste als het middelste niveau. Het laagste niveau bestaat uit de parishes en towns, die gehoord worden inzake regionale planning en die de bevoegdheid hebben een opslag te leggen op de onroerendgoedbelasting.

Londen (Greater London) neemt een uitzonderingspositie in. Samen met andere grote-stadsbesturen werd de Greater London Council om financiële redenen in april 1986 opgeheven en door andere organen met minder verantwoordelijkheid vervangen. In 2000 werd dit besluit deels teruggedraaid met de instelling van de Greater London Authority (GLA), die bevoegdheden kreeg op de terreinen transport, ruimtelijke ordening, politie en nooddiensten. De GLA kent een rechtstreeks gekozen burgemeester en een raad van 25 afgevaardigden.

Schotland kent feitelijk één bestuurslaag: de 32 council areas, die in 1975 werden ingesteld ter vervanging van de 34 historische graafschappen. Ze hebben verantwoordelijkheden op de gebieden milieu, ruimtelijke ordening, onderwijs, volkshuisvesting en verkeer en infrastructuur. Er bestaan verder diverse gemeenschappen (communities) die vooral een consulterende rol hebben. Het lokale bestuur in Wales is op twee niveaus georganiseerd: twaalf counties en tien county boroughs, verantwoordelijk voor ruimtelijke ordening, sociale voorzieningen, gezondheidszorg en milieu; en community councils, vergelijkbaar met de Engelse parishes. Noord-Ierland heeft alleen District Councils (26), die alle lokale en regionale taken uitvoeren.

Vorige
| | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum