![]() |
Resultaten van Windows Live® Search
Resultaten van Windows Live® Search Artikeloverzicht
Etrusken of Etruriërs, een Italisch volk, in de oudheid in het Grieks Tyrsenoi of Tyrrhenoi geheten, in het Latijn Tusci (vgl. Toscane) of Etrusci, in hun eigen taal Ras(en)na. Het kerngebied Etruria (aanvankelijk tot de kuststrook beperkt) lag tussen Arno, Tiber en de naar hen genoemde Tyrrheense Zee. Tegen 500 v.C. strekte hun politieke invloedssfeer zich noordwaarts tot de Po-vlakte, zuidwaarts (inclusief Rome) tot in Campanië uit. De oorsprong van de Etrusken is sinds de oudheid omstreden; de voornaamste hypothesen zijn nog steeds die van Herodotus in Historiën I, 94 (afkomstig uit Klein-Azië, met name Lydië) en Dionysius van Halicarnassus (autochtoon). Van een abrupte breuk met de voorafgaande Villanovacultuur is geen sprake, wat een proces van lokale ontwikkeling meer waarschijnlijk maakt.
De Etrusken vormden een losse (vooral sacrale) federatie van twaalf soevereine stadstaten, met als centrum het heiligdom van de godin Voltumna bij Volsinii (Bolsena). Deze stonden aanvankelijk onder priester-koningen (lucumones); later waren het aristocratische republieken. De grote machtsuitbreiding van de Etrusken in de 6de eeuw v.C. werd ondersteund door een intensieve handel en exploitatie van ijzer- en kopermijnen, o.a. bij Populonia (Piombino). Omstreeks 510 v.C. leden zij in Rome door de verdrijving van het Etruskische koningsgeslacht der Tarquinii een echec, dat hun vestigingen in Campanië isoleerde. In de loop van de 5de eeuw werden zij overal geleidelijk teruggedrongen: in Campanië door een tegenoffensief van andere Italische volken (vooral Samnieten) en van hun Griekse handelsconcurrenten, die hen in 474 onder Hiëro I van Syracuse in een zeeslag bij Cumae overwonnen. In de Po-vlakte infiltreerden ca. 400 de Galliërs, o.a. in Bononia (Bologna). Begin 4de eeuw bezweek de Etruskische stad Veii voor de Romeinse expansie ten noorden van de Tiber, geleidelijk (tot ca. 280 v.C.) gevolgd door de andere steden. Al deze gemeenschappen werden als socii (bondgenoten) in het Romeinse machtsbereik opgenomen en kregen evenals de rest van Italia in 90 v.C. Romeins burgerrecht In Rome zelf bleven de Etrusken ook na 500 v.C. een belangrijk element van de bevolking (o.a. vele aanzienlijke families). In het kader van een gemeenschappelijke Italische cultuur (diepgaand beïnvloed door Griekse kolonies als Cumae) drukten zij, in een vroeg stadium, hun stempel op de Romeinse beschaving. Dit blijkt uit hun nalatenschap op het gebied van kunst en cultuur en op o.a. technisch (tempel- en stedenbouw; riolering en drainagewerken), sacraal (gladiatoren) en staatsrechtelijk gebied.
Er zijn ca. 10 000 overwegend korte inscripties, vooral grafschriften, bewaard gebleven. Alleen de korte inscripties zijn ontcijferd (er zijn slechts ca. 200 Etruskische woorden bekend). Vast staat dat de taal niet Indo-Europees is. Mogelijk is sprake van vóór-Griekse, Klein-Aziatische invloeden. Slechts een tiental van de bekende inscripties omvat meer dan 30 woorden. Chronologisch bestrijken ze de periode van de 7de eeuw v.C. tot de tijd van Augustus. Literatuur is niet overgeleverd. Het alfabet is Grieks, met weglating van enkele lettertekens die het Etruskisch niet nodig had, omdat de overeenkomstige klanken ontbraken; toegevoegd is het teken 8 voor f, een klank die het Grieks niet kende. Zeker is dat het Etruskisch aanvankelijk grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het Latijn. De Latijnen hebben bijv. hun drienamensysteem (voornaam, familienaam, bijnaam, bijv. Gaius Julius Caesar) van de Etrusken overgenomen, zoals ook een aantal namen zelf. Verder kent het Latijn vrij veel Etruskische leenwoorden, bijv. persona (masker), histrio (toneelspeler), subulo (fluitspeler), lanista(drilmeester), satelles (lijfwacht), misschien ook urbs (stad) en atrium (voorzaal). De invloed is echter verreikender geweest dan in bijzonderheden bekend is.
De artistieke uitingen in het Etruskische beschavingsgebied beslaan het tijdvak van 700 v.C. tot 90 v.C. Men kan twee perioden onderscheiden. Van 700 tot 450 v.C. is er sprake van een aristocratische kunst voor een rijke, kosmopolitische bovenlaag. Na een periode van inzinking, samenvallend met politieke neergang, begint ca. 350 v.C. een meer rustieke kunst voor bredere lagen van de bevolking. Deze sluit aan bij of gaat zelfs over in de Romeinse kunst, die zich ca. 150 v.C. begint af te tekenen en in 90 v.C. volledig ontwikkeld is. Er is geen sprake van een homogene kunst: elke stad in het gebied van de Etrusken had haar eigen specialisatie en chronologie. Ondanks de verscheidenheid is er veel gemeenschappelijks. Van de Griekse kunst onderging de Etruskische telkens opnieuw invloed, maar deze werd op eigen wijze verwerkt; de Etruskische kunst is in wezen geheel verschillend van de Griekse. Zo ligt de nadruk meer op het individuele en karakteristieke dan op het algemene. Ook heeft de Etruskische kunst meer grillige fantasie, wat blijkt uit de interesse voor enerzijds het portret, anderzijds de uitbeelding van fabeldieren, monsters en demonen. Sinds de 19de eeuw wordt de etruscologie op wetenschappelijke basis beoefend. Steden als Tarquinia, Cerveteri en Clusium zijn opgegraven; talrijke andere worden tegenwoordig in een systematisch onderzoek, o.a. met behulp van luchtarcheologie, gelokaliseerd. Met Vetulonia (1881) en Marzabotto (1890) werden voor het eerst ook Etruskische woonsteden ontdekt.
© 1993-2008 Microsoft Corporation/Het Spectrum. Alle rechten voorbehouden. |
|||||||||||||||||||||||||||||||
© 2008 Microsoft/Het Spectrum
![]() ![]() |