![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search flamenco (etymologie onzeker), verzamelnaam voor en genre-aanduiding van Andalusische dansen en liederen. De oorsprong van het genre, dat sinds eind 18de eeuw aanwijsbaar is en waarschijnlijk tot in de 16de eeuw teruggaat, is omstreden: er zijn Arabisch-Indische, joods-synagogale en zigeunerinvloeden te constateren. Oorspronkelijk bestond de flamenco uit cante (zang) en baile (dans). Sinds de 19de eeuw kreeg de toque (gitaarspel) een belangrijke plaats. Een ensemble van flamencodansers, -zangers en -instrumentalisten (gitaristen) wordt cuardo flamenco genoemd. Het melodietype, de cante flamenco, wordt – terecht of ten onrechte – beschouwd als een aftakking van de cante hondo (Andalusisch: cante jondo; letterlijk: diep in het volk voortlevende muziek), waarvan de karakteristieken zijn: vele herhalingen op één zelfde noot, rijke melodische versiering, gebruik van intervallen die in de gangbare toonladders zelden voorkomen en het veelvuldig toepassen van twaalfdelige maatsoorten. De strofen (coplas) van de liederen zijn in de regel vierdelig met refrein en worden melodisch en ritmisch vrij gevarieerd. Onderwerpen die bezongen worden zijn liefde, dood, schuld en wraak. De flamencodansen worden uitgevoerd door één, twee of drie dansers, waarbij het snel wisselende ritme met de hakken wordt gestampt, met de handen geklapt of door castagnettenspel onderstreept. Er zijn drie stijlen: de dramatische cante grande, de lichte cante chico en een tussenvorm, de cante intermedio; bij de laatste wordt niet gedanst. Tot de cante grande behoren o.a. de siguiriya en de soleare (beide prov. Sevilia), tot de cante chico de alegría en de bulería (beide prov. Cádiz), tot de cante intermedio de granaína en de fandango (beide prov. Granada).
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |