![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Pagina 3 van 4
Artikeloverzicht
Introductie; 1. Landschap en klimaat; 2. Bevolking; 3. Bestuur; 4. Economie; 5. Geschiedenis; 6. De 21ste eeuw
De burgeroorlog van 1991–1992 heeft Georgië, vroeger een van de meest welvarende sovjetrepublieken, zwaar getroffen. De opstand in Abchazië ontwrichtte de economie: ruim 250 000 Georgiërs moesten hun huizen verlaten en de toeristenindustrie en de teelt van thee, tabak en citrusvruchten stortten in. Sinds het aantreden van president Sjevardnadze in 1992 is de toestand geleidelijk verbeterd, maar de economie gaat nog steeds gebukt onder de onzekerheid over de toekomstige status van Abchazië. Het economisch herstel wordt eveneens gehinderd door wijd verbreide corruptie, zwakke overheidsfinanciën en onenigheid over de economische hervormingen. Georgië slaagde erin de gevolgen van de economische crisis in Rusland in 1998 te bezweren. De lari werd gestabiliseerd en de inflatie bleef lager dan 10%. Een belangrijke economische ontwikkeling was de openstelling van de oliepijpleiding van Bakoe (Azerbeidzjan) naar de Georgische havenstad Supsa. De dagelijkse productie hiervan is ca. 120 000 vaten. Een internationaal consortium heeft in dit project ca. 600 miljoen dollar geïnvesteerd. De pijpleiding heeft ca. 25 000 nieuwe banen opgeleverd. Georgië kampte in 2000 met zware economische problemen, zoals de grote buitenlandse schuld, de massale armoede en de achterstallige betaling van lonen en pensioenen. Ook corruptie was een obstakel voor economisch herstel. Niettemin ontwikkelde de economie zich gunstig met een inflatiedaling van 11 naar 2,5% en een economische groei van ca. 3%. In Colchis en op de berghellingen langs de Zwarte Zee worden o.m. citrusvruchten, moerbeibomen, thee, tabak en druiven (wijn) geteeld. De akkerbouw, die verder o.m. granen, maïs, voedergewassen en etherische oliën produceert, is intensief en sterk gemechaniseerd. De veehouderij maakt gebruik van zomer- en winterweiden en omvat runder- (vooral in het westen), schapen- en geiten- (oosten) en varkensteelt; ook pluimveeteelt. De mijnbouw levert in de eerste plaats mangaan (bij Tsjiatoera), dat grotendeels als erts wordt uitgevoerd, deels ook (te Zestafoni) verwerkt. Steenkool wordt gewonnen bij Tkvartsjeli en Tkiboeli. Te Roestavi is een groot metallurgisch complex. De industrie produceert vrachtauto's, tractoren, machines, chemicaliën, bouwmaterialen en levensmiddelen. Voor de energievoorziening wordt op grote schaal gebruik gemaakt van waterkracht; daarnaast zijn er vele steenkool- en aardgascentrales. De belangrijkste havens zijn Batoemi, Poti en Soechoemi. Tbilisi heeft een luchthaven. Toeristisch is vooral de Zwarte-Zeekust in trek en voorts kuuroorden als Tsjaltoebo, Borzjomi, Abastoemani, Pasanaoeri en Bakoeriani, verscheidene wintersportplaatsen en centra van oude cultuur, zoals de vroegere hoofdstad Mtskjeta bij Tbilisi.
Westelijk Georgië was reeds bekend in de 7de eeuw v.C. als koninkrijk Colchis, terwijl in de 4de eeuw oostelijk Georgië als zelfstandige staat heeft bestaan, namelijk het koninkrijk Iberia (Kartli), waar de oude culturele hoofdstad Mtskjeta en de latere hoofdstad Tbilisi gelegen zijn. In 65 v.C. werd het hele gebied door Pompejus veroverd; beide koninkrijken werden vazalstaten van de Romeinen. Na een aantal opstanden schijnen de Georgische vorsten zich in de Romeinse heerschappij te hebben geschikt. In 337 werd het christendom de officiële godsdienst van het land. In westelijk Georgië was het christendom reeds eerder gepredikt door missionarissen uit de Griekse kolonies langs de Zwarte Zee. Voor geheel Georgië betekende deze religieuze keuze een duidelijke breuk met het zoroastrische Perzië (zie Zarathoestra). De ligging van het land maakte Georgië tot een bufferstaat tussen de Romeinse, later Byzantijnse, en de Perzische machthebbers. Koning Vakhtang Gorgaslan (466–522) sloot een verbond met keizer Zeno van Byzantium en aanvaardde ook het Henotikon (484). Zeno erkende het hoofd van de christelijke Georgiërs als autocefaal patriarch (katholikos; zie autocefale kerken). In de 6de eeuw volgden de Georgische christenen de Byzantijnse Kerk (zie oosterse kerken), toen deze in verzoening met Rome het Concilie van Chalcedon weer aanvaardde. Vanaf deze tijd is er een duidelijke scheiding tussen Georgië en Armenië, dat het Concilie van Chalcedon bleef verwerpen. Vanaf het midden van de 7de tot de 9de eeuw was Georgië, evenals Armenië, een Arabische vazalstaat. In 813 kwam de macht in handen van de Bagratieden-dynastie, die ook in Armenië aan de macht gekomen was. In 888 werd in het oostelijk deel van Georgië (Iberia) het koningschap hersteld, dat duizend jaar lang in handen van de Bagratiedenfamilie bleef. In 978 werden Oost- en West-Georgië tot een eenheid verenigd onder Bagrat III van Iberia en in 1008 ontstond het ene koninkrijk Georgië; alleen de stad Tiflis (Tbilisi) bleef nog een eeuw onder de macht van de islamieten.
In de 7de eeuw ontstond een eigen christelijke literatuur: beschrijvingen van martelarenlevens, hymnen en heiligenlevens en vooral eigen teksten op het terrein van de liturgie, waarin omstreeks deze tijd de volkstaal werd ingevoerd. Grote invloed op de culturele ontwikkeling werd uitgeoefend door de kloosters, zowel die in eigen land als daarbuiten (in Palestina, op de Sinaï, nabij Antiochië, in Constantinopel en op de Balkan en vooral de vestiging op de berg Athos, het klooster Iviron). De gouden eeuw, begonnen met de hereniging van geheel Georgië ca. 980, duurde tot het midden van de 13de eeuw. De grote schepper van deze bloei was David III, de Bouwer (1089–1125), die o.a. Tiflis op de islamieten heroverde. Zijn opvolgers Georg III (1154–1184) en diens dochter Tamar (1184–1213) continueerden de ontwikkeling, waarbij de christelijke inspiratie (de koningen noemden zich ‘Dienaren van de Messias’) en het actieve contact met het Byzantijns christelijk cultuurgebied van grote betekenis zijn geweest. De wereldlijke literatuur kwam op en omvatte (onder Perzische invloed) vooral heldendichten, zoals het bekende De man in de panterhuid van Sjota Roestaveli (geb. ca. 1166).
Door de invallen van de Mongolen, vanaf 1220, kwam aan deze bloeiperiode op wrede wijze een einde. Het land werd een ruïne, overgeleverd aan de machtsstrijd van Turken en Perzen. De laatste koning van geheel Georgië was Alexander I (1412–1443) en na hem werd het gebied verdeeld in kleine vorstendommen, door rivaliteit vaak met elkaar in onmin levend. De val van Constantinopel (1453) bracht Georgië in een nog sterker isolement. Langzaam groeide echter de belangstelling voor deze streken in Rusland, dat zich als waakster over de christelijke orthodoxie uitgenodigd voelde beschermend binnen te treden in de Transkaukasische gebieden. De druk van Perzen en Turken, die grote delen van het land vaak hard en meedogenloos beheersten, deed de inwoners van Georgië op den duur hoopvol uitzien naar hulp van het christelijke Rusland. Ten slotte stelde koning Erekle (Heracles) II (1744–1798) zich in 1783 onder protectoraat van Rusland en op 12 sept. 1801 lijfde tsaar Alexander I Georgië bij zijn eigen rijk in. Het land werd een Russische provincie, bestuurd door Russische ambtenaren, met de Russische taal in bestuur, rechtspraak en onderwijs. Voor de Georgische Kerk betekende de annexatie door Rusland, dat in 1811 het eigen patriarchaat werd opgeheven en de Georgische christenen een deel gingen vormen van de Russisch-Orthodoxe Kerk, waarbij zij zelfs werden gedwongen de Slavische liturgie te accepteren. Georgisch patriottisch verzet tegen Rusland bleef de gehele 19de eeuw voortduren. Sinds de jaren 1890 kreeg de arbeidersbeweging vaste voet in Georgië; zij ontwikkelde zich vooral in sociaal-democratische richting, waarbij de mensjeviki (zie mensjevisme) de toon aangaven.
De verwarring van het revolutiejaar 1917 leidde op 26 mei 1918 tot het uitroepen van de Georgische onafhankelijkheid, die gehandhaafd bleef tot februari 1921, toen Georgië door de Sovjet-Unie werd aangevallen en ingelijfd. In 1923 ging het land samen met Armenië en Azerbeidzjan deel uitmaken van de toen gestichte Federale Transkaukasische SSR. De SSR Georgië kwam in 1936 tot stand, toen de Sovjet-Unie een nieuwe grondwet kreeg. In de jaren 1917–1921 werd het eigen patriarchaat hersteld (zie autocefale kerken) en in 1943 ontstonden opnieuw goede betrekkingen met de Russische Kerk. Er is tot op heden ook een groot aantal met Rome geünieerde Georgiërs. Als gevolg van de door Sovjetleider M. Gorbatsjov gevoerde politiek van glasnost en perestrojka werd aan het eind van de jaren tachtig, net als in andere delen van de Sovjet-Unie, de roep om een onafhankelijke republiek steeds luider. In 1988 werd de Nationale Democratische Partij van Georgië opgericht en sindsdien kwam het herhaaldelijk tot demonstraties. Een massaal protest in Tbilisi werd begin 1989 bloedig neergeslagen. Gelijktijdig maakte de autonome Abchazische sovjetrepubliek kenbaar zich van de Georgische republiek los te willen maken om een volwaardige sovjetrepubliek te worden. De islamitische Abchaziërs voelden zich door de christelijke Georgiërs in hun nationalistische bewustzijn gediscrimineerd. Begin 1990 verklaarde de Georgische Opperste Sovjet de verdragen van 1920–1921, waarmee Georgië zich aansloot bij de Sovjet-Unie, onwettig. Aan de parlementsverkiezingen van november 1990 werd behalve door de communistische partij, door een groot aantal partijen deelgenomen, waarvan de partijcombinatie Ronde Tafel-Vrij Georgië de meerderheid kreeg.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |