Zoeken in Encarta Winkler Prins
Zoeken in Encarta Winkler Prins naar Dvořák, Antonín

Resultaten van Windows Live® Search

  • Antonín Dvořák [Classic FM]

    Antonín Leopold Dvořák werd geboren in Nelahozeves, op 8 september 1841 – Praag. Dvořák wordt beschouwd als de grootste Tsjechische componist.

  • VNTS - Antonín Dvořák

    Antonín Dvořák ... Antonín Dvořák. Home > Bekende personen > Antonín Dvořák. Antonín Leopold Dvořák (1841-1904) was een Tsjechische componist van klassieke muziek.

  • Antonín Dvořák - Wikipedia, the free encyclopedia

    Antonín Leopold Dvořák ( [ˈantoɲiːn ˈlɛopolt ˈdvor̝aːk] ( help · info ) , (often pronounced in English as [ˈdvɔɹʒ̝æk] ) ; September 8 , 1841 – May 1 , 1904 ...

Alle zoekresultaten weergeven in
Resultaten van Windows Live® Search

Dvořák, Antonín

Encyclopedieartikel
Multimedia
Antonín DvořákAntonín Dvořák

Dvořák, Antonín (Nelahozeves 8 sept. 1841 – Praag 1 mei 1904), Tsjechisch componist en dirigent, kreeg als kind enig muziekonderricht van zijn vader, die slager en kroegbaas was, en ging in 1857 met steun van een oom naar Praag, waar hij aan het conservatorium o.a. orgel studeerde. Om wat geld te verdienen, speelde hij mee in het dansorkest van K. Komzák, wat op zijn belangstelling voor muzikale dansvormen niet zonder invloed is geweest. Van 1862 tot 1871 was hij altviolist bij de Tsjechische opera (vanaf 1866 o.l.v. Smetana), voorloper van het Nationaal Theater te Praag. In 1875 ontving hij een staatsstipendium dankzij o.a. Brahms, die hem ook bij zijn uitgever Simrock introduceerde. Johannes Brahms bracht hem tevens in kennis met de dirigenten Richter en von Bülow, die zijn werken ook in het buitenland propageerden, terwijl Dvořák zelf als dirigent van eigen werk bekendheid kreeg. Beroemd werd de in 1878 gepubliceerde eerste bundel Slavische dansen. In 1884 maakte Dvořák voor het eerst een reis naar Engeland waar hij later nog achtmaal verbleef en waar de universiteit van Cambridge hem in 1890 een eredoctoraat verleende, evenals daarna de universiteit van Praag. Ook maakte hij tournees in Oostenrijk, Duitsland en Rusland. In 1890 werd hij leraar aan het conservatorium van Praag, maar hij vertrok al spoedig naar de Verenigde Staten, waar hij van 1892 tot 1895 artistiek leider was van het conservatorium te New York. Hier ontdekte hij de muziek van de negers, waaraan hij elementen ontleende, o.a. in de symfonie Uit de Nieuwe Wereld (opus 95, 1893). Hij kon er niet aarden en keerde naar Praag terug, waar hij van 1901 tot zijn dood directeur van het conservatorium was.

Dvořák begon als componist romantisch-nationalistisch, zoals Smetana, maar kwam al spoedig onder invloed van het romantisch classicisme van Brahms; zijn symfonieën, soloconcerten en veel van zijn kamermuziek getuigen van deze voorkeur. In zijn laatste werken keerde hij terug tot de meer radicale richting van Franz Liszt en componeerde symfonische gedichten en nationale opera's, o.a. Rusalka (1900) en Armida (1902–1903, n. Tasso). Zijn muziek getuigt vooral in de orkest- en kamermuziekwerken van groot vakmanschap (instrumentatie), een sterk temperament en lyrisch-melodische inventie. De invloed der Oost-Europese folklore geeft aan zijn werk (o.a. in het Dumky-trio, 1890–1891) een zeer eigen bekoring.

WERK: Voor orkest: 9 symfonieën, w.o. de als ‘vierde’ bekende in G (1889, nr. 8) en als ‘vijfde’, ‘Uit de Nieuwe Wereld’ in e (1893, nr. 9); 5 ouvertures, 5 symf. gedichten, Serenade (1875, strijkork.), Symf. var. over een ‘Originalthema’ (1877), Slavische dansen I (1878), 3 Slavische rapsodieën (1878), Serenade v. blaasinstr. (1878), Tsjechische suite (1879), Scherzo capriccios o (1883), Slavische dansen II (1886–1887). – Solo en orkest: pianoconc. (1876), vioolconc. (1879; 2de versie 1880–1882), celloconc. (1895). – Kamermuziek: strijksextet, 3 strijkkwintetten, 2 pianokwintetten, 14 strijkkwartetten, 2 pianokwartetten, strijktrio, 4 pianotrio's, w.o. Dumky (1890–1891), bagatellen v. 2 violen, cello en harmonium, werken v. viool en piano. – Voor piano: o.a. Dumka (1876), Schotse dansen (1877), Slavische dansen I (1878, geork.), walsen (1879–1880), mazurka's, legenden (1880), Slavische dansen (vierh., 1886; deels geork.), humoresken (1894). – Opera's: 2 op Duitse en 7 op Tsjechische tekst. – Voor koor, soli en orkest: Stabat Mater (1876–1877), Requiem (1890), Te Deum (1892). – Voor koor: o.a. oratorium De heilige Ludmilla (1885–1886). – Liederen: o.a. Bijbelse liederen (1894; m. ork. 1895).

Zoeken in dit artikel
Printervriendelijke pagina bekijken
E-mail




© 2008 Microsoft/Het Spectrum