Resultaten van Windows Live® Search

  • IERLAND

    ... van Groot-Brittannië en is ongeveer twee keer zo groot als Nederland. Het eiland bestaat naast de Republiek Ierland ook uit Noord-Ierland of Ulster dat behoort tot het Verenigd ... Noord-Ierland of Ulster dat behoort tot het Verenigd Koninkrijk. Tussen Ierland en Groot-Brittannië ...

  • Intro

  • Autohuur Ierland - Vergelijk de prijzen van autoverhuur in Ierland

    ... en Ierland officieel samengevoegd en "Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en ... provincies bleven een deel van het Verenigd Koninkrijk onder de naam Noord-Ierland. Noord ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Encyclopedieartikel
Multimedia
Engelse pub op het plattelandEngelse pub op het platteland
Artikeloverzicht

Introductie

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (officieel: United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland; afkorting: UK), koninkrijk in West-Europa, op de Britse Eilanden, 244 110 vierkante kilometer (1998 reëel), met 60 776 238 inwoners (2007 schatting); 252 personen per vierkante kilometer (2007 schatting). De hoofdstad is Londen (London). Munteenheid is het Pound Sterling (£), verdeeld in 100 pence. Nationale feestdag is 21 april, de verjaardag van koningin Elizabeth II. De internetlandcode (TLD) is uk.

Het Verenigd Koninkrijk omvat de vroegere koninkrijken Engeland en Schotland en het voormalige prinsdom Wales, alsmede Noord-Ierland en een aantal eilanden(groepen), waarvan de grootste zijn: de Orkney Islands en de Shetland Islands in het noorden, de Hebriden in het westen, Anglesey en Man in de Ierse Zee, Wight en de Kanaaleilanden in Het Kanaal. Deze laatste (de eilanden Jersey en Guernsey) en het eiland Man behoren staatsrechtelijk niet tot het Verenigd Koninkrijk; ze vallen direct onder de Kroon (Crown dependency).

De 14 Britse overzeese gebieden (waaronder Anguilla, Bermuda, de Britse Virgin Islands, de Cayman Islands, de Falklandeilanden, Gibraltar, de Pitcairneilanden, Sint-Helena en de Turks and Caicos Islands) worden niet beschouwd als deel uitmakend van het Verenigd Koninkrijk, maar vallen wel onder Britse soevereiniteit. Voorheen sprak men van kroonkolonies (tot 1981) of Britse afhankelijke gebieden (tot 2002).

Groot-Brittannië trad in 1973 toe tot de Europese Unie, maar stelt zich doorgaans terughoudend op als nationale bevoegdheden overgedragen moeten worden. Zo ging het land in 1999 niet over tot invoering van de euro. Onder de vanaf 1997 regerende Labour Party ontwikkelde de economie zich voorspoedig en kregen de landsdelen Schotland en Wales meer autonomie. In Noord-Ierland, dat al ruim dertig jaar wordt geteisterd door sektarisch geweld en terroristische aanslagen, werd met het Goede Vrijdagakkoord van 1998 een belangrijke stap naar de vrede gezet.

1. Landschap, klimaat en natuur

1.1 Landschap

Het hoofdeiland Groot-Brittannië, 229 884 km2, is van het Europese vasteland gescheiden door de Noordzee en Het Kanaal. Geen punt ligt verder dan 120 km van de zee verwijderd. De kusten zijn sterk geleed, in het bijzonder de westkust van Schotland. Het ontstaan der zeer talrijke, meestal vertakte en van vooruitspringende rotsen, eilanden en klippen vergezelde kleinere bochten aan Schotlands westkust (aldaar het type van de Noorse fjorden vertonende) staat in verband met het feit dat de meeste niets anders zijn dan het onderste deel van de dalen van de berglandschappen waarin de zee binnengedrongen is bij de positieve niveauverandering. Hun verdere modellering is ontstaan door de zeer sterke branding en de getijden. De oostkust is, overeenkomstig het vlakke karakter van het achterland, eentonig gevormd. Vlakke kusten, soms met duinen en waddenvorming, hebben de overhand, maar ook hier wordt de kustlijn onderbroken door verdronken rivierlaagten.

Naar de morfologie is Groot-Brittannië te onderscheiden in een noordwesthelft, bestaande uit een uit oudere gesteenten samengesteld bergland, en een zuidoosthelft, welke min of meer het karakter van een vlakte draagt en waarin jongere gesteenten overheersen. Het grootste deel van Schotland wordt ingenomen door Caledonische gebergten en kan in drie grote natuurlijke landschappen worden verdeeld, nl. de noordelijke hooglanden (Ben Wyvis 1043 m, Scourna Lapick 1151 m, Ben Dearg 1081 m), het centrale hoogland of de Grampians (Ben Nevis 1343 m, Macdhui 1309 m, gekenmerkt door diep ingesneden dalen, en overwegend met venen en heiden bedekt) en de door de brede en vruchtbare slenk van de Schotse laaglanden van de noordelijke hooglanden gescheiden zuidelijke hooglanden. Zowel de noordelijke als de zuidelijke hooglanden vormen een versneden plateau, met enkele hogere alleenstaande toppen, met dit verschil, dat de zuidelijke hooglanden (Broad Law 835 m, Merrick 843 m, Hart Fell 804 m) lager zijn. In Engeland en Wales zijn de Caledonische gebergten vertegenwoordigd door het massief van Cumberland (Sea Fell 984 m). Voorts behoren tot de Caledonische vormingen de berglanden van Noord- en Midden-Wales (Snowdon 1094 m).

Tot de Variscische plooiingsgebergten in Groot-Brittannië behoort in de eerste plaats het Penninisch Gebergte. Van het zuiden (Weaverstick 351 m) strekt het zich over ca. 250 km naar het noorden uit en bereikt de grootste hoogte in de Cross Fell (893 m). Het zuidelijk deel, het Peakgebergte, is vooral een mijn- en weidegebied, het noordelijk deel is grotendeels met heide en veen bedekt. Nog verder noordwaarts zet het Penninisch Gebergte zich voort in de Cheviot Hills (867 m) op de grens tussen Engeland en Schotland. Verder behoren tot deze Variscische gebergten het bergland van Zuid-Wales en het bergland van Cornwall. De Mendip Hills in de graafschappen Somerset en Avon staan met deze Variscische gebergten in nauw verband.

Ook het zuidoostelijke, vlakke deel van Groot-Brittannië valt in een aantal kleinere gebieden uiteen, in de eerste plaats de vlakte van de Midlands (vlakte van Lancashire, Cheshire, Leicester, Vale of York), die in een V-vorm het zuidelijk deel van de Penninische Gebergten omsluit. Oostelijk hiervan ligt een cuestalandschap, bestaande uit een afwisseling van in feite uit harde gesteenten bestaande cuestaranden en brede, vlakke, meest met klei gevulde dalen (vales), die de uitgeruimde, zachte gesteentelagen representeren. In Engeland komen enkele van deze series van cuestalandschappen voor: 1. de heuvelreeks Cleveland Hills – Lincoln Edge – Cotswold Hills (346 m); 2. de laagtenzone van de Vale of Pickering, Lincoln Vale, de Fenlands, Vale of Aylesbury, Vale of the White Horse; 3. de krijtcuesta van de Yorkshire Moors (454 m), Lincoln Wolds, Chiltern Hills (275 m), East Anglian Heights, Rambourne en Marborough Downs (295 m), die zich in het noorden van Wiltshire tot een breed plateau (vlakte van Salisbury) verbreedt. Het uiterste zuiden en zuidoosten van Engeland vormen cuestalandschappen. De North Downs, die in het westen met de vlakte van Salisbury in verbinding staan, en de South Downs vormen de uit kalk bestaande cuesta-steilranden, terwijl daartussen een lager gebied (the Weald) gelegen is, dat uit twee vales en een zandige, centrale kern (Ashdown Forest) bestaat.

Het Noord-Ierse landschap is door langdurige denudatie van de Caledonische massieven betrekkelijk vlak, met meer reliëf in de oostelijke tertiaire granietintrusies (Mournegebergte, 850 m) en in het oosten van het tertiaire basaltgebied van Antrim, dat ten noorden van Lough Neagh een vrij vlakke, lage ligging heeft (zie hiervoor verder bij Ierland).

1.2 Rivieren en meren

Engeland heeft een groot aantal kleine rivieren; de grootste, de Theems (Thames), is slechts 336 km lang (waarvan 280 km bevaarbaar). Er zijn 55 bevaarbare rivieren, waarvan de voornaamste zijn: de Theems, Ouse, Trent, Humber, Tees, Wear en Tyne in het oosten, de Avon in het zuiden, de Severn, Dee en Mersey in het westen. De meeste worden gekenmerkt door een diep bed, waterrijkdom, weinig verval, een rustige loop, aanzienlijke bevaarbaarheid en mondingen waarin de uitschuring door de getijden verzandingen belet; zelfs hebben deze getijden de monding van vele rivieren in diep indringende zeeboezems veranderd. De kanalen bezitten merendeels een geringe capaciteit. De meren, vooral in het veel bezochte Lake District, zijn niet groot, maar wel fraai (Windermere, 15 km2; Ullswater, 9 km2). De vloed is aan de westkust het hoogst; in de Solway Firth en aan de Severnmond is hij zeer onstuimig en bereikt een snelheid van 16 km per uur en een hoogte van 13–14 m. Aan de Theemsmonding is hij gewoonlijk nauwelijks 5 m hoog.

In Schotland ontspringen bijna alle rivieren op het gebergte, hebben een veel snellere loop dan in Engeland en zijn minder voor de scheepvaart geschikt. De voornaamste zijn in het oosten de Tweed, Forth, Tay, Dee, Don, Spey en Findhorn en in het westen de Clyde. De talrijke meren (lochs) in Schotland zijn deels zoetwatermeren (in glaciale trogdalen, aan de benedenzijde door eindmorenen afgesloten), deels diep het land binnendringende zeearmen, bijna alle gekenmerkt door buitengewone rijkdom aan vis. De grootste zijn: Loch Lomond (71 km2), Loch Ness (56 km2) en Loch Awe (38 km2).

Wales heeft slechts één meer van betekenis, het Balameer. De belangrijkste rivieren zijn: Wye, Usk, Taff, Neath en Tawe.

Lough Neagh in Noord-Ierland, 383 km2, is het grootste meer van de Britse Eilanden, ontstaan door isostatische daling van het centrale deel van het Antrimplateau; het wordt ontwaterd door de Bann en is van belang voor de sportvisserij.

1.3 Geologie

De geologie van Groot-Brittannië is zeer gevarieerd. De oudste gesteenten worden gevonden in Noordwest-Schotland, waar het zgn. Lewisien uit hoog metamorfe gneisen bestaat, die in het Precambrium gevormd werden tijdens twee orogenesen, gedateerd op 2600 en 1500 miljoen jaar. Ook op de Hebriden en op het eiland Anglesey vindt men precambrische gesteenten, maar de laatstgenoemde zijn minder hoog metamorf. Nadat het Precambrium door erosie was blootgelegd, vormde zich een grote geosynclinale in Schotland, Noord-Engeland en Wales, die gevuld werd met jong-precambrische, Cambrische en ordovicische sedimenten en vulkanische gesteenten. In Schotland horen de formaties Moinien, Dalradien en Torridonien hiertoe. Tijdens de Caledonische plooiingsperiode in het Siluur werd de geosynclinale sterk geplooid, waarbij in Schotland grote liggende plooien en overschuivingen gevormd werden, waaronder de bekende Moine-overschuiving. Tevens vond een intensieve regionale metamorfose plaats en intrudeerden grote granietlichamen. In Noord-Engeland en Noord-Wales was de plooiing minder intensief en werden de gesteenten niet gemetamorfoseerd. Het Caledonisch gebergte wordt discordant bedekt door de Old Red Sandstone van Devonische ouderdom. Verder zuidwaarts, vnl. in Zuidwest-Engeland, had zich intussen een nieuwe geosynclinale gevormd, waarin hoofdzakelijk Devonische en Carbonische sedimenten werden afgezet. Deze gesteenten werden tijdens de Variscische orogenese geplooid. Aan het einde van deze periode intrudeerden in Cornwall grote granietlichamen, o.a. de Dartmoor-graniet. Het Variscisch gebergte wordt op zijn beurt discordant bedekt door de New Red Sandstone van Permo-triadische ouderdom. Daarna volgt een vrijwel volledig Mesozoïcum en Tertiair dat over het algemeen vrij vlak ligt, slechts plaatselijk geplooid is en geheel Zuidoost-Engeland bedekt. Hiertoe behoren o.a. de Krijtrotsen van Dover.

Vorige
| | | | | | | |
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum