Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Engelse muziek

Resultaten van Windows Live® Search

  • Engelse Muziek

    Engelse Muziek ... A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z 0-9 Bewerk deze pagina. Engelse Muziek In de negentiende eeuw was veel Engelse muziek schatplichtig aan ...

  • Engelse Orgels in Nederland

    De presentatie zal plaatsvinden op zondagmiddag 23 november, 15.30 in de St. Christoforuskerk. Het programma van de CD bevat uitsluitend werken van Engelse bodem, muziek die het ...

  • De Boeken Markt

    Online koop en verkoop van tweedehands boeken in diverse categorieën. [Registratie]

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Engelse muziek

Encyclopedieartikel
Multimedia
Händels 'Water music'Händels 'Water music'
Artikeloverzicht

Introductie

Engelse muziek. Sinds de christianisering werd, in het bijzonder in de Ierse kloosters, vooral de kerkzang in Byzantijnse en middeleeuwse kerktoonsoorten beoefend, een belangrijke oorzaak van het feit dat de Britse muziek in de ontwikkeling van de oudste Europese meerstemmigheid een beslissend aandeel heeft gehad; reeds in de 10de eeuw bestond er in Winchester een orgel met 400 pijpen. Van grote betekenis waren de Engelse muziektheoretici van de middeleeuwen: Johannes Cotton (ca. 1100), Johannes de Garlandia, de door Coussemaker zo genoemde Anonymus IV (beiden 13de eeuw), Tunstede (14de eeuw), Lyonel Power (tevens componist) en Guilelmus Monachus (beiden 15de eeuw). Belangrijke bronnen voor de Engelse muziek van de 14de en 15de eeuw zijn de zgn. Worcester-fragmenten (Bodleian Library, Oxford; Chapter Library, Worcester; British Museum, Londen; uitgegeven door L.A. Dittmer [1957 en 1959–1960]) resp. het Old Hall-handschrift (uitgegeven door Ramsbotham, Collins en Hughes, 3 dln., 1933–1938).

De voornaamste Europese componist uit de eerste helft van de 15de eeuw was de Engelsman John Dunstable.

1. 16de en 17de eeuw

De belangrijkste componisten uit de eerste helft van de 16de eeuw waren Robert Fayrfax en John Taverner. Tijdens de regering van Elizabeth I kwam het madrigaal tot grote bloei en werd een van de meest beoefende vormen van huis- en gezelschapsmuziek. Madrigaalcomponisten waren Thomas Weelkes en John Wilbye. Toen gebroken werd met de middeleeuwse cantus-firmustechniek en de bovenstem steeds meer aan belang ging winnen, verloren de andere stemmen aan zelfstandige betekenis en werden ten slotte tot enkele akkoorden samengevat. Zo ontstond het sololied met luitbegeleiding, met als grootste meester John Dowland. Een andere, veelbeoefende vocale vorm was de anthem. Omstreeks 1575 ging het ‘virginal’ (virginaal) een grote rol spelen. De componisten die voor dit instrument schreven, zijn bekend als de virginalisten; vooral John Bull schreef zeer virtuoos. Hun stijl heeft grote invloed op de instrumentale Europese muziek uitgeoefend. De instrumentale kamermuziek (consort) bediende zich van dezelfde vormen als de muziek van de virginalisten (fancy, ricercare, fantasie, danssuite). Men schreef ook stukken op een kerkelijke cantus firmus, vooral op het In Nomine, bekend als innomie, terwijl die op een wereldlijke cantus firmus ‘browning’ genoemd werden. De belangrijkste kamermuziekcomponisten in de 16de en 17de eeuw waren William Byrd, Thomas Morley, Orlando Gibbons, Thomas Tomkins, William Lawes en de in het buitenland werkende William Brade. De vroegst bekende componisten van masques waren Thomas Campian en John Coprario. Hun muzikale bijdrage bestond uit aria's en balletmuziek. Latere componisten voerden ook het recitatief in, zoals Nicholas Lanier, fluitist, zanger, componist en schilder, die voor Jonsons Masque of Lethe en The vision of delight de muziek schreef, daarin als zanger optrad en de decors ontwierp. Muziek bij toneelstukken schreven: Edward Coleman, Matthew Locke, John Eccles en Jeremiah Clarke. Thomas Bateson en Thomas Ravenscroft waren conservatiever en sloten aan bij de oudere madrigaalstijl. Elementen van de oude en nieuwere stijl worden aangetroffen in de werken van John Wilbye, belangrijk als madrigaalcomponist, John Hilton, Benjamin Rogers, vooral orgelcomponist, en William Child. Een dieptepunt beleefde de Engelse muziek tijdens het bewind van Cromwell en de puriteinen. Na 1660 herstelde het Engelse muziekleven zich langzaam, mede door Italiaanse en Franse invloeden. De versmelting van deze vreemde invloeden met de Engelse stijl werd tot stand gebracht door John Blow, die naast veel orgelmuziek en kerkelijke werken (o.a. ruim 100 anthems) ook de masque Venus and Adonis en wereldlijke muziek (o.a. Harpsichord-lessons) schreef. Een belangrijke leerling van hem was Jeremiah Clarke. Diens mars voor harpsichord (of misschien een rondo voor orkest) werd door Henry Purcell bewerkt tot de bekende Trumpet voluntary. Purcell was de schepper van de eerste werkelijk Engelse opera: Dido and Aeneas (1688–1690). In dit verband verdient ook de Engelse – tot op heden belangrijke – koormuziek vermelding; het eerste festival in Europa, het Three Choirs Festival (beurtelings in Gloucester, Worcester en Hereford), werd in 1698 (of iets later) gehouden.

2. 18de eeuw

In het begin van de 18de eeuw waren het vooral William Croft en Maurice Greene die de traditie van kerkmuziek, masques, instrumentale en vocale muziek voortzetten. Daarnaast bepaalden buitenlanders het Engelse muziekleven. In 1712 vestigde Georg Friedrich Händel zich in Londen; hij legde de basis waarop nog een eeuw nadien een nieuw Engels muziekleven kon worden opgebouwd. Reeds vóór hem (in 1700) was de in Berlijn geboren John Christopher Pepusch naar Engeland geëmigreerd. Hij componeerde o.m. als noviteit de zgn. ballad opera. Dit genre, als zangspel op volksliedachtige muziek gebaseerd, vond veel bijval. De vorm kreeg zijn beslag in 1728 met The beggar's opera van John Gay. Een jaar nadien volgde The gentle shepherd, reeds in 1725 te Edinburgh door Allan Ramsay geschreven en daarna tot ballad opera bewerkt, waaruit blijkt dat in Schotland de nieuwe kunstvorm was overgenomen. In Ierland daarentegen hield men zich aan de traditie van het madrigaal en componeerde men voor de Ierse harp, waarvoor O. Carolan een nieuwe periode inluidde. Van belang waren in de tweede helft van de 18de eeuw de componisten Arne en William Boyce. Het repertoire werd op velerlei gebied uitgebreid door John Alcock, William Jackson, Thomas Linley, Benjamin Cooke, Samuel Arnold, Thomas Attwood, John Callcott en William Crotch. In de 18de eeuw heeft men zich vooral toegelegd op gelegenheidsmuziek (oden), het schrijven voor de eredienst, de glee en de catch. Het muziekleven onderging een opleving door de komst, in 1759, van Carl Friedrich Abel en, in 1762, van Johann Christian Bach (Bach-Abel-concerten), en – later – door de bezoeken van Joseph Haydn.

3. 19de en 20ste eeuw

Ook in de eerste 75 jaar van de 19de eeuw waren het vooral buitenlanders (Weber, Mendelssohn, Berlioz, Chopin ) die voor de hoogtepunten van het Engelse muziekleven zorgden. Van de Engelse 19de-eeuwse componisten die naam maakten, dienen vermeld: de Ier John Field en William Bennett. Andere componisten van vnl. instrumentale muziek waren John Francis Barnett, William Cusins en de Ier George William Torrance. Voor de kerkmuziek was in deze tijd vooral Samuel Wesley van betekenis, voor het theater Arthur Sullivan, die samenwerkte met de librettist W.S. Gilbert. Verdienstelijke theatermuziek schreven voorts: de Ieren Michael Balfe en Vincent Wallace en verder Henry Bishop en Frederick Clay.

Omstreeks 1875 begon een hernieuwde opbloei van de Engelse muziek. De invloed van de Duitse romantiek was weliswaar nog sterk, maar het Engelse idioom (gesyncopeerde ritmiek, melodiek met grote intervallen en een grillige curve) begon zich duidelijk af te tekenen. Twee figuren gaven de toon aan in deze revivalperiode: Charles Hubert Parry en de Ier Charles Villiers Stanford. Maar ook anderen lieten een eigen geluid horen: o.a. de Schot Alexander Mackenzie, Algernon Ashton en Ethel Smyth (opera The wreckers, 1906). Een vurig pleitbezorger vond de Engelse muziek in de dirigent Henry Coward. De grootste figuur onder de Engelse componisten was ca. 1900 Elgar. Zonder zijn sterke muzikale persoonlijkheid te bezitten, streefden zijn jongere tijdgenoten er eveneens naar een nationale muziek te scheppen, zoals Arthur Somervell, Richard Walthew (operettes), Samuel Coleridge-Taylor (opera's, instrumentale werken) en William Henry Bell (opera's, symfonieën). Het eind van de Duitse overheersing in de Engelse muziek is mede beïnvloed door de herontdekking van het Engelse volkslied. Hierdoor werd ondanks continentale inwerking de muziek toch typisch Engels. De volksmuziek inspireerde componisten als Delius en Vaughan Williams, die tevens openstonden voor het Franse impressionisme. In tegenstelling tot deze twee componisten werden Granville Bantock en Edward German alleen in Engeland bekend. Gustav Holst heeft door zijn persoonlijke taal en het nauwe verband dat hij tussen toon en woord legde, grote invloed uitgeoefend. De ca. 1880 geboren componisten stonden zonder hun Engelse origine te verloochenen, open voor de vernieuwingen die zich in de continentale muziek voltrokken. De belangrijksten zijn Frank Bridge, Bax, Cyril Scott en Ireland. De humoristisch-satirische werken van Lord Berners, de composities van Bliss, Lennox Berkeley, Eugene Goossens, William Walton, Albert Coates, Eric Coates, Arthur Benjamin en Edmund Rubbra vertonen zo goed als geen Engelse karakteristieken. Internationale moderne stijlkenmerken worden ook gevonden in de werken van componisten als York Bowen (pianoconcerten; symfonieën), de tot Engelsman genaturaliseerde Nederlander Bernard van Dieren, Benjamin Dale, Herbert Howells, Peter Warlock (pseudoniem voor Philip Heseltine) en W. Baines (symfonische en kamermuziek).

Bij de na 1900 geboren componisten zet zich deze internationale oriëntatie voort, terwijl echter tevens een heroriëntatie op het eigen verleden merkbaar is, en het streven naar een synthese tussen beide. Opvallend is dat de Britse componisten zich in het algemeen bij de bestaande vormen en uitdrukkingsmiddelen houden. Typerend is in dit verband dat Lamberts Music Ho! a study of music in decline (1934), waarin hij het neoclassicisme van Strawinsky afwijst en in Jean Sibelius de componist ziet op wie de toekomstige generatie moet steunen, in Engeland grote invloed had. Van de latere generatie dient in de eerste plaats genoemd te worden Benjamin Britten, die de representant bij uitstek werd van de Engelse muziek rond het midden van de 20ste eeuw. Verder zijn te vermelden: Constant Lambert, Tippett, Rawsthorne, Humphrey Searle, Elisabeth Lutyens, Peter Racine Fricker, Richard Rodney Bennett, Alan Bush, Gerald Finzi, Howard Ferguson, Ian Hamilton en Thea Musgrave, die seriële kamermuziek schreef. Alexander Goehr (1932), Peter Maxwell Davies (1934) en Harrison Birtwistle (1934) behoorden tot de oprichters van de New Music Manchester Group, een groep die zich in seriële composities op het continent richtte. Van deze componisten zochten Goehr en Davies in toenemende mate de confrontatie met het verleden, dat zij in de gedaante van overgeleverde compositorische procédés tot onderwerp van hun muziek maakten. Een sterk historisch bewustzijn, alsmede een gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van de muziekgeschiedenis, kenmerkt ook de symfonieën en strijkkwartetten van Robert Simpson (1921-1997). Cornelius Cardew (1936–1981) oriënteerde zich aanvankelijk op de seriële muziek en schreef later ‘politiek-functionele’ muziek. Tot de generatie van de jaren veertig behoren Michael Finissy, Brian Ferneyhough, Nigel Osborne en Paul Patterson, die allen door de seriële en postseriële ontwikkelingen op het continent beïnvloed zijn. Daarentegen zocht Gavin Bryars (geb. 1943) aansluiting bij de Amerikaanse minimal music. Oliver Knussen (geb. 1951) is niet alleen als componist maar ook als dirigent van eigentijdse muziek bekend. John Tavener (geb. 1944) houdt met zijn overwegend religieuze werken de Engelse koortraditie mede in stand. Van de jongste generatie moeten George Benjamin (geb. 1960), een leerling van Messiaen, en Steve Martland (geb. 1959), die in Nederland les kreeg van Louis Andriessen, worden genoemd.

Bekende muziekfestivals zijn, naast het reeds genoemde Three Choirs Festival, die van Edinburgh (ook andere kunsten), Aldeburgh, Bath, Brighton, Cheltenham en Glyndebourne.

Vorige
|
Volgende
Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum